Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:407

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/315
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2803, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2808, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht van VVR gericht tegen KLM en SLM wegens misbruik van een economische machtspositie, voornamelijk door het in rekening brengen van excessief hoge tarieven. Uit het door ACM uitgevoerde onderzoek volgen geen aanwijzingen dat sprake is van misbruik van een eventuele machtspositie door KLM en/of SLM op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo v.v. Hetgeen VVR inbrengt tegen het onderzoek vormt onvoldoende aanleiding om de resultaten van dat onderzoek in twijfel te trekken.

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/315

9500

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2015 op het hoger beroep van:

Vereniging Van Reizigers, te Nijmegen, appellante

(gemachtigde: mr. A. Jankie),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2014, kenmerk 13/3717, in het geding tussen

appellante

en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. W.J.L. Verheul en mr. K. Hellingman).

Als derde-partij heeft aan het geding in hoger beroep deelgenomen:

Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V., te Paramaribo, Suriname (SLM)

(gemachtigde: mr. A.J.F. Gonesh).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 17 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2803).

ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

SLM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 8 juli 2015 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. De gemachtigden van appellante en ACM zijn hierbij verschenen. Voorts zijn de heer [naam 1] , de heer [naam 2] en de heer [naam 3] verschenen namens appellante. SLM is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij brief van 16 april 2003 heeft appellante bij ACM een klacht ingediend over de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM) en SLM. Deze klacht richtte zich in hoofdzaak tegen de volgens appellante excessief hoge tarieven die KLM en SLM aan reizigers op de route Amsterdam-Paramaribo en vice versa (hierna: de vliegroute) in rekening brengen, hetgeen volgens appellante misbruik van een economische machtspositie, en dus strijd met artikel 24 van de Mededingingswet (Mw) opleverde. In samenhang daarmee klaagde appellante over de haars inziens restrictieve voorwaarden, de slechte service en het gebrek aan inzichtelijkheid in de diverse tarieven die KLM en SLM hanteren op de vliegroute. Appellante heeft voorts betoogd dat de gedragingen van KLM en SLM – en meer in het bijzonder de tussen hen bestaande samenwerkingsovereenkomst – in strijd zijn met de luchtvaartovereenkomst tussen Nederland en Suriname (LVO) en met artikel 6 van de Mw.

1.3

Bij besluit van 15 mei 2003 (het primaire besluit) heeft ACM, onder verwijzing naar haar zogenoemde prioriteringsbeleid, appellante medegedeeld de gedragingen van KLM en SLM niet aan een nader onderzoek te zullen onderwerpen. Bij besluit van 21 juni 2004 heeft ACM het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2004 (ECLI:NL:RBROT:2004:AS2354) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar daarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Bij zijn uitspraak van 11 november 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AU6574) heeft het College de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover daarin de rechtsgevolgen van het besluit van 21 juni 2004 in stand zijn gelaten, en ACM opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is bepaald.

1.4

Bij besluit van 21 juni 2006 heeft ACM het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. In haar beslissing op bezwaar heeft ACM overwogen – samengevat weergegeven – dat uit een in 2001 afgerond onderzoek niet was gebleken dat KLM en SLM in de periode 1998 - 2001 misbruik maakten van een economische machtspositie op de vliegroute, terwijl naderhand enkele ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, samenhangend met de liberalisering van deze vliegroute door de wijziging van de LVO per 1 mei 2006, die misbruik op de route minder waarschijnlijk maakten dan voorheen. Het tegen deze beslissing door appellante ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 21 augustus 2007 (ECLI:NL:RBROT:2007:266) ongegrond verklaard.

