Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:392

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
13/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies, onderdeel investeringen in milieuvriendelijke maatregelen, mestbassin, uitbreiding bestaande opslagcapaciteit

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/422

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M. Verduijn).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2012 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 2 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. Partijen zijn hierbij vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft het College vervolgens desgevraagd geïnformeerd over de stand van andere procedures met betrekking tot de zogenaamde GVE-eis voor natuurlijk grasland. Verweerder heeft appellante daarnaast in de gelegenheid gesteld om aanvullend bewijs te leveren voor haar stelling dat de door haar voor bedrijfstoeslag 2012 opgegeven percelen natuurlijk grasland voldoen aan de GVE-eis. Appellante heeft hiertoe stukken overgelegd en verweerder heeft hierop gereageerd. Partijen hebben vervolgens nogmaals schriftelijk hun standpunten over het geleverde bewijsmateriaal kenbaar gemaakt.

Op 26 maart 2015 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Appellante is hierbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft voor 2012 verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten en daartoe 23 percelen opgegeven met gewascode 3718 voor natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit.

2.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit, de opgegeven percelen geheel afgekeurd en de bedrijfstoeslag 2012 vastgesteld op nihil onder toepassing van een uitsluiting van bedrijfstoeslag voor een bedrag van € 40.821,68.

Verweerder heeft hiertoe uiteengezet dat de percelen niet subsidiabel zijn, omdat zij in 2012 niet overeenkomstig de eis van artikel 21a van de Regeling met gemiddeld minimaal 0,15 grootvee eenheid (GVE) per ha zijn begraasd door schapen, geiten of runderen. Om te beoordelen of is voldaan aan deze eis is volgens verweerder het I&R-register bepalend. Uit dit register blijkt dat appellante in 2012 geen dieren op haar bedrijf heeft gehad. Appellante beschikte vóór 2 juli 2012 niet over een Uniek Bedrijfsnummer (UBN). Zij heeft op
2 juli 2012 weliswaar alsnog een UBN aangevraagd en verkregen, maar zij heeft in 2012 geen melding gedaan aan het I&R-register van de in- en uitscharing van haar dieren op de opgegeven percelen.

2.2

Het na de zitting van het College op 3 april 2014 door appellante overgelegde bewijsmateriaal maakt volgens verweerder evenmin aannemelijk dat de door appellante opgegeven percelen door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per ha zijn begraasd.
De verklaring van de beheerder van het gebied over 2012 is ondertekend op 14 mei 2014 en dus geruime tijd achteraf opgesteld. Hieraan kan daarom geen of slechts beperkte bewijskracht worden toegekend. De op 15 mei 2012 gedateerde inscharingsverklaring heeft appellante niet eerder dan bij de aan het College geadresseerde brief van 29 augustus 2014 overgelegd. Verweerder heeft deze brief niet eerder ontvangen en daarom niet in zijn besluitvorming kunnen betrekken. Verweerder vindt het opvallend dat de andere en eerder overgelegde inscharingsverklaring is gedateerd op 14 mei 2014 en dat onduidelijk blijft waarom de op 15 mei 2012 ondertekende verklaring niet eerder is overgelegd.
De uitdraai van de ‘Veeadministratie natuurgebied 2012’ (tweede uitdraai) die appellante bij brief van 16 juni 2014 aan het College heeft overgelegd, verschilt van de eerder door appellante bij brief van 19 maart 2014 aan het College overgelegde uitdraai van deze administratie (eerste uitdraai). Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de tweede uitdraai, die - naar appellante stelt - de juiste zou zijn. Overigens bevat de eerste uitdraai evidente onjuistheden, aldus verweerder. Daarnaast blijkt uit de tweede uitdraai dat het eerste rund is ingeschaard op 30 juni 2012, terwijl volgens diverse verklaringen van de (toenmalige) gemachtigde van appellante reeds in het voorjaar (maart 2012) sprake was van de inscharing van runderen op de percelen. Ook het feit dat de tweede uitdraai niet overeenkomt met deze verklaringen doet afbreuk aan de geloofwaardigheid hiervan. Dit geldt eveneens voor het feit dat appellante in 2012 geen melding heeft gedaan aan het I&R register van de in- en uitscharing van haar dieren op de betreffende percelen.

