Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:414

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
15/531
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verklaring Energie-investeringsaftrek. Niet voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/531

27652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2015 in de zaak tussen

Zegro Centrum Rotterdam B.V., te Rotterdam, appellante

(gemachtigde: ing. B.G.J. Ernens),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).


Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 (primaire besluit) heeft verweerder besloten geen verklaring Energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 af te geven voor het door appellante gemelde bedrijfsmiddel: energiezuinige koel- en/of vriesinstallatie (code 220212 van de Energielijst 2014).

Bij besluit van 24 juni 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door ing. W. Brinkman.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is een groothandel in voedings- en genotmiddelen. In 2014 heeft zij geïnvesteerd in een energiezuinige koel- en/of vriesinstallatie. Voor (een deel van) deze investering heeft appellante op 8 december 2014 bij verweerder een aanvraag voor een EIA-verklaring ingediend. Appellante heeft de installatie op 24 december 2014 in gebruik genomen.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een EIA‑verklaring afgewezen omdat volgens verweerder niet wordt voldaan aan de eisen van code 220212 van de Energielijst 2014. Uit de technische gegevens van de installatie blijkt dat sprake is van een combinatie van het HFK-houdende koudemiddel R‑134a en het – natuurlijke – koudemiddel koolstofdioxide. Op grond van artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Uitvoeringsregeling) komt een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een HFK-houdend middel wordt toegepast, niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemelde investering onderdeel uitmaakt van een groter geheel. In de Uitvoeringsregeling is aangegeven dat een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een HFK-houdend koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. Onder het samenstel van voorzieningen worden alle aanwezige middelen geschaard die met elkaar zijn verbonden voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen. In het onderhavige

geval betekent dit volgens verweerder, nu sprake is van een zogenoemd cascade-systeem waarbij de condensor zijn warmte afstaat via een installatie met een HFK-houdend koudemiddel (R134a), dat het gehele systeem (koolstofdioxide én R134a) tot het samenstel van voorzieningen wordt gerekend en dus de door appellante gemelde investering niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. Verweerder stelt dat, anders dan appellante betoogt, koolstofdioxide in dit geval niet als koudedrager kan worden beschouwd, maar een koudemiddel is. Bovendien kwalificeren de investeringskosten van een koudenet met koolstofdioxide evenzeer slechts dan voor energie-investeringsaftrek als het samenstel van de energiezuinige koel- en/of vriesinstallatie voldoet aan de gestelde eisen, zoals omschreven in de specifiek aangewezen code, wat hier volgens verweerder niet het geval is.

2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder een onjuiste uitleg geeft aan artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling. Zij betoogt dat koolstofdioxide naast koudemiddel ook als koudedrager kan worden toegepast, en dat bij toepassing van koolstofdioxide als koudedrager het koudenet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek. De regeling beoogt de mogelijkheid van energiebesparing door middel van gebruik van dit halogeenvrije koudemiddel te belonen. De afvoer van de condensorwarmte van de aangevraagde installatie gaat via een andere koelinstallatie, die buiten de aanvraag is gehouden. Appellante is bereid ook de investering van de cascadecondensor buiten de aanvraag te houden.

3. In het verweerschrift voert verweerder nogmaals aan dat de door appellante aangeschafte koel- en vriesinstallatie één samenstel van voorzieningen vormt. Het vriessysteem staat de opgenomen warmte niet rechtstreeks af aan de omgeving. Daarvoor is het koelsysteem nodig. Het koel- en vriessysteem realiseren gezamenlijk de beoogde temperatuur in het vriesgedeelte. Aangezien in dit samenstel van voorzieningen niet alleen een halogeenvrij koudemiddel maar ook een HFK-houdend koudemiddel wordt toegepast, komen de kosten voor het vriessysteem niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.
Verweerder merkt daarbij op dat de warmteoverdracht tussen het vries- en koelsysteem plaatsvindt door middel van een cascade-condensor. Deze condensor wordt niet genoemd in artikel 1B, lid 1.2.J van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling, zodat ook op grond daarvan de kosten van het vriesgedeelte van de installatie niet in aanmerking komen voor

energie-investeringsaftrek.

