Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:396

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/784
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag RDA voor software (Enterprise Edition) omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze software geen algemeen bedrijfsmiddel is, maar een bedrijfsmiddel dat dienstbaar is aan haar eigen S&O

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, geldigheid: 2015-12-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/784

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2015 in de zaak tussen

Van den Bosch Company Services B.V. te Erp, appellante

(gemachtigde: C.M.J. van der Cammen),

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J. van Essen, drs. G.J. Bolks).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2014 (primair besluit) heeft verweerder aan appellante op haar aanvraag een RDA-beschikking afgegeven. In dat besluit is vermeld dat de aanschaf van

‘Enterprise Edition’ niet in aanmerking komt voor Research en Development Aftrek (RDA).

Bij besluit van 27 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. De gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft voor de periode van januari tot en met maart 2014 met betrekking

tot drie projecten, waaronder project 2013-02 met de titel ‘planning’, S&O-verklaringen en RDA-beschikkingen aangevraagd. Het project 2013-02 betreft het uitvinden en realiseren van een nieuw besturingsparadigma voor planning en verdere bedrijfsorganisatie. Als technisch probleem is in de aanvraag vermeld dat het gaat om het vertalen en automatiseren van processtappen voor de transportplanning en andere bedrijfsprocessen. Als gekozen oplossingsrichting is vermeld dat een softwareplatform wordt aangekocht dat als fundament zal dienen voor de nieuw te ontwikkelen en te gebruiken planning-software. Appellante heeft blijkens haar aanvraag daarvoor de volgende licenties voor software van Quintiq aangeschaft:

- een licentie voor Enterprise Edition (Enterprise module) voor een bedrag van € 373.175,-;

- een licentie voor een test- of developmentmodule (Development module) ad € 45.900,- ;

- gebruikerslicenties, waaronder die voor twee ontwikkelaars voor een bedrag van € 13.600,-.

De Enterprise module is een bestaand softwareprogramma. De Development module is een softwareprogramma voor het ontwikkelen van software voor de Enterprise module.

1.2.

Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag aan appellante met een besluit van 19 mei 2014 een S&O-verklaring afgegeven. In dit besluit is vermeld dat voor het project 2013-02 alleen de technische realisatie van eigen programmatuur in aanmerking komt en als S&O-werkzaamheden worden toegekend.

1.3.

Verweerder heeft met het thans in geding zijnde primaire besluit een RDA-beschikking afgegeven. In dit besluit is vermeld dat RDA wordt toegekend voor de Development module en de licenties voor twee ontwikkelaars. Voor de Enterprise module is geen RDA toegekend. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat de Enterprise module een softwarepakket is dat gebruikt gaat worden voor de reguliere bedrijfsvoering en door verweerder niet wordt gezien als bedrijfsmiddel dat wordt ingezet voor de eigen S&O-werkzaamheden.

1.4.

Appellante heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en het primaire besluit ten volle bestreden. Tijdens de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar heeft appellante zich op het nadere standpunt gesteld dat de Enterprise module in ieder geval voor een deel in aanmerking komt voor RDA (naar schatting voor 50%), omdat het ook wordt gebruikt voor het testen van de nieuw ontwikkelde planning-software dus voor S&O.

1.5.

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daaraan is in aanvulling op het primaire besluit, voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag gelegd:

“ Het is mij niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van de inzet van een algemeen bedrijfsmiddel. Hiermee is er geen duidelijk aanwijsbaar oorzakelijk verband tussen de aanschaf van het softwarepakket en het S&O. (...)

Tot slot wil ik nog graag het volgende opmerken. In de RDA-beschikking van 30

juni 2014 hebt u een bedrag van € 13.600 toegekend gekregen voor licentiekosten.

Ik ben van mening dat de licenties niet alleen gebruikt worden voor S&O. Ook

routinematige ontwikkeling en gebruikerslicenties worden hiermee afgedekt.

Licenties voor softwarepakketten die voor algemeen bedrijfsgebruik zijn bedoeld

worden categorisch uitgesloten voor de RDA (zie 3.2 nota van toelichting van het

besluit RDA). Het inzetten van algemeen inzetbare software voor S&O maakt het

nog geen specifieke licenties ten behoeve van S&O-werk. Een bezwaarschrift mag er echter niet toe leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschrift-procedure niet mogelijk zou zijn. De reeds toegekende RDA kosten laat ik dan ook in tact.”