De door appellante overgelegde pachtovereenkomst 2011 ziet, aldus verweerder, op het jaar 2011 en hieruit blijkt dus niet dat de percelen in 2012 zijn begraasd. Bovendien volgt uit deze overeenkomst slechts de verplichting om de percelen te laten begrazen, maar blijkt daaruit niet of en in hoeverre aan deze verplichting is voldaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan alle bewijsmiddelen een gebrek kleeft en het geheel een dusdanig troebel beeld geeft dat hij terecht heeft aangenomen dat de opgegeven percelen van appellante niet aan de GVE-eis voldeden en daarom niet voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag in aanmerking kwamen.

3. Appellante stelt dat haar percelen voldoen aan de GVE-eis, omdat deze in 2012 in voldoende mate zijn begraasd door haar runderen. Zij voert aan dat verweerder haar tot 2012 bedrijfstoeslag heeft toegekend op basis van dezelfde gewascode. Ook voor 2013 en 2014 is haar bedrijfstoeslag toegekend. Het is gelet op haar ongewijzigde bedrijfsvoering onlogisch dat zij in 2012 niet aan de begrazingsnorm zou hebben voldaan. De koeien worden jaarlijks van maart tot in december ingeschaard. Met de door haar overgelegde bewijsstukken heeft zij voldoende bewijs geleverd dat zij ook in 2012 aan de GVE-eis heeft voldaan. Appellante pacht de percelen van de stichting het Brabants Landschap en is op grond van de pachtovereenkomst verplicht tot het inscharen van vee en het beweiden van het land. Zij heeft een pachtovereenkomst overgelegd en een verklaring van de beheerder van het gebied van
14 mei 2014 waarin staat dat zij als pachter in het jaar 2012 runderen heeft ingeschaard in het natuurgebied “het Markiezaat”. Tevens verwijst zij naar vorengenoemde tweede uitdraai waarop alle ingeschaarde koeien met individueel levensnummer zijn vermeld met de datum van inscharing en uitscharing. Het gaat hierbij om 88 runderen. Dat deze lijst afwijkt van de eerste uitdraai is veroorzaakt door fouten die haar man daarin heeft gemaakt.
Zij heeft, na verweerders mededeling dat de inscharing enkel nog op basis van het I&R-register kon worden aangetoond, op 2 juli 2012 een UBN aangevraagd en verkregen. De dierverplaatsingen konden echter niet meer aan het I&R worden gemeld binnen de wettelijke termijn van drie dagen, omdat het vee toen al was ingeschaard. Nadat zij van verweerder had vernomen dat het mogelijk is om de dierverplaatsingen achteraf te melden aan het I&R-register, heeft appellante deze bij brief van 19 maart 2014 alsnog gemeld.

4.1

Gronden met de gewascode 3718 zijn ingevolge artikel 34, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 subsidiabel indien het gaat om landbouwgrond die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Dit vereiste is uitgewerkt in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009. Het uitoefenen van landbouwactiviteiten mag geen noemenswaardige hinder ondervinden van niet-landbouwactiviteiten. Aan dit vereiste is verder invulling gegeven in artikel 21a van de Regeling. Dit houdt voor percelen 'natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit' in dat deze percelen gedurende het betreffende premiejaar door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen.

4.2

Het College heeft reeds eerder geoordeeld (zie de uitspraken van 19 december 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BZ1131 en van 25 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:74) dat verweerder het I&R-register als uitgangspunt mag nemen voor de vraag of is voldaan aan de GVE-eis van 0,15 GVE per hectare. Wel bestaat hierbij de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Het is aan appellante om tegenbewijs te leveren dat in weerwil van de afwezigheid van registraties van dieren op haar percelen in het I&R-register hier in 2012 toch voldoende dieren zijn geweid om te voldoen aan de GVE-eis.

