Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:40

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
AWB 13/251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet kan worden aanvaard dat een accountant die deel uitmaakt van de directie dan wel het bestuur van een accountantsorganisatie voor handelen of nalaten van een afdeling of een klachtencommissie van die organisatie waarbij hij feitelijk niet betrokken is geweest tuchtrechtelijk aanspreekbaar is, als was het diens eigen handelen of nalaten

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/251

20150

Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats] ([…]), appellante

(gemachtigde: [naam 2]),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 28 februari 2013, gegeven op een op 23 april 2012 door appellante ingediende klacht tegen [naam 4] RA en

[naam 5] RA, betrokkene

(gemachtigde: mr. J.F. Garvelink).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 28 februari 2013, met nummers 12/757 en 12/758 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:YH0347).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Bij brief van 10 november 2014 heeft appellante een aantal stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] RA. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd.

1.2

Betrokkene en [naam 4] zijn openbaar accountant en verbonden aan [naam 6] B.V. ([naam 6]). Betrokkene was tot 31 december 2011 voorzitter van de raad van bestuur (bestuursvoorzitter) van [naam 6]. Eind 2004 wenste [naam 7] N.V. ([naam 7]) aandelen uit te geven aan geïnteresseerden om te investeren in riviercruiseschepen. Hiertoe gaf [naam 7] op 15 november 2014 een prospectus uit, welke was voorzien van een door [naam 4] afgegeven accountantsverklaring van dezelfde datum. Op 21 januari 2005 en 1 september 2005 bracht [naam 7] een tweede respectievelijk derde prospectus uit, waarvan de laatste samen met haar dochter [naam 8]. Deze prospectussen waren beide voorzien van één en dezelfde accountantsverklaring van [naam 6] van 21 januari 2005.

1.3

Appellante verwijt in haar klacht [naam 4] en betrokkene, kort gezegd, dat zij onvoldoende hebben ondernomen om de geconstateerde valsheid in geschrifte, die erin bestond dat de door [naam 6] op 15 november 2004 afgegeven accountantsverklaring, met enige aanpassingen, voor de prospectussen van 21 januari 2005 en 1 september 2005 werd gebruikt, ongedaan te maken.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht voor zover deze ziet op [naam 4] deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard en hem de maatregel van waarschuwing opgelegd. Ten aanzien van de gegrondverklaring van de klacht heeft de accountantskamer, samengevat weergegeven, overwogen dat het op de weg van [naam 4] had gelegen zelf actie te ondernemen nadat hem bekend was geworden dat de door hem afgegeven accountantsverklaring van 15 november 2004 zonder zijn toestemming werd gebruikt bij de prospectussen van 21 januari 2005 en 1 september 2005. Hij heeft de situatie laten bestaan dat zijn naam werd misbruikt.

2.2

De accountantskamer heeft de klacht voor zover gericht tegen betrokkene ongegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Betrokkenes enkele hoedanigheid van bestuursvoorzitter levert onvoldoende grond op om hem voor de onder de directe verantwoordelijkheid van een andere accountant/kantoorgenoot verrichte beroepshandelingen tuchtrechtelijk verantwoordelijk te kunnen houden. Voor zover deze klacht zich richt tegen de beslissing van het bestuur van [naam 6] om het advies van de klachtencommissie aangaande de aldaar ingediende klacht over te nemen, draagt betrokkene hiervoor evenmin verantwoordelijkheid, reeds gezien het feit dat de klachtencommissie op 17 februari 2012 de beslissing omtrent de aldaar ingediende klacht bekend heeft gemaakt en betrokkene voordien op 31 december 2011 was teruggetreden als bestuursvoorzitter van [naam 6] en derhalve geen bemoeienis heeft gehad met de afhandeling van die klachtprocedure en de besluitvorming van het bestuur daarin.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend tegen de ongegrondverklaring van de klacht tegen betrokkene. Het College zal, gelet ook op hetgeen appellante desgevraagd ter zitting heeft verklaard, haar grieven beoordelen zoals deze door betrokkene zijn aangeduid en geordend in zijn schriftelijke reactie. Verder zal het College het in het hogerberoepschrift aan de orde gestelde handelen of nalaten van betrokkene in 2006, dat buiten de inhoud van de oorspronkelijke klacht valt en mede gelet op hetgeen appellante hieromtrent desgevraagd ter zitting heeft verklaard, niet opvatten als een (alsnog) te beoordelen klacht.
De bij brief van 10 november 2014 ingediende producties zijn door het College als een nadere onderbouwing van appellantes standpunt mede bij de beoordeling betrokken.

3.2

De eerste grief van appellante stelt aan de orde dat betrokkene als bestuursvoorzitter zelf maatregelen had moeten treffen tegen de valsheid in geschrifte met voormelde accountantsverklaring van 15 november 2004. Appellante wijst erop dat door de brief van [naam 9] van 23 juni 2011, waarin betrokkene werd aangeschreven op het passieve gedrag van [naam 4] ter zake, de fraudekwestie een bestuurskwestie werd.

3.3

Betrokkene brengt als reactie het volgende naar voren. Hij was destijds niet van de fraudekwestie op de hoogte en hoefde dat als bestuurder ook niet te zijn. Het enkele feit dat [naam 9] genoemde brief over deze kwestie stuurde aan [naam 6], ter attentie van betrokkene als bestuursvoorzitter, maakt niet dat hij daarmee tuchtrechtelijk verantwoordelijk werd voor dat dossier. Voorts wijst betrokkene er op dat het bestuurssecretariaat van [naam 6] conform intern beleid de brief van [naam 9] doorstuurde naar de afdeling juridische zaken van [naam 6], die vervolgens op haar beurt, eveneens conform intern beleid, besloot die kwestie af te handelen met de betrokken accountant [naam 4] en zonder betrokkene. De fraudekwestie speelde op het niveau van de verantwoordelijke accountant. Toen hierover vragen werden gesteld en verwijten werden gemaakt was het volgens betrokkene aan deze accountant om dat met juridische zaken af te handelen.

3.4

Het College stelt vast dat [naam 9] zijn brief van 23 juni 2011 heeft gericht aan betrokkene als bestuursvoorzitter van [naam 6], en in die brief er op heeft gewezen dat [naam 4] heeft nagelaten de valsheid in geschrifte en de fraude met de accountantsverklaring ongedaan te maken en – aan de hand van vragen – verzocht dat alsnog te doen. Het is [naam 4] geweest die namens [naam 6] de accountantsverklaring van
15 november 2004 heeft afgegeven, terwijl betrokkene feitelijk noch vaktechnisch betrokken is geweest bij zowel de inhoud als de totstandkoming van die verklaring. Evenmin heeft betrokkene enig feitelijk aandeel gehad in de vorenbedoelde handelwijze van [naam 4]. In deze omstandigheden valt niet in te zien dat betrokkene als accountant tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door destijds, in overeenstemming met het beleid van zijn accountantskantoor ter zake van de afhandeling van aan het bestuur gerichte correspondentie, de situatie te laten ontstaan dat de brief van [naam 9] niet onder zijn persoonlijke aandacht is gebracht en dat namens [naam 6] niet betrokkene maar juridische zaken in overleg met de verantwoordelijke accountant [naam 4] de correspondentie van [naam 9] heeft beantwoord.

De grief faalt.

3.5

Het College ziet aanleiding om de tweede en de vierde grief van appellante gezamenlijk te bespreken. De tweede grief houdt in dat de accountantskamer heeft miskend dat betrokkene als bestuursvoorzitter van [naam 6] volledig verantwoordelijk is voor het handelen van juridische zaken en de klachtencommissie. Met de vierde grief maakt appellante een aantal verwijten aan het adres van juridische zaken en de klachtencommissie waarvoor zij betrokkene verantwoordelijk houdt. Kort gezegd komen deze grieven er op neer dat appellante stelt dat juridische zaken en de klachtencommissie fouten hebben gemaakt en dat betrokkene als accountant voor die fouten tuchtrechtelijk aanspreekbaar is.

3.6

Betrokkene stelt primair niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk te zijn voor het handelen van juridische zaken. Hij was niet van de fraudekwestie op de hoogte en hij heeft geen instructies gegeven. De verantwoordelijkheid voor de afhandeling van de correspondentie met appellante lag bij juridische zaken en de verantwoordelijke accountant [naam 4] die samen genoemde reacties hebben opgesteld. Evenmin is hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor het handelen van de klachtencommissie. Zijn verantwoordelijkheid reikt namelijk niet verder dan het zorgdragen voor een deugdelijk systeem van klachtafhandeling binnen een accountantsorganisatie. Subsidiair heeft betrokkene zich verweerd tegen de gemaakte verwijten.

3.7

Vast staat dat betrokkene noch bij de inhoud en totstandkoming van de brieven van juridische zaken van 22 september 2011 aan [naam 9] respectievelijk appellante, noch bij de behandeling door de klachtencommissie van de klacht van appellante, op enige wijze feitelijk betrokken is geweest. Niet kan worden aanvaard dat een accountant die deel uitmaakt van de directie dan wel het bestuur van een accountantsorganisatie voor handelen of nalaten van een afdeling of een klachtencommissie van die organisatie waarbij hij feitelijk niet betrokken is geweest tuchtrechtelijk aanspreekbaar is, als was het diens eigen handelen of nalaten. Uit dit oordeel van het College volgt dat de vierde grief, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van juridische zaken en de klachtencommissie, geen afzonderlijke bespreking behoeft.

Deze grieven falen.

3.8

De derde grief van appellante keert zich tegen het oordeel van de accountantskamer dat betrokkene niet verantwoordelijk is voor het besluit van het bestuur van [naam 6] om het advies van de klachtencommissie over te nemen, omdat hij ten tijde van dat besluit al was teruggetreden als bestuursvoorzitter. Daartoe voert appellante als grond aan dat betrokkene heeft bewerkstelligd, dan wel door juridische zaken en de klachtencommissie heeft laten bewerkstelligen, dat de door appellante bij de klachtencommissie ingediende klacht pas zou worden afgehandeld na zijn ambtstermijn.

3.9

Betrokkene stelt dat die grond een nieuwe klacht behelst die bij de beoordeling buiten beschouwing moet blijven.

3.10

Volgens vaste jurisprudentie van het College is een aanvulling of uitbreiding van de klacht niet mogelijk in het kader van hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer. Nu genoemde grond niet is te herleiden tot de oorspronkelijke klacht als geformuleerd in de aangevallen uitspraak, dient deze buiten beschouwing te blijven.

De derde grief faalt.

3.11

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

3.12

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43h, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. M. Munsterman en
mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. S.D.M. Michael