1.5

Het College heeft bij uitspraak van 20 augustus 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BN4700) de uitspraak van de rechtbank vernietigd, alsmede het besluit op bezwaar van 21 juni 2006. Hiertoe heeft het College overwogen dat de argumenten voor de conclusie in 2001 dat geen excessieve tarieven in rekening werden gebracht niet meer bruikbaar waren voor de situatie die zich sinds mei 2006 voordeed. De samenwerkingsovereenkomst waaraan een gedeelte van de kosten op de route werd toegerekend was op dat moment beëindigd, en sinds 2001 hebben zich mogelijk andere ontwikkelingen voorgedaan die van invloed konden zijn op de kosten van de exploitatie van de vliegroute. Voorts bestond een onvoldoende solide grond voor de verwachting van ACM dat zich vanaf 2006 concurrentie op de route zou ontwikkelen met een prijsdrukkend effect. Naar het oordeel van het College kon ten tijde van het nemen van het besluit van 21 juni 2006 niet worden uitgesloten dat KLM en/of SLM tarieven hanteerden die – in relatie tot de kosten – als excessief zouden moeten worden aangemerkt. Gelet hierop, en voorts in aanmerking nemend het maatschappelijke belang van redelijke tarieven op deze route, is het College tot de slotsom gekomen dat ACM – niettegenstaande de beleidsruimte die zij heeft bij het bepalen van de opportuniteit van (nader) onderzoek naar klachten – in het besluit van 21 juni 2006 ten onrechte heeft afgezien van een onderzoek ten gronde naar de klacht van appellante. Het College heeft ACM opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit besluit diende genomen te worden nadat een nader onderzoek was uitgevoerd naar het door appellante gestelde misbruik van economische machtspositie van KLM en SLM op de vliegroute, welk onderzoek zich diende te richten op de periode vanaf mei 2006.

1.6

ACM heeft naar aanleiding van deze uitspraak nader (markt)onderzoek verricht naar de situatie in de periode vanaf mei 2006. Hierbij heeft zij een eerder door SEO economisch onderzoek (SEO) op 17 september 2009 in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgebracht rapport betrokken, getiteld “Amsterdam-Paramaribo: open skies of open market, onderzoek naar nut en noodzaak van verdere liberalisering op de luchtvaartmarkt Nederland Suriname”. De bevindingen van ACM zijn neergelegd in het document “Onderzoek misbruik economische machtspositie op de route Amsterdam-Paramaribo” (het document). Bij haar besluit van 24 april 2013 (het bestreden besluit) heeft ACM de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond verklaard. ACM concludeert op basis van het door haar verrichte onderzoek dat KLM en SLM na mei 2006 geen excessieve tarieven hebben gehanteerd op de vliegroute, terwijl ook van andere vormen van misbruik van economische machtspositie niet is gebleken. Voorts concludeert ACM dat evenmin sprake was van excessieve tarieven in de daaraan voorafgaande periode, waarop de oorspronkelijke klacht en de eerdere bezwaarprocedure betrekking hadden. Voor verboden overeenkomsten tussen KLM en SLM ziet ACM geen aanwijzingen. ACM stelt zich dan ook op het standpunt dat bij het primaire besluit, zij het op andere gronden, de klacht van appellante terecht is afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek door ACM geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen van misbruik van een eventuele machtspositie door KLM en/of SLM op de relevante markt. Uit het onderzoek blijkt dat vooral Visiting Friends and Relatives (VFR)-reizigers op de vliegroute reizen, als gevolg waarvan sprake is van sterke seizoensinvloeden leidend tot een beperkte winstgevendheid. Ook uit de reacties van luchtvaartmaatschappijen die niet actief zijn op de route blijkt dat zij vanwege de lage winstgevendheid niet tot de route toetreden. ArkeFly heeft overwogen om op de vliegroute te gaan vliegen, maar op het moment dat duidelijk werd dat Martinair op deze route zou gaan vliegen, heeft ArkeFly zich teruggetrokken. ArkeFly ging ervan uit dat de markt te klein was om zowel haar als Martinair te accommoderen. Bovendien richt zij zich op vakantievervoer, hetgeen op deze route zeer beperkt is.

2.3

De casus Martinair laat volgens de rechtbank zien dat het mogelijk is om tot de vliegroute toe te treden. Er lijkt echter te weinig ruimte voor toetreding van een derde luchtvaartmaatschappij, gegeven de tarieven van KLM en SLM. Rendabele en blijvende toetreding is moeilijk gebleken. Het feit dat er sinds het uittreden van Martinair geen nieuwe toetreding heeft plaatsgevonden, versterkt de conclusie dat het niet winstgevend is voor een nieuwe toetreder om als derde partij actief te worden op de vliegroute.

2.4

Tegenover het door ACM op basis van het onderzoek gemotiveerd onderbouwde standpunt heeft appellante volgens de rechtbank weinig meer gedaan dan stellen dat zij de conclusies van het onderzoek betwist. Appellante heeft enkel verklaringen ingebracht van medewerkers van Does Travel & Cadushi Tours alsmede een verklaring d.d. 9 mei 2012 van de heer [naam 4] , oud-topman van SLM. De rechtbank overweegt dat deze verklaringen geen aanwijzingen bevatten die betrekking hebben op de klacht van appellante over excessieve tarieven op de vliegroute. De verklaringen zien niet op een marktverdeling, maar op een verticale relatie tussen de luchtvaartmaatschappijen en de touroperators. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van het onderzoek zoals geformuleerd door het College. Voorts heeft de verklaring van de heer [naam 4] betrekking op de periode 2000-2004, terwijl de periode waarop het onderzoek van ACM zich volgens de uitspraak van het College van 20 augustus 2010 diende te richten, de periode vanaf mei 2006 betrof.