4.3

Naar het oordeel van het College is onvoldoende bewijs voorhanden om aan te nemen dat aan de hier geldende GVE-eis van begrazing met ten minste 0,15 GVE per hectare is voldaan. Vaststaat dat ten tijde van de aanvraag, het primaire en het bestreden besluit geen I&R-register beschikbaar was waaruit blijkt dat er in de relevante periode op het bedrijf van appellante runderen zijn geweest. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bij het College op 3 april 2014 en 26 maart 2015 is evenmin gebleken dat verweerder eventuele door appellante in 2014 gedane meldingen aan het I&R-register met betrekking tot het in geding zijnde jaar 2012 alsnog heeft geaccepteerd en dat dit heeft geleid tot een I&R-registratie op grond waarvan het ervoor moet worden gehouden dat er in de relevante periode runderen op het bedrijf van appellante hebben gegraasd. Overigens merkt het College nog op dat appellante de mogelijkheid heeft gehad om de betreffende meldingen reeds in 2012 te doen en dat dit als houder van de dieren ook tot haar verantwoordelijkheid behoorde.
De door appellante aangeleverde alternatieve bewijsstukken zijn naar het oordeel van het College niet toereikend om aan te nemen dat de in geding zijnde percelen in 2012 in voldoende mate zijn begraasd. Het College volgt hiertoe de door verweerder gegeven argumentatie met betrekking tot de bewijskracht van deze stukken, zoals hiervoor is weergegeven in punt 2.2. Hieraan voegt het College nog toe dat op basis van geen van deze bewijsstukken ondubbelzinnig is vast te stellen wanneer welk van de hier bedoelde dieren op de percelen heeft gelopen. De overgelegde inscharingsverklaringen en de verklaring van de beheerder van het gebied vermelden geen dieren, identificatiecodes, noch de datum van aan- en afvoer. Gelet op het vorenstaande moet het er naar het oordeel van het College voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling voor worden gehouden dat op de betreffende percelen van appellante in onvoldoende mate runderen hebben gegraasd. Dat verweerder de betreffende percelen in andere jaren wel subsidiabel heeft geacht doet hieraan niet af, nu verweerder de subsidiewaardigheid hiervan per toeslagjaar dient vast te stellen.

5.1

Appellante stelt dat verweerder haar ten onrechte pas op 30 juni 2012 heeft geïnformeerd dat hij voor 2012 het I&R-register als uitgangspunt kiest voor de controle van de begrazingsnorm en daarom geen inscharingsverklaring meer zal opvragen. Dit was te laat omdat het vee toen al was ingeschaard. Door de wijze van controleren aan te passen zonder dit vooraf aan appellante mede te delen heeft verweerder in strijd met de rechtszekerheid gehandeld. Verweerder heeft haar tot 2012 bedrijfstoeslag toegekend op basis van dezelfde gewascode en zij mocht erop vertrouwen dat de percelen ook in 2012 aan de GVE-eis voldeden.

5.2

Het College overweegt dat appellante van verweerder alsnog de mogelijkheid heeft gekregen om evenals in voorgaande jaren alternatief bewijs te leveren teneinde aan te tonen dat haar percelen aan de GVE-eis voldoen waarbij niet is uitgesloten dat een inscharingsverklaring over 2012 als bewijsmiddel kan dienen. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel geen sprake.

6. Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel slaagt naar het oordeel van het College niet. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. In dit geval volgt deze beperking uit de artikelen 34, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 in verbinding met artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 en artikel 21a van de Regeling, op grond waarvan de door appellante opgegeven percelen slechts in aanmerking kunnen komen voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag, indien verweerder heeft geconstateerd dat deze door gemiddeld minimaal
0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen.

7.
Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en
mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld