Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:378

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
14/208
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verordening (EU) nr. 817/2010 (Welzijnsverordening)

Verordening (EU) nr. 1/2005 (Transportverordening)

terugvordering restituties; artikel 5, vierde lid, Transportverordening; artikel 6, negende lid, Transportverordening

reechtstreeks verband met dierenwelzijn; evenredigingheidbeginsel; verplichting tot bewaring GPS-gegevens; unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/208

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2015 in de zaak tussen

Vion Livestock B.V., te Boxtel, appellante

(gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder (destijds: het Productschap Vee en Vlees) de aan appellante betaalde restitutie van € 4.687,90 teruggevorderd met een verhoging van 10 procent. Tevens is een sanctie opgelegd van 50 procent (€ 2.343,95) en is een bedrag van € 477,10 aan wettelijke rente gevorderd.

Bij besluit van 3 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft de verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen van appellante tegen besluiten van verweerder, geregistreerd onder nummers 14/483, 14/484 en 14/485. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Namens appellante is tevens verschenen de heer [naam 1] . Na de zitting heeft het College de behandeling van de zaken gesplitst en bepaald dat in deze zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 20 mei 2010 heeft appellante 33 levende runderen ten uitvoer aangegeven met bestemming Rusland. Verweerder heeft appellante daarvoor uitvoerrestitutie betaald.

1.2

[naam 2] B.V. ( [naam 2] ) heeft het transport van de dieren verzorgd. De dieren zijn op 20 mei 2010 per vrachtwagen van Woerden naar Travemünde (Duitsland) vervoerd. Op 21 mei 2010 zijn de dieren per veerboot van Travemünde naar Helsinki (Finland) vervoerd. Op 22 mei 2010 zijn de dieren per vrachtwagen vanuit Helsinki vertrokken naar Orel (Rusland).

1.3

Op 19 maart 2012 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de administratie van appellante gecontroleerd in het kader van Verordening (EG) nr. 485/2008 van de Raad van 26 mei 2008 inzake de door de lidstaten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van het Europees Landbouwgarantiefonds (Verordening 485/2008). De controle is uitgevoerd om vast te stellen of de verrichtingen waarvoor restituties zijn ontvangen, hebben plaatsgevonden en of aan de voorschriften voor het verkrijgen van de restituties is voldaan. Van die controle is op
28 juni 2012 een controleverslag opgemaakt. In dat verslag staat over het transport naar Rusland dat vanaf Helsinki wordt gereisd naar Mozhaisky, via Valdai, dat de reis van Helsinki naar Valdai 13,5 uur duurt, dat in Valdai 12 uur wordt gerust, dat vervolgens wordt gereisd naar Mozhaisky met een reistijd van 9,5 uur, dat in Mozhaisky 24 uur en 20 minuten wordt gerust, dat niet bekend is of de dieren op beide plaatsen uitgeladen zijn en dat een tegencontrole zal worden ingesteld bij [naam 2] .

1.4

Op 8 november 2012 heeft de NVWA bij [naam 2] een tegencontrole uitgevoerd als bedoeld in Verordening 485/2008. Van die tegencontrole is op 5 december 2012 een verslag opgemaakt (verslagnummer 376/12/0084). In dat verslag staat, voor zover hier van belang, dat van Helsinki tot aan Orel (Rusland) geen ritregistratie aanwezig is, dat het GPS-systeem werkt tot aan de grens van de Europese Unie, dat er geen tachograafschijf aanwezig is, dat [naam 2] deze na een jaar heeft vernietigd, dat de reis van Helsinki naar Rusland bij [naam 2] niet anders controleerbaar is dan aan de hand van de verklaring van appellante, dat dit verder is verzorgd door Rusland, en dat er geen tachograafgegevens voorhanden zijn.

1.5

De bevindingen van de controleresultaten zijn vervolgens vastgelegd in het Bedrijfscontrolerapport van de NVWA van 13 juni 2013. Opgemerkt wordt dat vanwege het ontbreken van een tachograafschijf of GPS-registratie de juistheid van het reisjournaal vanaf de grens van de Europese Unie niet controleerbaar is en dat hierdoor naleving van de voorschriften met betrekking tot het dierenwelzijn niet kan worden vastgesteld. Om die reden wordt geadviseerd het restitutiebedrag terug te vorderen.