2.5

De rechtbank is met ACM van oordeel dat de plaats van verblijf van de VFR-reizigers – bij familie of vrienden, of in hotels en vakantiehuisjes – niet van belang is. Het gaat enkel om bijzondere kenmerken van de reizigers die relevant kunnen zijn voor de bezettingsgraden van de vluchten, en daarmee voor de winstgevendheid van de vliegroute. Ten aanzien van het door appellante overgelegde rapport “Vliegen kan niet meer” overweegt de rechtbank dat dit enkel een korte enquête onder consumenten betreft. Gelet daarop en op de aard van de vragen biedt dit onvoldoende tegenwicht tegen de bevindingen in het door ACM verrichte onderzoek. De door appellante berekende jaarlijkse gemiddelde bezettingsgraad kan niet als onderbouwing van haar stelling dienen, nu daarin geen rekening is gehouden met de sterke seizoensschommelingen waarvan uit het onderzoek door ACM gebleken is. Ten aanzien van de door appellante gestelde marktverdeling tussen KLM en SLM overweegt de rechtbank nog dat de huidige overeenkomst tussen KLM en SLM betrekking heeft op het gebruik van elkaars diensten. Over deze overeenkomst heeft ACM zich positief uitgelaten. In zekere zin is een dergelijke overeenkomst zelfs concurrentiebevorderend, omdat hierdoor de toetreding tot de vliegroute door maatschappijen die niet zelf over alle bijkomende faciliteiten beschikken, wordt vergemakkelijkt.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellante betoogt in hoger beroep dat ACM onjuiste conclusies heeft getrokken uit verscheidene uit het onderzoek voortvloeiende feiten en omstandigheden, en dat dit onderzoek daarnaast op verschillende punten ontoereikend is geweest. ACM had haar onderzoek volgens appellante niet moeten beperken tot de vraag of sprake was van excessieve tarieven, maar had op grond van de LVO moeten nagaan of KLM en SLM redelijke tarieven hanteren op de vliegroute. De tijdelijke toetreding van Martinair kan volgens appellante geen bewijs vormen voor het feit dat toetreding tot de markt mogelijk zou zijn, aangezien Martinair een dochtermaatschappij is van KLM die nooit de intentie heeft gehad om de concurrentie aan te gaan met haar moedermaatschappij. Voorts blijkt uit een door appellante uitgevoerde berekening dat op de vliegroute sprake is van een bezettingsgraad van 90%, waaruit volgt dat de stelling van ACM dat vliegtuigen vol heenvliegen en leeg terug onjuist is. Daarnaast wordt het belang van toerisme miskend. Hetgeen door appellante hieromtrent gedurende de procedure is aangevoerd, had voor ACM aanleiding moeten vormen om nader onderzoek te doen naar de positie van de consument en de reisbureaus. Uit een door voormalig SLM-topman [naam 4] afgelegde verklaring, alsmede uit de verklaring van de heer [naam 5] van Does & Cadushi Tours, blijkt dat sprake is van een totale beheersing van de markt door KLM en SLM. Ten slotte blijkt uit de samenwerking tussen KLM en SLM dat beide maatschappijen door gebruikmaking van elkaars faciliteiten concurrentieremmend optreden.

Doel en reikwijdte van het onderzoek

4.1

In zijn uitspraak van 20 augustus 2010 heeft het College geoordeeld dat ACM opnieuw op het bezwaar van appellante diende te beslissen na nader onderzoek te hebben uitgevoerd naar het door appellante gestelde misbruik van economische machtspositie door KLM en SLM op de vliegroute in de periode vanaf mei 2006. Nu appellantes klacht primair betrekking had op het niveau van de tarieven op de vliegroute, heeft ACM haar hernieuwde onderzoek met name toegespitst op de vraag of de door KLM en SLM gehanteerde tarieven in de periode 2006-2010 excessief waren in de zin dat zij structureel aanzienlijk boven het bij een normale mededinging te verwachten niveau lagen. Deze maatstaf baseert ACM op Europeesrechtelijke jurisprudentie, zoals het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak United Brands, waarin het Hof oordeelde dat sprake kan zijn van misbruik, indien een te hoge prijs wordt gehanteerd die niet in een redelijke verhouding staat tot de economische waarde van de geleverde prestatie (arrest van 14 februari 1978, 27/76, Jur. 1978, blz. 207).

4.2

Ter beantwoording van de door haar geformuleerde onderzoeksvraag heeft ACM marktonderzoek uitgevoerd, waarbij zij eveneens de uitkomsten van het eerdergenoemde SEO-onderzoek heeft betrokken. ACM heeft in dit kader verschillende partijen geïnterviewd en informatie opgevraagd bij KLM, SLM en Martinair. Ook heeft zij op basis van informatie die zij van KLM heeft verkregen een benchmarkstudie uitgevoerd naar de opbrengst die wordt gerealiseerd op de vliegroute. Zij heeft onderzocht hoe de ‘yield’ (gemiddelde opbrengst per zitplaats) die KLM op de vliegroute realiseert zich verhoudt tot de yield die door KLM wordt gerealiseerd op andere intercontinentale routes van vergelijkbare afstand. De resultaten hiervan heeft zij aangevuld met onderzoek naar de ervaringen van andere luchtvaartmaatschappijen en de gebeurtenissen rond (voorgenomen) toetreding. De keuze voor een benchmarkstudie is mede gebaseerd op de huidige marktsituatie, waarbij geen sprake meer is van wettelijke barrières voor toetreding. In die situatie mag volgens ACM worden uitgegaan van de veronderstelling dat hoge tarieven van KLM en SLM toetreding zullen uitlokken en, omgekeerd, dat indien toepassing van dezelfde tarieven voor nieuwe toetreders niet rendabel is, deze niet excessief, maar juist competitief zijn.

4.3

Naar het oordeel van het College is marktonderzoek in combinatie met een benchmarkstudie in dit geval een geschikte manier om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn voor excessieve tarieven. De stelling van appellante dat ACM op grond van de LVO gehouden zou zijn om er op toe te zien dat de tarieven op de vliegroute niet alleen niet excessief zijn, maar dat zij zo nodig zouden moeten worden teruggebracht tot een redelijk niveau, kan niet worden gevolgd. Los van het gegeven dat artikel 6 van de LVO geen rechtstreekse werking heeft, zodat appellante aan deze bepaling niet rechtstreeks rechten kan ontlenen, valt niet in te zien hoe dit artikel zelfstandig de bevoegdheden van ACM zoals neergelegd in de Mw zou kunnen wijzigen of aanvullen of anderszins aan ACM een bevoegdheid zou kunnen geven – laat staan een verplichting zou kunnen opleggen – om een redelijk prijsniveau af te dwingen op de vliegroute. ACM heeft voorts in het voorliggende geval geen onjuiste beoordelingsmaatstaf aangelegd door – in overeenstemming met het genoemde arrest in de zaak United Brands – te onderzoeken of prijzen zijn gehanteerd die niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie.

4.4

Het door appellante overgelegde rapport "Vliegen kan niet meer" kan niet afdoen aan de uitkomsten van het door ACM verrichte onderzoek. Dit rapport heeft geen betrekking op objectieve prijsfactoren, maar betreft slechts een beperkte enquête omtrent de prijsbeleving van consumenten. De resultaten hiervan kunnen dan ook niet als aanwijzing voor excessieve tarieven worden beschouwd.

De toetreding van Martinair

5.1

Zoals overwogen door het College in zijn eerdergenoemde uitspraak van 20 augustus 2010 is de vliegroute per 1 mei 2006 gedeeltelijk geliberaliseerd, in die zin dat op grond van de gewijzigde LVO de Nederlandse en Surinaamse luchtvaartautoriteiten ieder aan maximaal drie luchtvaartmaatschappijen mogen toestaan op de route te vliegen. In diezelfde uitspraak overwoog het College dat ACM op het enkele feit dat op grond van de gewijzigde LVO (op dat moment nog ongebruikte) vergunningen waren verleend aan Martinair en TUI (ArkeFly) niet de verwachting mocht baseren dat zich vanaf 2006 een concurrentie op de route zou ontwikkelen met een prijsdrukkend effect.

5.2

In het bestreden besluit is ACM nader ingegaan op de betekenis van de toe- en uittreding van Martinair in de periode 2006-2008. Volgens ACM bevestigt de feitelijke gang van zaken hieromtrent dat KLM en SLM geen excessieve tarieven hanteren op de vliegroute. Martinair behaalde in verhouding met KLM en SLM een lagere yield, waardoor de vliegroute voor haar niet rendabel was. Nu Martinair op grond van haar prijsbeleid prijzen hanteerde die gelijk waren aan, of net lager waren dan die van haar concurrenten vormt dit een indicatie dat er geen excessieve tarieven worden gehanteerd op de route. Als sprake was van excessieve tarieven, dan was Martinair immers eerder in staat gesteld om blijvend en winstgevend toe te treden met het door haar gehanteerde prijsbeleid. Zoals blijkt uit de verklaring van Martinair waren de marges onvoldoende om rendabele toetreding door Martinair mogelijk te maken. Bovendien heeft er na de uittreding van Martinair op de vliegroute geen nieuwe toetreding plaatsgevonden.

5.3

Volgens appellante betrof de toetreding van Martinair een schijntoetreding, bedoeld om de markt bezet te houden om ArkeFly te doen afzien van toetreding tot de markt. Dit blijkt volgens appellante uit het feit dat Martinair een dochtermaatschappij is van KLM. Martinair zou daarnaast niet vanwege tegenvallende cijfers, maar vanwege vereisten vanuit Europa zijn uitgetreden uit de markt: zij zou zich hebben moeten toeleggen op vrachtverkeer.

5.4

Het College volgt het betoog van appellante niet. Vooropgesteld moet worden dat Martinair ten tijde van belang slechts voor 50% dochter was van KLM. Zoals ook blijkt uit de beschikking van de Europese Commissie van 17 december 2008, zaak COMP/M.5141, KLM/Martinair, opereerde Martinair daarbij geheel zelfstandig ten opzichte van KLM met betrekking tot zaken zoals de toe- en uittreding op individuele vliegroutes. Uit de verklaring van Martinair blijkt dat aan haar beslissing tot uittreding ten grondslag lag dat de route niet rendabel bleek te zijn, gecombineerd met een wijziging van haar algehele strategie. Het College is niet gebleken van Europese vereisten ten aanzien van de aard van de activiteiten van Martinair: de eerdergenoemde Commissiebeschikking bevat geen ‘remedies’, en daarnaast had Martinair haar activiteiten op de vliegroute reeds enkele maanden vóór het nemen van deze beschikking gestaakt. Gelet op het voorgaande mocht ACM oordelen dat de aanvankelijke toe- en latere uittreding van Martinair niet was ingegeven door de door appellante genoemde motieven en dat de wel aan deze beslissingen ten grondslag liggende motieven haar conclusie dat op de vliegroute geen excessieve tarieven worden gehanteerd, ondersteunden. Deze conclusie vindt ook bevestiging in de verklaring van ArkeFly, waarin zij aangeeft dat toetreding mogelijk is, doch onvoldoende winstgevend zou zijn.

De bezettingsgraden

6. Dat, zoals appellante stelt, uit de door haar berekende bezettingsgraden zou blijken dat geen sprake is van seizoenschommelingen wordt niet door het College gevolgd. Zoals terecht door de rechtbank is overwogen betreffen de door appellante berekende cijfers jaargemiddelden. Van belang is voorts dat er een onbalans bestaat wat betreft de vertrek- en aankomstpieken op de route. De vertrekpieken op Schiphol doen zich voor in juni-juli en oktober-december, terwijl de aankomstpieken in januari en augustus liggen. Doordat de aankomst- en vertrekpieken niet gelijktijdig optreden, hebben maatschappijen bij aankomstpieken moeite de heenvluchten te vullen en bij vertrekpieken de terugvluchten. Dit leidt tot lage(re) bezettingsgraden op deze vluchten en relatief hoge(re) tarieven. Zoals door ACM in het bestreden besluit uiteen is gezet zijn het – naast het beperkte aantal business class passagiers – juist deze schommelingen die een sterk drukkende invloed hebben op de yield en daarmee op de winstgevendheid. De stelling van ACM dat zich sterke schommelingen voordoen op de vliegroute vindt eveneens bevestiging in verschillende onder beperkte kennisneming vallende stukken, zoals de vertrouwelijke bijlagen bij het document, waardoor het betoog van appellante hieromtrent niet kan worden gevolgd.

Het belang van toerisme

7. De stelling van appellante dat ACM het belang van toerisme zou hebben miskend, kan evenmin worden gevolgd. In de randnummers 58 en volgende van het bestreden besluit heeft ACM uiteengezet welke factoren er toe bijdragen dat de groei van het toerisme beperkt is. Hierbij is ingegaan op het – naar ACM uit de aan haar verstrekte informatie heeft opgemaakt – gebrek aan investeringen door de Surinaamse overheid in hotels, ziekenhuizen en dergelijke, alsmede het beperkte aantal stranden en ontbreken van grote toeristische attracties. Het toerisme is vooral kleinschalig en gericht op de aanwezige natuur. De potentiële toetreder ArkeFly heeft aangegeven dat zij wel geïnteresseerd zou zijn om op Paramaribo te vliegen indien Suriname een goede vakantiebestemming zou zijn, maar dat er eerst veel hotelinvesteringen zouden moeten worden gedaan. Appellante stelt hier niet meer tegenover dan verklaringen van de heer [naam 5] van Does Travel & Cadushi Tours over de moeite die het volgens hem kost om afspraken te maken met de betrokken luchtvaartmaatschappijen over pakketreizen naar Suriname. Het College ziet niet in hoe deze verklaringen afbreuk kunnen doen aan de hierboven genoemde verklaringen voor de kleinschaligheid van het toerisme in Suriname.

Verticale marktverdeling in relatie tot de reisbranche

8.1

Met betrekking tot de beweerdelijke verticale marktverdeling door KLM en SLM in de reisbranche overweegt het College het volgende. Hetgeen appellante hieromtrent stelt kan niet worden teruggevoerd tot de oorspronkelijke klacht. Ter beoordeling staat of de door appellante ingebrachte verklaringen aanleiding hadden moeten vormen voor ACM om de richting van haar onderzoek aan te passen of dit onderzoek te verbreden. Hierbij moet voorop worden gesteld dat het nader door ACM uit te voeren onderzoek conform de opdracht zoals geformuleerd door het College de periode vanaf mei 2006 betrof. Nu de verklaring van de heer [naam 4] betrekking heeft op de periode 2000-2004 valt deze verklaring reeds om die reden buiten de reikwijdte van het onderzoek.

8.2

Met betrekking tot de door appellante ingebrachte verklaringen van medewerkers van Does Travel & Cadushi Tours is het College in navolging van ACM van oordeel dat deze verklaringen onvoldoende aanleiding vormen om de richting van het door ACM uitgevoerde onderzoek te wijzigen. Voor zover deze verklaringen betrekking hebben op de periode vanaf mei 2006 bevatten zij geen aanwijzingen van misbruik van een economische machtspositie door KLM en/of SLM. De stelling dat KLM en SLM een afspraak zouden hebben op grond waarvan Does Travel & Cadushi Tours enkel met KLM zaken zou mogen doen is niet nader met bewijs onderbouwd. Het College ziet voorts niet in hoe de enkele omstandigheid dat KLM geen capaciteit op de vliegroute ter beschikking wenst te stellen aan Does Travel & Cadushi Tours als aanwijzing voor misbruik van een economische machtspositie zou kunnen worden beschouwd. Niet is gebleken van aanwijzingen dat deze keuze op andere dan legitieme bedrijfseconomische afwegingen van de zijde van KLM zou zijn gebaseerd.

Samenwerking tussen KLM en SLM

9. De stelling van appellante dat KLM en SLM door gebruikmaking van elkaars faciliteiten concurrentieremmend optreden kan ten slotte evenmin worden gevolgd. De huidige samenwerkingsovereenkomst tussen KLM en SLM houdt niet méér in dan dat SLM tegen marktconforme tarieven en voorwaarden gebruikmaakt van de onderhoudsservice van KLM. Niet valt in te zien hoe dit als een belemmering kan worden beschouwd ten opzichte van toetredende partijen. Zoals overwogen door de rechtbank is een dergelijke overeenkomst zelfs in zekere zin concurrentiebevorderend, omdat hierdoor de toetreding tot de vliegroute door maatschappijen die niet zelf over alle bijkomende faciliteiten beschikken wordt vergemakkelijkt.

Conclusie

10. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak – met daarin onder andere de conclusie dat uit het onderzoek van ACM geen aanwijzingen zijn gekomen dat sprake is van excessieve tarieven of andere vormen van misbruik van een eventuele machtspositie door KLM en SLM – zal derhalve worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.O. Kerkmeester en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.N. Vroege, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A.N. Vroege