Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:383

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
14/72
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

toepassing uov

geen zienswijze

ACM voldoende heeft ingespannen op de hoogte brengen ter inzagelegging

Wetsverwijzingen
Gaswet, geldigheid: 2015-12-03
Algemene wet bestuursrecht 6:13, geldigheid: 2015-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/20
mr. I. Brinkman en mr. L. Baljon annotatie in NTE 2016/19, UDH:NTE/13237

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 14/72

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2015 in de zaak tussen

EconGas GmbH, te Wenen, Oostenrijk, appellante

(gemachtigden: mr. C.H.A. van der Weijden en mr. ing. L.J. Wildeboer),

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigde: mr. W.R. de Vreeze).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging Gasopslag Nederland (VGN) te 's-Gravenhage

(gemachtigde: mr. M. Winters).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 heeft ACM de tariefstructuren als bedoeld in artikel 12a van de Gaswet en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12b van de Gaswet vastgesteld (Tariefstructurenbesluit).

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. De behandeling is beperkt tot de vraag of het beroep van appellante ontvankelijk is.

Voor appellante en ACM zijn genoemde gemachtigden verschenen. VGN is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

Overwegingen

1. In geschil is of appellante als belanghebbende bij het Tariefstructurenbesluit kan worden aangemerkt, alsmede of haar redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend tegen het ontwerp van het Tariefstructurenbesluit (hierna: ontwerpbesluit). Het College zal om proceseconomische redenen eerst ingaan op het tweede geschilpunt.

2.1

Artikel 6:13 Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht (…)."

2.2

Het Tariefstructurenbesluit is een besluit tot wijziging van de tariefstructuren en de tariefvoorwaarden op grond van artikel 12a en 12b van de Gaswet, genomen door ACM op voorstel van de gezamenlijke netbeheerders. Het betreft de introductie van een nieuwe gastransportdienst voor gasopslagen en daaraan gekoppelde tariefstructuren.

2.3

ACM heeft bij brief van 11 juni 2013, waarbij zij de ontvangst van het voorstel tot wijziging van de tariefstructuren heeft bevestigd aan de gezamenlijke netbeheerders, de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, beschreven in Afdeling 3.4 van de Awb, van toepassing verklaard. Voorts heeft ACM op 18 september 2013 in de Staatscourant kennis gegeven van de toepasselijkheid van de uniforme voorbereidingsprocedure op het Tariefstructurenbesluit. Eveneens heeft ACM op 18 september 2013 in de Staatscourant en op haar website kennisgegeven van de ter inzage legging van het ontwerpbesluit. Het ontwerpbesluit is op de website van ACM gepubliceerd. ACM heeft er verder op gewezen dat belanghebbenden in beroep kunnen gaan tegen het besluit indien zij een zienswijze hebben ingediend op het ontwerpbesluit.

2.4

ACM heeft het College verzocht appellante niet-ontvankelijk te verklaren omdat zij geen zienswijze heeft ingediend op het ontwerpbesluit.

2.5

Het College overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of appellante redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, bepalend is of ACM zich - gelet op het doel van de bepaling en de omstandigheden van het geval - voldoende heeft ingespannen om belanghebbenden te bereiken.

2.6

Blijkens de toelichting heeft de wetgever met artikel 6:13 Awb beoogd een efficiënte en tijdige geschilbeslechting te dienen. De bepaling geeft uitdrukking aan de basisgedachte van het bestuursrecht dat de toegang tot de rechter slechts openstaat voor diegene die gebruik heeft gemaakt van een in de Awb gewaarborgde mogelijkheid om zijn bedenkingen aan het bestuur voor te leggen. Zo wordt voorkomen dat betrokkenen pas in een latere procedurele fase met hun bezwaren komen. Er is ruimte voor uitzonderingen. Uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters blijkt dat niet snel wordt aangenomen dat een partij niet verwijtbaar een mogelijkheid om zijn bedenkingen in een procedure aan de bevoegde instantie voor te leggen, ongebruikt voorbij heeft laten gaan.

2.7

Appellante is een te Oostenrijk gevestigd bedrijf dat sinds 2007 een LNG-importterminal op de Maasvlakte heeft. In het kader van haar dienstverlening – de doorvoer van gas naar het buitenland – is appellante langjarige contracten aangegaan met de GATE LNG terminal en Gasunie Transport Services B.V. (GTS). Appellante is geregistreerd als door GTS erkende shipper en onderhoudt op regelmatige basis contact met ACM. Appellante meent dat ACM niet op geschikte en adequate wijze kennis heeft gegeven van de terinzagelegging van het besluit omdat verweerder die kennisgeving alleen langs elektronische weg en in Nederland heeft gedaan.

2.8

Het College is van oordeel dat ACM zich met de publicaties in de Staatscourant en op haar website, mede gezien de omstandigheid dat het besluit met name professionele betrokkenen in de gastransportmarkt aangaat, voldoende heeft ingespannen om belanghebbenden op de hoogte te brengen van de terinzagelegging. Een individuele melding dan wel een publicatie in een buitenlandse of vak periodiek, zoals appellante voorstaat, kan in dit geval, gezien de ruime kring van betrokkenen en de aanwezigheid van appellante op de Nederlandse gasmarkt niet van ACM worden geëist. Van appellante mag, gezien haar positie op de Nederlandse gasmarkt en haar bekendheid met de rol en positie van ACM op die markt verwacht worden dat zij zich op de hoogte stelt dan wel laat stellen van voor haar op de Nederlandse gasmarkt relevante ontwikkelingen in beleid en wet- en regelgeving. Het Tariefstructurenbesluit dat van invloed is op de voorwaarden waaronder appellante haar activiteiten in Nederland uitvoert, behoort daar toe. De omstandigheid dat appellante in het verleden meermaals door ACM per e-mail op de hoogte werd gesteld van voor haar relevante ontwikkelingen, laat onverlet dat de verantwoordelijkheid om geïnformeerd te zijn bij appellante berust. Overigens biedt ACM de gelegenheid om geattendeerd te worden op relevante ontwikkelingen in de vorm van een e-mailservice waarop partijen zich kunnen abonneren.

De stelling van appellante dat ACM op grond van artikel 3:12, eerste lid in samenhang met artikel 2: 14, tweede lid van de Awb gehouden was van het ontwerpbesluit tevens in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte, niet elektronische wijze kennis te geven, kan, naar het oordeel van het College haar niet baten. Appellante heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat zij in geval van publicatie langs een andere dan elektronische weg in een andere positie was komen te verkeren. In het midden kan blijven of ACM gehouden was op een andere wijze, naast website en Staatscourant, in het licht van artikel 3:12, tweede lid, Awb, kennis te geven.

Het College oordeelt op grond van het vorenstaande dat het niet inbrengen van een zienswijze appellante redelijkerwijs kan worden verweten. Van een later ontstaan belang in verband met een (substantiële) wijziging van het besluit na verwerking van door andere betrokkenen ingebrachte zienswijzen is niet gebleken, zodat ook daarin geen grondslag gevonden kan worden om appellante toegang tot de bestuursrechter te verlenen. Het beroep van appellante moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. J.A.M. van den Berk en mr. C.M. Wolters, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2015.

w.g. M. van Duuren w.g. P.M. Beishuizen