2.1

Verweerder heeft in het primaire besluit, onder verwijzing naar dit Bedrijfscontrolerapport van de NVWA, vastgesteld dat niet kan worden geverifieerd of de voorgeschreven reis- en rusttijden door de vervoerder in acht zijn genomen omdat de vervoerder de tachograafschijven of GPS-registratie niet heeft kunnen overleggen, zodat de vervoerder, en daarmee appellante als exporteur, niet heeft aangetoond dat de welzijnsregels zijn nageleefd. Om die reden heeft verweerder moeten concluderen dat de welzijnsregels op het punt van reis-, rust- en voedertijden, zoals genoemd in Verordening (EG) Nr. 1/2005 van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (de Transportverordening) niet zijn nageleefd en de betaalde restitutie teruggevorderd.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder uiteengezet dat – kort gezegd – de restitutie is teruggevorderd op grond van artikel 7 in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer (de Welzijnsverordening), omdat de voorschriften in (bij artikel 5, vierde lid, behorende) bijlage II, punt 8 van de Transportverordening (dat de vervoerder van de dieren de voor het transport gebruikte tachograafschijf drie jaar moet bewaren) en in artikel 6, negende lid, van de Transportverordening (dat de vervoerder de via het navigatiesysteem van de gebruikte vrachtwagen verkregen gegevens – GPS-gegevens – drie jaar moet bewaren en op verzoek ter beschikking moet stellen aan de bevoegde autoriteit) niet in acht zijn genomen. Omdat ten tijde van de onderhavige aangifte ten uitvoer van 20 mei 2010 de Welzijnsverordening nog niet gold maar diens voorganger Verordening (EG) nr. 639/2003 van de Commissie van 9 april 2003 tot vaststelling, op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer (Verordening 639/2003), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 498/2009 van de Commissie van 12 juni 2009 (Verordening 498/2009), die inwerking is getreden op 20 juni 2009, heeft verweerder zich onder verwijzing naar de punten 3 en 4 van de considerans van laatstgenoemde verordening op het standpunt gesteld dat voormelde bepalingen van de Transportverordening rechtstreeks in verband staan met de doelstelling dieren te beschermen en dat het voor appellante ten tijde van de aangifte ten uitvoer duidelijk en voorzienbaar was dat de betaling van de restitutie mede afhankelijk is van het voldoen aan de bewaarplicht van artikel 6, negende lid, en bijlage II, punt 8, van de Transportverordening door haar vervoerder. Ten aanzien van de door appellante in bezwaar betrokken stelling dat artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening onverbindend is wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, merkt verweerder op dat deze stelling niet kan slagen, omdat de uniewetgever over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wanneer het de gemeenschappelijke marktordening betreft, waaronder de toekenning van uitvoerrestituties valt, en dat blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) (zie de arresten van 20 mei 2010 in de zaak Agrana Zucker, C-365/08, ECLI:EU:C:2010:283, en 7 september 2006 in de zaak Spanje/Raad, C‑310/04, ECLI:EU:C:2006:521, en 12 juli 2001 in de zaak Jippes, C-189/01, ECLI:EU:C:2001:420) een op dit terrein vastgestelde maatregel slechts onwettig kan zijn wanneer die maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel. Die situatie doet zich hier volgens verweerder niet voor omdat het doel van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening is te voorkomen dat uitvoerrestitutie wordt betaald in strijd met een aantal bepalingen van de Transportverordening, waaronder artikel 6, negende lid, en (bij artikel 5, vierde lid, behorende) bijlage II, punt 8.

3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te beoordelen of de ernst van de overtreding (gelet op de mogelijke consequenties daarvan voor het dierenwelzijn) in dit geval het terugvorderen van de betaalde restitutie rechtvaardigt. Volgens appellante had verweerder om drie redenen op grond van het evenredigheidsbeginsel moeten afzien van het terugvorderen van deze restitutie. In de eerste plaats was het dierenwelzijn niet in geding, wat blijkt uit het feit dat alle dieren gezond en in goede conditie zijn aangekomen. In de tweede plaats wijst appellante erop dat volgens een eerdere stellingname van verweerder in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 3 februari 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BH2967) tachograafschijven (en GPS-gegevens) niet kunnen bewijzen dat aan de reis- en rusttijden was voldaan. Appellante stelt dat indien de bewijskracht van deze gegevens kennelijk nihil is, het ontbreken daarvan (ook al is dat in strijd met de huidige regelgeving) geen ernstige tekortkoming kan zijn en dus geen reden om de restitutie terug te vorderen. In de derde plaats wijst appellante erop dat de overtreding is begaan door de vervoerder en niet door appellante. Subsidiair meent appellante dat de Welzijnsverordening onverbindend is wegens strijd met het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel indien deze verordening verweerder geen ruimte laat om af te zien van het nemen van een sanctie op grond van het evenredigheidsbeginsel. In dat verband verwijst zij naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van het Hof van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handels GmbH en ZVK, C-37/06 en C- 58/06, ECLI:EU:C:2008:18, punt 46).

4. Het College stelt vast dat appellante niet betwist dat de tachograafschijven in strijd met het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van de Transportverordening, in samenhang bezien met bijlage II, onder 8, aanhef en onder b, van die verordening, en/of de GPS-gegevens in strijd met het bepaalde in artikel 6, negende lid, van de Transportverordening niet drie jaar door de vervoerder zijn bewaard. Evenmin is betwist, zo heeft appellante ter zitting desgevraagd bevestigd, dat voldoende kenbaar en voorzienbaar is geweest dat de betaling van restitutie (ook) afhankelijk is van naleving van de in deze bepalingen vervatte voorschriften. Het geschil spitst zich toe op beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet in acht nemen van deze voorschriften door de vervoerder van appellante leidt tot (verhoogde) terugvordering van de voor de 33 naar Rusland vervoerde dieren betaalde restitutie. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 168 van Verordening (EG) Nr. 1234/2007 van de Raad van

22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (“Integrale-GMO-verordening”) wordt met betrekking tot de producten van de sector rundvlees de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

4.2

Ten tijde van het onderhavig transport was van kracht artikel 1 van Verordening (EG) nr. 639/2003, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 498/2009. Ingevolge de eerste alinea van deze bepaling wordt op grond van artikel 168 van de Integrale-GMO-verordening de betaling van de restitutie bij uitvoer van levende runderen afhankelijk gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede de daarin vermelde bijlagen, en van de onderhavige verordening. Rechtspraak van het Hof was de aanleiding voor deze wijziging. De considerans van (de wijzigings)Verordening 498/2009 vermeldt hierover het volgende:

“(2) Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 januari 2008 in de gevoegde zaken C-37/06 en C-58/06 en van 13 maart 2008 in zaak C-96/06 moet het verband worden verduidelijkt tussen Verordening (EG) nr. 639/2003 en Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.

(3) Er moet duidelijk worden aangegeven welke voorschriften inzake dierenwelzijn van Verordening (EG) nr. 1/2005 die, bij overtreding ervan, aanleiding geven tot het verlies van de betrokken restitutie, de marktdeelnemers in acht moeten nemen. In dat verband hebben de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin vermelde bijlagen, tot doel op de marktdeelnemers gerichte bepalingen die rechtstreeks in verband staan met de doelstelling de dieren te beschermen, te specificeren, terwijl andere bepalingen van die verordening veeleer betrekking hebben op administratieve voorschriften.

(4) Krachtens artikel 168 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en krachtens Verordening (EG) nr. 639/2003 mogen de uitvoerrestituties slechts worden betaald wanneer is voldaan aan de voorschriften op het gebied van dierenwelzijn. Daarom moet duidelijk worden aangegeven dat, onverminderd in door het Hof van Justitie erkende gevallen van overmacht, een inbreuk op deze bepalingen inzake dierenwelzijn niet tot een verlaging, maar tot het verlies van de uitvoerrestitutie leidt, in evenredigheid met het aantal dieren waarvoor de dierenwelzijnseisen niet in acht werden genomen. Uit deze bepalingen en uit de voorschriften inzake dierenwelzijn die zijn vastgesteld in de artikelen 2 en 3 en de artikelen 4 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin vermelde bijlagen, vloeit bovendien voort dat de restitutie voor dieren waarvoor deze dierenwelzijnsvoorschriften niet zijn nageleefd, wordt verbeurd, ongeacht de fysieke toestand van de betrokken dieren.”

4.3

Artikel 1 van de op 7 oktober 2010 in werking getreden Welzijnsverordening bevat een nagenoeg gelijkluidende tekst met dien verstande dat hierin wordt verwezen naar artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede de daarin genoemde bijlagen. Punt 7 van de considerans van de Welzijnsverordening vermeldt hierover het volgende:

“(7) Krachtens artikel 168 van de Verordening (EG) nr. 1234/2007 en krachtens deze verordening mogen de uitvoerrestituties slechts worden betaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Unie op het gebied van dierenwelzijn. Daarom moet duidelijk worden aangegeven dat, onverminderd in door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende gevallen van overmacht, een inbreuk op die bepalingen inzake dierenwelzijn niet tot een verlaging, maar tot het verlies van de uitvoerrestitutie leidt, in evenredigheid met het aantal dieren waarvoor de dierenwelzijnseisen niet in acht werden genomen. Uit de bepalingen en uit de voorschriften inzake dierenwelzijn die zijn vastgesteld in de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin genoemde bijlagen, vloeit bovendien voort dat de restitutie voor dieren waarvoor deze dierenwelzijnsvoorschriften niet zijn nageleefd, wordt verbeurd, ongeacht de fysieke toestand van de betrokken dieren.”

4.4

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Transportverordening moeten – kort gezegd – voor lange transporten van runderen tussen de lidstaten en met derde landen de vervoerders en organisatoren voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften inzake het journaal.

Bijlage II, punt 8 – voor zover relevant – vermeldt:

“8. De vervoerder die vermeld wordt in afdeling 3 van het journaal dient:

b) het desbetreffende registratieblad of de desbetreffende bestuurderskaart als bedoeld in bijlage I of bijlage I B van Verordening (EEG) nr. 3821/85 te bewaren, indien het voertuig onder die verordening valt.

De onder (…) b) bedoelde documenten (…) moeten door de vervoerder tot ten minste drie jaar na de controledatum worden bewaard.”

Ingevolge artikel 6, negende lid, van de Transportverordening – voor zover relevant – maken vervoerders van lange wegtransporten van runderen met ingang van 1 januari 2009 gebruik van een navigatiesysteem als bedoeld in Bijlage I, hoofdstuk VI, punt 4.2. Zij bewaren de via zulke navigatiesystemen verkregen gegevens ten minste 3 jaar en stellen ze op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit. In de considerans van de Transportverordening staat onder meer het volgende.

“(15) De omstandigheden voor het welzijn van dieren tijdens het vervoer zijn voornamelijk afhankelijk van de wijze waarop de vervoerders te werk gaan. Controles door de bevoegde autoriteiten kunnen worden bemoeilijkt doordat de vervoerders vrij in de verschillende lidstaten kunnen opereren. Daarom moeten vervoersondernemingen in sterkere mate ter verantwoording worden geroepen en op transparantere wijze opereren ten aanzien van hun status en hun verrichtingen. Zij moeten met name kunnen aantonen dat zij in het bezit zijn van een vergunning, stelselmatig melding maken van eventuele problemen, en zorgvuldig aantekening houden van hun verrichtingen en van de gevolgen daarvan.

(19) Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer voorziet in maximumrijtijden en minimumrusttijden voor beroepschauffeurs. Het transport van dieren zou op soortgelijke wijze moeten worden gereglementeerd. Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer bepaalt dat het controleapparaat geïnstalleerd moet zijn en gebruikt moet worden om daadwerkelijk te kunnen controleren of de hand wordt gehouden aan de sociale wetgeving inzake het wegvervoer. De door deze apparaten geregistreerde gegevens moeten beschikbaar worden gesteld en worden gecontroleerd opdat de maximale transporttijden uit hoofde van de wetgeving inzake dierenwelzijn in acht worden genomen.”

