Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:399

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/511
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 5:25, eerste lid, Awb: kosten bestuursdwang gwd

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/511

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.O. Hovinga),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr.W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten voor de uitvoering van bestuursdwang wegens overtreding van de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren (Gwd) bij appellant in rekening gebracht.

Bij besluit van 20 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herzien en de hoogte van de kosten van bestuursdwang die bij appellant in rekening worden gebracht, verlaagd.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De volgende feiten zijn niet betwist en staan ook voor het College vast. Appellant hield onder meer twaalf schapen. Op 8 november 2012 heeft bij appellant een controle plaats gevonden door onder ander twee districtsinspecteurs van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. In het door hen opgestelde toezichtsrapport van 13 november 2012 wordt vermeld dat twaalf schapen in een erg slechte conditie verkeerden en sterk vermagerd waren. Het ontbrak de schapen aan voer en het perceel waarop de schapen werden gehouden, was hiervoor niet geschikt.

1.2

Op 8 november 2012 heeft verweerder zonder voorafgaande last bestuursdwang toegepast en de schapen wegens hun slechte conditie in bewaring genomen op grond van overtreding van artikel 36, eerste en derde lid, en artikel 37 Gwd. Het besluit hiertoe heeft verweerder op 12 november 2012 op schrift gesteld. Een indicatie van de kosten die bij in bewaring genomen dieren in rekening worden gebracht, maakt onderdeel uit van dit besluit. Het bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard. Tegen dit besluit op bezwaar heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.3

Verweerder heeft appellant in zijn brief van 12 november 2012 meegedeeld dat hij van plan is de dieren op 22 november 2012 vrij te gegeven, zodra de gezondheidstoestand van de dieren voldoende is. Appellant heeft op 20 december 2012 afstand gedaan van de schapen. Op 15 januari 2013 heeft een dierenarts in een email verklaard dat hem uit onderzoek op die dag is gebleken dat de conditie van de schapen nog onvoldoende was om de dieren af te voeren.

2.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit de opvangkosten voor de twaalf schapen over de periode 8 november 2012 tot en met 17 juni 2013 bij appellant in rekening gebracht. Het betrof € 6.996,52. In het “Overzicht te verhalen kosten” wat als bijlage bij dit besluit is gevoegd, worden de opvangkosten per periode vermeld. Per periode heeft verweerder vermeld voor hoeveel schapen in die periode opvangkosten zijn gemaakt en of er in die periode tevens sprake is geweest van kosten voor medische behandeling of medicijnen.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluiten herzien en de kosten die bij appellant in rekening worden gebracht, teruggebracht tot € 5.401,56. Hierbij heeft verweerder de kosten die hij bij appellant in rekening brengt, beperkt tot de kosten die betrekking hebben op de periode van 8 november 2012 tot en met 1 april 2013.

3. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:25, zesde lid, stelt het bestuursorgaan de hoogte van de verschuldigde kosten vast.

4.1

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep van appellant heeft betrekking op de kosten die bij hem in rekening zijn gebracht voor de periode nadat hij afstand heeft gedaan van de schapen. In de eerste plaats waren de schapen volgens appellant inmiddels vrijgegeven toen hij afstand deed. Appellant beroept zich hiervoor op een uitlating van een medewerker van verweerder op 20 december 2012. Verweerder had de schapen vanaf dat moment kunnen herplaatsen zodat verweerder vanaf dat moment geen kosten meer voor de schapen bij hem in rekening mag brengen.

4.2

Volgens verweerder heeft hij terecht kosten voor de schapen bij appellant in rekening gebracht voor de periode na 20 december 2012. Hij betwist dat de schapen op 20 december 2012 waren vrijgegeven nu de gezondheidstoestand van de schapen vrijgave en herplaatsing nog niet toeliet. Hij verwijst daarvoor naar de dierenartsverklaring van 15 januari 2013. Hieraan doet niet af dat appellant op 20 december 2012 afstand heeft gedaan van de schapen.

4.3

Het College overweegt als volgt. Dat appellant afstand heeft gedaan van zijn dieren dan wel - zoals appellant stelt - de dieren zouden zijn vrijgegeven, betekent niet dat kosten, die daarna redelijkerwijs zijn gemaakt voor de opvang, verzorging en behandeling van de schapen, niet meer bij hem in rekening kunnen worden gebracht. Het College verwijst naar zijn uitspraken van 28 september 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY1681) en 30 december 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:315). Reeds hierom faalt deze beroepsgrond. Overigens is appellant bij brief van 12 november 2012 meegedeeld dat de dieren pas zouden worden vrijgegeven als hun gezondheidstoestand dat toe zou laten. In dit geval is niet uit de stukken gebleken dat de schapen op of voor 20 december 2012 zijn vrijgegeven. Bovendien volgt uit de diergeneeskundige verklaring van 15 januari 2013 het tegendeel nu de gezondheidstoestand van de schapen ook toen nog niet zodanig was, dat ze konden worden vrijgegeven om herplaatst te worden.

5.1

In de tweede plaats stelt appellant zich op het standpunt dat de in rekening gebrachte kosten over de periode na 20 december 2012 exorbitant hoog zijn en derhalve redelijkerwijze niet voor zijn rekening dienen te komen.

5.2

De kosten die verweerder bij appellant in rekening heeft gebracht, betreffen volgens hem de kosten die daadwerkelijk voor de opvang van de schapen, benodigde medicatie en dierenartsbezoek zijn gemaakt. De kosten waren zo hoog opgelopen omdat de opvangperiode zo lang heeft geduurd. Dit komt omdat de schapen nog niet gezond waren en dit type schapen moeilijk plaatsbaar is. De laatste schapen zijn op 4 maart 2013 gezond verklaard. Reeds in bezwaar heeft verweerder besloten dat de periode vanaf 4 maart 2013 tot en met 17 juni 2013 weliswaar nodig was om de schapen te herplaatsen maar dat deze periode niet volledig voor rekening van appellant mag komen. Verweerder heeft daarom in bezwaar de bij appellant in rekening gebrachte kosten beperkt tot de periode van 8 november 2012 tot 1 april 2013.

5.3

Het College overweegt dat appellant zijn stelling dat de in rekening gebrachte kosten exorbitant hoog zijn niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft de kosten van het in bewaring nemen van de schapen berekend conform de daartoe vastgestelde en in de brief van 12 november 2012 aan appellant vermelde tarieven. De overige kosten zijn gespecificeerd en met facturen onderbouwd. Voor wat betreft de lengte van de periode waarvoor verweerder de kosten voor de schapen bij appellant in rekening brengt, volgt uit de door verweerder overgelegde stukken dat de schapen eerst op 4 maart 2013 gezond waren en herplaatst konden worden. Verweerder heeft slechts de kosten voor de schapen voor het resterende deel van de maand maart aan appellant in rekening gebracht hoewel zijn schapen tot en met 17 juni 2013 in de opvang hebben gezeten. De kosten voor de moeilijke plaatsbaarheid van appellantes schapen heeft verweerder hiermee voor het grootste gedeelte voor zijn rekening genomen. Gelet op het voorgaande ziet het College in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat de door verweerder aan appellant in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn, dan wel redelijkerwijs niet ten laste van appellant horen te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2015.

w.g. H. Bolt w.g. G.J.P. Leuverink