Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:395

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/829
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag RDA voor 'Genetwister' omdat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de hoogte van het in de aanvraag vermelde bedrag en de betaling daarvan.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/829

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2015 in de zaak tussen

Fides De Lier B.V. te De Lier, appellante

(gemachtigden: drs. R.W. Smak Gregoor, G.W. van Bueren, H. van den Heuvel)

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C. Cromheecke en dr. ir. C.M. Schavemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 (primair besluit) heeft verweerder aan appellante op haar aanvraag een Research en Development Aftrek (RDA)-beschikking voor de periode van januari tot en met december 2014 in verband met speur en ontwikkelingswerk (S&O) afgegeven. In die beschikking heeft verweerder, voor zover in dit geding van belang, de uitgave van € 430.000,- voor ‘Genetwister’ van Genetwister Technologies B.V. niet in aanmerking genomen.

Bij besluit van 10 november 2014 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor verweerder is verder nog verschenen L.J.A. Lekkerkerk.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontwikkelt nieuwe sierteeltrassen. Zij is gespecialiseerd in de veredeling van snijchrysanten en potchrysanten en diverse andere pot- en perkplanten. Appellante maakt gebruik van zogenoemde ‘DNA merker technologie’ om in een kruisingsproces te bepalen welke nakomelingen beschikken over een specifieke eigenschap.

DNA Green Group is, blijkens het door appellante in het geding gebrachte overzicht van de aandeelhoudersstructuur de moedermaatschappij van achttien besloten vennootschappen, waaronder Agribio Group B.V. (Agribio), die enig aandeelhouder is van Fides Holding B.V. , die enig aandeelhouder is van appellante. DNA Green Group, Agribio en appellante werken op DNA-merkertechnologiegebied samen in projecten met het biotechnologiebedrijf Genetwister Technologies B.V. (Genetwister B.V.).

Appellante heeft voor de periode van januari tot en met december 2014 met betrekking tot acht projecten, genaamd: ‘beheersing genetische drift’, ‘bestrijding virussen en pathogenen’, ‘veredeling snijchrysant’, ‘veredeling Impatiens Nieuw Guinea’, ‘veredeling Kalanchoe’, ‘veredeling Petunia en Dahlia’, ‘veredeling Osteospermum en nieuwe pot/perkplanten’ en ‘veredeling Pelargonium’, S&O-verklaringen en RDA-beschikkingen aangevraagd. Bij al deze projecten is onder meer een kostenpost opgenomen met de omschrijving: Genetwister € 430.000,-.

Genetwister wordt in de aanvraag, kort gezegd, omschreven als: het door Genetwister B.V. met behulp van zelf ontwikkelde software uitlezen en analyseren van door appellante aangeleverd DNA-materiaal en het verstrekken van de resultaten aan appellante. Het doel daarvan is het identificeren van nieuwe merkers die appellante kan gebruiken in haar veredelingsproces.

1.2.

Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag aan appellante met een besluit van 16 april 2014 voor alle in haar aanvraag vermelde projecten een S&O-verklaring afgegeven en heeft met het thans in geding zijnde primaire besluit een RDA-beschikking afgegeven op grond van het Besluit van 21 december 2011, houdende regels voor speur- en ontwikkelingswerk (Besluit RDA). In het primaire besluit is, voor zover thans van belang, een bedrag van € 430.000,- voor Genetwister, door appellante ook wel ‘chip met data’ genoemd, niet in aanmerking genomen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de kosten voor Genetwister ‘uitbesteed onderzoek’ betreffen, welke kosten uitgesloten zijn in artikel 5, eerste lid, onder a van het Besluit RDA.

1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij onder andere aangevoerd dat verweerder het bedrag van € 430.000,- ten onrechte heeft aangemerkt als kosten als bedoeld in het Besluit RDA. Volgens appellante dienen de investeringen in het project Genetwister te worden aangemerkt als uitgaven voor het vervaardigen van een bedrijfsmiddel, te weten de aanschaf van een database (chip) met door Genetwister B.V. geanalyseerd datamateriaal van appellante. Na het bezwaar heeft appellante in een e-mail van 15 september 2014 aan verweerder zich op het standpunt gesteld dat de investeringen van € 430.000,- dienen te worden aangemerkt als uitgaven voor een immaterieel bedrijfsmiddel, te weten ‘know how’.

1.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder acht het niet aannemelijk dat er sprake is van de aanschaf van een (immaterieel) bedrijfsmiddel. Verweerder heeft ondanks het verzoek daartoe, van appellante geen stukken (offerte en contract) inzake de aanschaf van de chip ontvangen. Appellante heeft slechts een Research Agreement opgestuurd, waarbij noch zij, noch haar fiscale moeder partij zijn. De boekingen in het interne grootboek van appellante duiden op langdurige, terugkerende betalingen, waaruit verweerder mede afleidt dat er geen sprake is van de aanschaf van een bedrijfsmiddel, maar veeleer van betalingen van termijnen van projectkosten. Zelfs indien de aanschaf (en betaling) van de chip wel kan worden aangetoond is er geen sprake van een ‘nieuw vervaardigd bedrijfsmiddel’. Verweerder heeft voorts onderzocht of de betalingen inzake het project Genetwister mogelijk als kosten kunnen worden aangemerkt. Verweerder leidt uit het door appellante overgelegde document Research Agreement af dat Genetwister B.V. bepaalde werkzaamheden volgens een overeengekomen projectplan zal verrichten en dat Agribio B.V. hiervoor een bedrag van € 350.000,- voor de totale projectduur (twee jaar) zal betalen. Volgens verweerder betreft de aanvraag van appellante voor Genetwister dan ook kosten in de zin van het Besluit RDA en is er sprake van ‘uitbesteed onderzoek’.

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aangevoerd, kort gezegd, dat de betalingen voor Genetwister niet moeten worden aangemerkt als ‘kosten van uitbesteed onderzoek’ maar als ‘uitgaven voor de verwerving van een immaterieel bedrijfsmiddel’. De fiscale eenheid waarvan appellante deel uit maakt heeft daarvoor in 2014 in totaal € 527.375,- aan Genetwister B.V. betaald. Dit blijkt volgens appellante uit het door haar in beroep in het geding gebrachte gedingstuk met de titel ‘Ledger transactions’. Nu er meer is betaald dan het bedrag van € 430.000,- dat appellante in de aanvraag voor de RDA-beschikking heeft opgenomen, sluit het bedrag van € 527.375,- aan bij wat appellante heeft aangevraagd.

2.2.

Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift onder meer op het standpunt gesteld dat hij het aangevraagde bedrag van € 430.000,- niet kan plaatsen. Dit bedrag vindt geen steun in de gedingstukken.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Op grond van artikel 3.52a van de Wet Inkomstenbelasting 2001 komt een belasting-plichtige bij het bepalen van de winst in aanmerking voor een aanvullende aftrek wegens kosten of uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt, met uitzondering van loonkosten, zoals vastgesteld in een door verweerder ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (RDA-beschikking).

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit RDA geeft verweerder op aanvraag een RDA-beschikking af aan een belastingplichtige die voornemens is speur- en ontwikkelingswerk te verrichten.

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit RDA (Staatsblad 2011 nr. 657) onder 5, kan een belastingplichtige die een S&O-verklaring aanvraagt in een aanvraag om RDA kosten en uitgaven opvoeren die andere besloten vennootschappen binnen de fiscale eenheid voor zijn S&O-werkzaamheden maken.

Ingevolge artikel 1, onder d, aanhef en onder 4o, van het Besluit RDA, wordt onder kosten verstaan al hetgeen is betaald voor de realisatie van eigen speur- en ontwikkelingswerk en voor zover deze betalingen geen uitgaven zijn als bedoeld in onderdeel e.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA wordt onder uitgaven verstaan al hetgeen is betaald voor de verwerving van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen voor zover deze betalingen drukken op de belastingplichtige en deze bedrijfsmiddelen niet eerder zijn gebruikt en dienstbaar zijn aan eigen speur- en ontwikkelingswerk.

Ingevolge artikel 5, lid 1, aanhef en onder a, van het Besluit RDA zijn kosten voor uitbesteed onderzoek uitgesloten van een RDA-beschikking.

3.2.

In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd het in de aanvraag vermelde bedrag van € 430.000,- voor Genetwister in aanmerking te nemen in de RDA-beschikking.

3.3.

Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In een aanvraagsituatie, als waarvan in dit geding sprake is, is het in beginsel aan de aanvrager om over de gestelde feiten en omstandigheden de nodige duidelijkheid te verschaffen.

3.4.

Het bestreden besluit berust op twee gronden. De eerste grond betreft het feit dat appellante het in haar aanvraag vermelde bedrag van € 430.000,- voor Genetwister niet aannemelijk heeft gemaakt als gestelde uitgave voor de verwerving van een nieuw vervaardigd bedrijfsmiddel als bedoeld in artikel 1 onder e van het Besluit RDA. De tweede grond betreft het oordeel van verweerder dat de (verschillende) bedragen die appellante in verband brengt met Genetwister ‘uitbesteed onderzoek’ betreffen, waarvan de kosten op grond van artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit RDA van RDA zijn uitgesloten.

3.5.

Het College neemt bij zijn beoordeling in aanmerking dat volgens de opgave van appellante Agribio Group B.V., Fides Holding B.V. en appellante deel uitmaken van een fiscale eenheid. Het College gaat er verder, nu appellante zulks ter zitting heeft bevestigd, van uit dat de aanvraag van appellante om een RDA-beschikking voor Genetwister betrekking heeft op eenmaal het bedrag van € 430.000,- voor de acht S&O-projecten genoemd in haar aanvraag, in plaats van acht maal dit bedrag, als vermeld in de aanvraag.

3.6.

Het College stelt vast dat appellante, hoewel zij daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld, weinig en onvoldoende onderbouwde informatie heeft verschaft over de hoogte van het in haar aanvraag vermelde bedrag van € 430.000,- voor Genetwister. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag kan worden aangemerkt als uitgave voor de verwerving van een nieuw vervaardigd bedrijfsmiddel als bedoeld in het Besluit RDA. Het bericht van appellante in een e-mail van 20 mei 2014 aan verweerder dat er door het aandeelhouderschap van DNA Green Group in Genetwister B.V. een verplichting bestaat om jaarlijks minimaal € 300.000,- aan merkergestuurde projecten te laten uitvoeren, vormt geen concrete onderbouwing van de stelling van appellante dat dit bedrag betrekking heeft op het verwerven van een chip met data dan wel het verwerven van een immaterieel bedrijfsmiddel (know how). Dat in een e-mail van 1 december 2014, met als bijlage een Research Agreement van 1 oktober 2013 tussen onder andere Agribio en Genetwister B.V. met betrekking tot het Petuniaproject, appellante aan verweerder te kennen heeft gegeven dat voor dat project in totaal € 350.000,- aan Genetwister B.V. wordt betaald, waarvan € 180.000,- betrekking heeft op het kalenderjaar 2014, vormt evenmin een voldoende onderbouwing van de stelling van appellante. Zoals verweerder terecht heeft vastgesteld, valt uit het Research Agreement, het enige concrete document dat appellante aan verweerder ter beschikking heeft gesteld, op geen enkele wijze op te maken dat sprake is van aanschaf van een bedrijfsmiddel voor het door appellante aangevraagde bedrag van € 430.000,-.

3.7.

Appellante heeft in een aanvullend beroepschrift van 2 oktober 2015, naar aanleiding van het verweerschrift, aangevoerd dat uit de door haar bij dat aanvullend beroepschrift bijgevoegde bijlage met de titel ‘Ledger transactions’ (hierna: Ledger transactions) blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in totaal € 527.375,- aan Genetwister B.V. is betaald. Nog afgezien van het feit dat dit stuk pas na het bestreden besluit, te weten kort voor de zitting van het College, door appellante in het geding is gebracht is het College van oordeel dat hieruit evenmin kan worden afgeleid waarop appellante haar aanvraag voor het bedrag van € 430.000,- voor Genetwister voor het jaar 2014 baseert. Dit gedingstuk dat kennelijk betrekking heeft op de periode van 6 januari 2014 tot en met

1 oktober 2014 bevat onder andere verschillende debetbedragen die in hoogte variëren van € 10.500,- tot € 1.268.750,- en bij die bedragen behorende omschrijvingen waarvan de meeste bestaan uit het woord ‘Genetwister’ gevolgd door een code. Mede gelet op het feit dat Green Group B.V. samenwerkt met Genetwister B.V. en de moedermaatschappij is van achttien besloten vennootschappen, waaronder ook Agribio, Fides Holding B.V. en appellante - de door appellante gestelde fiscale eenheid - alsmede op het feit dat in de ‘Ledger transactions’ niet zichtbaar is welke (rechts)persoon de daarin vermelde betalingen heeft gedaan, kan uit dit gedingstuk niet worden afgeleid of, en zo ja tot welk bedrag, die fiscale eenheid betalingen heeft gedaan voor Genetwister in verband met de S&O-werkzaamheden van appellante in 2014. Appellante heeft dit ook niet nader toegelicht. Daarnaast kan ook uit de ‘Ledger transactions’ niet worden afgeleid hoe de daarin opgenomen bedragen zich verhouden tot het in de aanvraag vermelde bedrag van € 430.000,- en hoe het bedrag van de aanvraag tot stand is gekomen. Appellante heeft de hoogte van dit bedrag, evenals de hoogte van het door haar in beroep gestelde betaalde hogere bedrag van in totaal € 527.375,-, niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te specificeren welke van de in de ‘Ledger transactions’ vermelde bedragen voor dit geschil van belang zouden kunnen zijn. Evenmin valt uit dit gedingstuk op te maken dat deze uitgaven in verband kunnen worden gebracht met het verwerven van een nieuw vervaardigd bedrijfsmiddel, zoals door appellante betoogd.

3.8.

Het College is van oordeel dat verweerder bij het uitblijven van duidelijkheid omtrent de grondslag van het in de aanvraag vermelde bedrag, terecht het bedrag van € 430.000,- niet in aanmerking heeft genomen in de afgegeven RDA-beschikking. Hieruit volgt dat een beoordeling door het College van de tweede afwijzingsgrond, als hiervoor onder 3.4 is vermeld, niet kan leiden tot een andere uitkomst van dit geding. Wat partijen daarover hebben aangevoerd behoeft derhalve geen verdere bespreking.

3.9.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt en ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. M. van Duuren en

mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. J.W.E. Pinckaers