4.5

Het College is op grond van de tekst van de hiervoor weergegeven regelgeving en de daarbij behorende considerans van oordeel dat de voorschriften vervat in (bij artikel 5, vierde lid, behorende) bijlage II, punt 8 van de Transportverordening en artikel 6, negende lid, van de Transportverordening rechtstreeks verband houden met het dierenwelzijn. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt strekken deze voorschriften ertoe de bevoegde autoriteit in staat te stellen achteraf te controleren of de vervoerder de regels op het punt van reis-, rust- en voedertijden uit hoofde van dierenwelzijn in acht heeft genomen. Het betoog van appellante dat door overtreding van deze voorschriften het dierenwelzijn niet in het geding is, slaagt daarom niet.

4.6

Het College is voorts van oordeel dat de niet-naleving van de betreffende voorschriften het welzijn van alle vervoerde dieren betrof zodat er voor verweerder vanuit het oogpunt van evenredigheid geen aanleiding bestond om de betaalde restitutie slechts ten dele terug te vorderen. Dat de dieren in goede conditie zijn aangekomen leidt niet tot een ander oordeel omdat verweerder, als de niet-naleving van de voorschriften het welzijn van alle vervoerde dieren betreft, niet hoeft aan te tonen dat er sprake is van concrete schade voor de dieren tijdens het vervoer (vergelijk het arrest van het Hof van 30 juni 2011, Viamex Agrar Handels GmbH, C-485/09, ECLI:EU:C:2011:440, punt 39, alsook de uitspraak van het College van 21 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:263).

4.7

Dat verweerder zich in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het College van 3 februari 2009 blijkens die uitspraak op het standpunt heeft gesteld dat indien tachograafschijven beschikbaar waren deze niet zouden zijn gebruikt omdat uit het reisschema (journaal) de tijdstippen en plaatsen moeten blijken waarop de vervoerde dieren tijdens de reis gevoederd en gedrenkt zijn, biedt naar het oordeel van het College, anders dan appellante heeft aangevoerd, geen grond voor de opvatting dat hieraan in het kader van de controle op regels van dierenwelzijn geen bewijskracht toekomt. In dat verband wijst het College op punt 19 van de considerans bij de Transportverordening. Voormelde zaak had betrekking op een transport in 2003; de Transportverordening met de verplichting de tachograafschijven en de GPS-gegevens drie jaar te bewaren, was destijds nog niet van kracht. Verweerder merkt in het verweerschrift dan ook terecht op dat verwijzing naar die zaak reeds daarom geen doel treft. Ook dit argument van appellante slaagt daarom niet.

4.8

Het College overweegt tot slot dat het betoog van appellante dat terugvordering van de restitutie in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat niet zij, maar de vervoerder, de betreffende voorschriften niet heeft nageleefd, evenmin doel treft. De uniewetgever heeft de betaling van restitutie bij uitvoer van dieren immers afhankelijk gesteld van de naleving van voorschriften inzake het welzijn van dieren en uit de van toepassing zijnde verordeningen volgt dat de restitutie wordt teruggevorderd bij degene aan wie de restitutie is betaald – de exporteur – indien daaraan niet is voldaan. Als exporteur is appellante vrij bij de keuze van haar medecontractanten en dient zij de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen, bijvoorbeeld door in de betrokken overeenkomst clausules ter zake op te nemen of door een bijzondere verzekering aan te gaan (zie het arrest van het Hof van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C‑210/00, ECLI:EU:C:2002:440, punt 80).

4.9

Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel door de betaalde restitutie voor de 33 vervoerde dieren (verhoogd) terug te vorderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10

Met betrekking tot het door appellante subsidiair ingenomen standpunt dat de Welzijnsverordening onverbindend is wegens strijd met het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel, volstaat het College met verwijzing naar hetgeen verweerder daarover heeft overwogen in het bestreden besluit (zie onder 2.2. van deze uitspraak) en naar de daarin vermelde arresten van het Hof. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd leidt het College niet tot een ander oordeel. Daarbij hecht het College eraan op te merken dat uit het hiervoor aangehaalde punt 7 van de considerans van de Welzijnsverordening (zie onder 4.3 van deze uitspraak) blijkt dat deze verordening de bevoegde autoriteit ruimte laat om, indien het niet nageleefde voorschrift betrekking heeft op een deel van de dieren, de sanctie vast te stellen in evenredigheid met het aantal dieren waarvoor de dierenwelzijnseisen niet in acht zijn genomen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, mr. A. Venekamp en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.

w.g. J. Schukking w.g. G.J.P. Leuverink