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de Enterprise module heeft aangeschaft voor haar speur- en ontwikkelings-werk met betrekking tot de planning-software. Deze moet worden getest in een zo realistisch mogelijke omgeving, die identiek is aan de uiteindelijke productieomgeving. Dat is niet mogelijk in de Development module. Daarom werkt zij met twee versies (onder één licentie) van de Enterprise module op twee verschillende servers: een als ontwikkelomgeving en een in de productieomgeving. Na het testen van nieuw ontwikkelde software in de ontwikkelomgeving wordt deze, indien het in die omgeving aan de eisen voldoet, geplaatst en in gebruik genomen in de productieomgeving. De productieomgeving was, anders dan de ontwikkelomgeving, ten tijde van de aanvraag om RDA nog niet in gebruik en is in september 2015 in gebruik genomen. Appellante zal in de toekomst doorgaan met het ontwikkelen van software en het gelijktijdige gebruik van de Enterprise module in enerzijds een testomgeving en anderzijds de productieomgeving. Hieruit volgt volgens appellante dat de testomgeving van de Enterprise module wordt gebruikt voor speur- en ontwikkelingswerk. Gelet op het vorenstaande stelt appellante zich op het standpunt dat in ieder geval de Enterprise module als ontwikkelomgeving, tot een bedrag van € 186.587,50, te weten de helft van het door haar voor de Enterprise module betaalde bedrag, in aanmerking moet worden gebracht voor RDA. Volgens appellante heeft verweerder daar in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht aan besteed en is de aanvraag om RDA voor de Enterprise module ten onrechte afgewezen.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante de Enterprise module heeft aangeschaft voor een betere en efficiëntere uitvoering van haar reguliere bedrijfsvoering. De Enterprise module is - algemeen inzetbare - software die als bedrijfsmiddel wordt gebruikt. Het is een basis voor de ontwikkeling en het bouwen van modellen voor optimalisatie van de bedrijfsprocessen. De ontwikkelde modellen zijn dienstbaar aan het bedrijfsmiddel en niet andersom. Op grond hiervan is volgens verweerder geen sprake van een uitgave in het kader van de RDA. Als appellante gevolgd zou worden in haar andersluidende redenering zouden alle standaard ICT middelen die een bedrijfsproces ondersteunen in aanmerking moeten worden gebracht voor RDA. Dat is niet de bedoeling van de regelgeving.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Op grond van artikel 3.52a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) komt een belastingplichtige bij het bepalen van de winst in aanmerking voor een aanvullende aftrek wegens kosten of uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt, met uitzondering van loonkosten, zoals vastgesteld in een door verweerder ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (RDA-beschikking). In het op artikel 3.52a, derde lid, van de Wet IB gebaseerde Besluit RDA zijn, voor zover thans van belang, regels gesteld met betrekking tot het aanvragen en het afgeven van een RDA-beschikking.

Ingevolge de definitiebepalingen in artikel 1 van het Besluit RDA wordt verstaan onder

a. wet: Wet inkomstenbelasting 2001; (...)

c. speur- en ontwikkelingswerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.52a, vijfde lid, van de wet;

d. kosten: al hetgeen is betaald voor de realisatie van eigen speur- en ontwikkelingswerk en voor zover deze betalingen:

1°. niet eerder in aanmerking zijn genomen voor een RDA-beschikking;

2°. uitsluitend dienstbaar zijn aan het uitvoeren van speur- en ontwikkelingswerk;

3°. drukken op de belastingplichtige; en

4°. geen uitgaven zijn als bedoeld in onderdeel e;

e. uitgaven: al hetgeen is betaald voor de verwerving van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen voor zover deze betalingen drukken op de belastingplichtige en deze bedrijfsmiddelen:

1°. niet eerder zijn gebruikt; en

2°. dienstbaar zijn aan eigen speur- en ontwikkelingswerk.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit RDA komen uitgaven die ten dele direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk als bedoeld in artikel 3.52a, eerste lid, van de Wet IB 2001, voor dat deel voor het RDA-bedrag in aanmerking.

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit RDA (Staatsblad 2011/657) onder 1 is de RDA bedoeld ter bevordering van innovatie. In de nota van toelichting is onder 3.3 onder andere vermeld dat het bij uitgaven gaat om de verwerving van bedrijfsmiddelen. Het moet gaan om bedrijfsmiddelen voor zover zij dienstbaar zijn aan eigen S&O. Uitgaven die niet kwalificeren voor RDA zijn onder meer: uitgaven aan meer algemeen inzetbare ICT-middelen. Uitgaven waar bij het opstellen van dit besluit rekening mee is gehouden en die afhankelijk van het S&O kunnen kwalificeren voor RDA zijn onder meer: ICT-middelen specifiek bedoeld voor speur- en ontwikkelingswerk.