4. Aan de orde is de vraag of verweerder de aanvraag van appellante voor een EIA‑verklaring terecht heeft afgewezen.

5. Op grond van artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is fiscale aftrek (energie-investeringsaftrek) mogelijk indien in een onderneming wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe, op een door de ondernemer gedaan verzoek, door de minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen. Energie-investeringen zijn investeringen die bij ministeriële regeling - ten tijde in geding bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling - zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. De bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor energie-investeringsaftrek staan vermeld in de Energielijst 2014, die is gebaseerd op de bepalingen van de Uitvoeringsregeling.

6. In artikel 1B, lid 1.2.J, onder 1, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, is als investering ten behoeve van energiebesparing aangemerkt een investering voor een energiezuinige subkritische koel- en/of vriesinstallatie voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16 °C, en bestaande uit:

• ten minste één frequentiegeregelde compressor;

• een luchtgekoelde, watergekoelde of verdampingscondensor, ontworpen op maximaal 10 K temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur, met een specifiek opgenomen vermogen van de condensor van maximaal 14 W per kW condensorvermogen;

• een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13 °C buitenluchttemperatuur;

• een elektronische expansieregeling (bij een direct expansiesysteem);

• verdamper.
Volgens artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling geldt hierbij dat:

• koelmeubels en koeltunnels niet voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komen;

• het specifiek opgenomen vermogen van de condensor de som is van het totaal opgenomen vermogen van de ventilatoren en/of pompen, gedeeld door het condensorvermogen bij een temperatuurverschil van 15 K tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur;

• de omgevingstemperatuur bij de luchtgekoelde condensor de drogeboltemperatuur van de buitenlucht is, bij de verdampingscondensor dat de natteboltemperatuur van de buitenlucht is en bij de watergekoelde condensor dat de wateraanvoertemperatuur is. Het maximale temperatuurverschil van 10 K tussen condensatie- en buitenluchttemperatuur geldt voor een buitenluchttemperatuur van + 13 °C en hoger;

• een koel- en/of vriesinstallatie op basis van een halogeenvrij koudemiddel voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, uitgezonderd de installatiedelen die geen halogeenvrij koudemiddel bevatten;

• indien CO2 als koudedrager wordt gebruikt het koudenet ook in aanmerking komt;

• een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een HFK-houdend koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor Energie-investeringsaftrek. Onder samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen.

7. Het College begrijpt artikel 1B, lid 1.2.J van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling – in het licht van de aanvraag van appellante – als volgt. Als in een koel- en/of vriesinstallatie een halogeenvrij koudemiddel wordt toegepast, komen de installatiedelen die het halogeenvrij koudemiddel bevatten in aanmerking voor energie-investeringsaftrek (artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, vierde bullet). Als in het samenstel van voorzieningen van de koel- en/of vriesinstallatie (ook) een HFK-houdend koudemiddel wordt toegepast, komt de gehele installatie niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek (artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, zesde bullet) .

7.1

Niet in geschil is dat het vriesgedeelte van de installatie van appellante - waarin een halogeenvrij koudemiddel wordt toegepast - niet zonder het koelgedeelte kan functioneren. Verweerder heeft dan ook terecht de gehele installatie van appellante aangemerkt als samenstel van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling. Nu vaststaat dat in het koelgedeelte van de installatie van appellante een HFK-houdend koudemiddel wordt toegepast, komt gelet op het bepaalde in artikel 1B, lid 1.2.J., onder 2, zesde bullet, van de Uitvoeringsregeling deze installatie niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek. Verweerder heeft de aanvraag van appellante voor een EIA-verklaring dus terecht afgewezen.

7.2

Het College merkt ten overvloede nog op dat voor zover al alleen het vriesgedeelte in aanmerking had kunnen worden genomen, zoals appellante heeft betoogd, de installatie dan niet beschikt over de in artikel 1B, lid 1.2.J, onder 1, van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling genoemde condensor, en de aanvraag voor een EIA-verklaring dan om die reden had moeten worden afgewezen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. M.A. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.

w.g. J. Schukking w.g. M.A. Voskamp