3.2.

Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft geweigerd om het door appellante voor de Enterprise module betaalde bedrag (bedrag) geheel of gedeeltelijk voor RDA in aanmerking te brengen. Tussen partijen staat vast dat dit bedrag niet kan worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit RDA. In geschil is de vraag of het bedrag kan worden aangemerkt als een uitgave als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat, zoals zij stelt, de Enterprise module geen algemeen bedrijfsmiddel is, maar een bedrijfsmiddel dat dienstbaar is aan haar eigen S&O.

3.3.

Deze vraag moet naar het oordeel van het College worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Nu het in dit geding gaat om een aanvraagsituatie, is het in beginsel aan appellante als aanvrager van RDA voor de Enterprise module om aannemelijk te maken dat de Enterprise module voor RDA in aanmerking komt.

3.4.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat appellante hierin niet is geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Appellante heeft in haar aanvraag de Enterprise module omschreven als ‘een softwareplatform dat als fundament zal dienen voor de nieuw te ontwikkelen en te gebruiken planning-software’. Deze omschrijving biedt steun aan het standpunt van verweerder dat de Enterprise module als algemeen inzetbaar ICT-middel als bedoeld in de nota van toelichting bij het Besluit RDA moet worden aangemerkt. De door appellante ter ondersteuning van haar andersluidende standpunt ter zitting van het College gestelde omstandigheid dat de Enterprise module niet kan worden gebruikt als daarvoor geen software wordt ontwikkeld, leidt het College niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheid biedt in ieder geval geen steun voor het door appellante ingenomen standpunt dat de Enterprise module dienstbaar is aan het ontwikkelen van de planning-software waarvoor haar een S&O-verklaring is verleend. Appellante heeft de stelling van verweerder dat het speur- en ontwikkelingswerk voor het ontwikkelen van die software feitelijk plaatsvindt in de Development module, niet betwist. Appellante heeft ook de stelling van verweerder dat de Enterprise module wordt gebruikt voor de reguliere bedrijfsvoering niet betwist. Verder is door appellante niet voldoende gemotiveerd gesteld, noch is gebleken dat de Enterprise module specifiek is bedoeld voor speur- en ontwikkelingswerk, als bedoeld in de nota van toelichting bij het Besluit RDA. Het College gaat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, ervan uit dat appellante de Enterprise module primair heeft aangeschaft voor haar reguliere bedrijfsvoering en dat zij speur- en ontwikkelingswerk is gaan verrichten om de planning-software te ontwikkelen die zij nodig heeft om van de Enterprise module gebruik te kunnen maken.

3.5.

Het door appellante in beroep uiteengezette gebruik van de Enterprise module enerzijds als testomgeving en anderzijds als productieomgeving, als hiervoor onder 2.1 is vermeld, leidt het College niet tot een ander dan voormeld oordeel. Anders dan appellante meent, kan uit de hiervoor bedoelde omschrijving van het gebruik van de Enterprise module niet worden afgeleid dat de testomgeving van de Enterprise module wordt gebruikt voor speur- en ontwikkelingswerk. De omschrijving biedt daartoe onvoldoende feitelijke grondslag. Voor zover appellante heeft beoogd aan te voeren dat het testen van de nieuw ontwikkelde software op één lijn moet worden gesteld met het daaraan voorafgaande speur- en ontwikkelingswerk, slaagt deze stelling niet, reeds omdat zij deze niet heeft onderbouwd. Appellante heeft geen concrete voorbeelden gegeven van speur- en ontwikkelingswerk in de Enterprise module.

3.6.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag dat zij heeft betaald voor de Enterprise module moet worden aangemerkt als een uitgave in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA. De door appellante nader betrokken stelling dat in ieder geval een deel van dat bedrag als een dergelijke uitgave dient te worden beschouwd kan reeds hierom niet slagen. Hieruit volgt dat verweerder terecht het bestreden besluit heeft genomen.

3.7.

De conclusie is dat het beroep niet slaagt en ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en

mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.

w.g. M. van Duuren w.g. J.W.E. Pinckaers