Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:372

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
30-11-2015
Zaaknummer
15/670
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang wegens overtreding Wet Dieren (onthouden nodige verzorging), begunstigingstermijn, betaling geschatte kosten van verweerder als voorwaarde voor teruggave meegevoerde dieren.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/670

11351

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. F. Bakker),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-Van den Bosch).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2015 (het besluit) heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren. Daarbij heeft verweerder aan verzoekster maatregelen opgelegd.

Verzoekster heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2015.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 2] , toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID).

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. Op 9 juli 2015 heeft [naam 2] samen met een agent van de (dieren)politie de gezondheid en het welzijn onderzocht van drie paarden, twee fretten, acht katten, elf honden (waarvan negen pups) en één konijn, die, met uitzondering van één paard, eigendom zijn van verzoekster.
De toezichthouder heeft van deze controle een rapport opgemaakt, gedateerd 27 juli 2015.
Uit dit rapport blijkt dat de toezichthouder op 9 juli 2015 in de woning van verzoekster magere katten aantrof die geen drinkwater hadden en erg hongerig waren. Ook de honden en fretten waren erg hongerig; voor deze dieren was geen voer in de woning aanwezig. Verder was de leefomgeving van de dieren vervuild met ontlasting en urine en hadden enkele dieren ernstige jeuk. Voor de negen pups was geen geschikte nestruimte aanwezig. De paarden van verzoekster, die waren ondergebracht in [plaats 2] (twee) en [plaats 3] (één), werden bij het ontbreken van voldoende zorg van verzoekster spontaan verzorgd door derden.

In de last onder bestuursdwang van 10 juli 2015 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij de controle is vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de honden, katten, fretten, paarden is aangetast en sprake is van overtredingen van de Wet dieren. Verweerder heeft verzoekster opgedragen de volgende maatregelen te nemen:
1. Zorg dat uw dieren over een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.

2. Zorg dat uw dieren over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer kunnen beschikken, zodat uw dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan. Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.

3. Zorg dat u het behandelplan, welke door een dierenarts is opgesteld voor uw paarden, uitvoert.

4. Zorg dat uw dieren worden verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden.

5. Zorg dat uw dieren altijd over een schone en droge ligplek kunnen beschikken.

6. Zorg voor schone en zindelijke kattenbakken. Verwijder hiertoe onder andere dagelijks de aanwezige ontlasting.

7. Zorg dat uw dieren worden behandeld tegen vlooien en worden ontwormd.

8. Zorg dat uw woning, waarin u uw dieren houdt, vrij is van vlooien zodat uw dieren niet opnieuw besmet worden. Hiertoe dient u uw woning te ontsmetten met een vlooienbestrijdingsmiddel (omgevingsspray).

9. Zorg dat de nagels van uw dieren, zoals uw fretten, tijdig en op de juiste wijze worden verzorgd. Indien nodig kunt u hiervoor een professional inschakelen.

10. Zorg er voor dat uw konijn bescherming heeft tegen nadelige weersinvloeden, zoals zon, hitte, vocht en kou.

11. Zorg dat u de nodige verzorging geeft aan uw paarden. Zorg hiertoe onder andere voor een andere geschikte huisvesting voor uw paarden.
Verweerder heeft verzoekster opgedragen de maatregelen 1, 2 en 3 per direct te nemen, de maatregelen 3 tot en met 10 vóór 15 juli 2015 te nemen en maatregel 11 vóór 22 juli 2015 te nemen.

Op 16 en 23 juli 2015 heeft de toezichthouder van de LID een hercontrole uitgevoerd in de woning van verzoekster in [plaats 1] . Op 23 juli 2015 werd de toezichthouder daarbij vergezeld door [naam 3] , dierenarts te [plaats 4] . De toezichthouder heeft van deze hercontroles een rapport opgemaakt, gedateerd 6 augustus 2015. Volgens dit rapport heeft verzoekster getracht de leefomstandigheden van haar dieren te verbeteren, maar is haar dat onvoldoende gelukt. De aan verzoekster opgedragen maatregelen zijn niet geheel en naar behoren uitgevoerd. Op 23 juli 2015 heeft verweerder de honden, katten, fretten en paarden meegevoerd en in bewaring genomen.

Bij brief van 14 augustus 2015 heeft verweerder verzoekster bericht voornemens te zijn de dieren zodra hun gezondheidstoestand voldoende is over te dragen aan derden. Daarbij is aan verzoekster medegedeeld dat – als de gezondheidstoestand van de dieren voldoende is hersteld – de elf honden, acht katten en twee paarden die verzoekster terug wil hebben aan haar kunnen worden overgedragen als zij de geschatte kosten van € 4.699,35 betaalt, de huisvestingsituatie herstelt en de locatie doorgeeft waar zij de dieren (tijdelijk) gaat huisvesten.

Op 21 augustus 2015 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat de vrijgave van de dieren is opgeschort in afwachting van de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.

3. Verzoekster stelt dat de dieren ten onrechte zijn meegevoerd en heeft verzocht verweerder bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen de elf honden, acht katten en twee paarden aan haar terug te geven.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de kosten van opvang van de dieren per dag stijgen. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 20 december 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BZ4113).

5.
Verzoekster voert aan dat verweerder haar ten onrechte een last onder bestuursdwang heeft opgelegd.

5.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Ingevolge artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren is het houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de bevindingen van de toezichthouder op 9 juli 2015, zoals neergelegd in het rapport van 27 juli 2015, en de daarbij gevoegde foto’s, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Verzoekster heeft deze bevindingen ook niet bestreden. Verweerder was dus bevoegd om handhavend op te treden en verzoekster een last onder bestuursdwang op te leggen, en heeft op goede gronden van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

6. Verzoekster voert tevens aan dat de door verweerder geboden begunstigingstermijn te kort was om alle maatregelen – tijdig – te kunnen uitvoeren, en verweerder ten onrechte alle dieren heeft meegevoerd. Verzoekster voert aan dat zij vanwege een ophanden zijnde echtscheiding gedurende een maand niet in (de omgeving van) de woning in [plaats 1] kon komen en daardoor ook niet in staat was de dieren te verzorgen. Haar echtgenoot woonde wel in de woning en heeft verzuimd voor de dieren te zorgen. Nadat haar echtgenoot de woning had verlaten kon zij weer voor de dieren zorgen, maar het duurt dan enige tijd voordat de dieren weer volledig verzorgd en op gewicht zijn.

6.1

Verzoekster heeft verklaard dat zij op 9 juli 2015, de datum van het eerste bezoek van de toezichthouder, sinds ongeveer tien dagen zelf in de woning was en haar partner elders verbleef. Bij de hercontrole op 23 juli 2015 had verzoekster dus al ruim drie weken zelf voor de dieren gezorgd. Daarbij heeft zij een termijn van twee weken gehad om de in de last aan haar opgedragen maatregelen uit te voeren. De aan verzoekster opgedragen maatregelen zien niet, althans niet direct, op het bereiken van het eindresultaat van het volledig verzorgd en op gewicht zijn van de dieren maar zien op het bieden van de nodige verzorging aan de dieren. De maatregelen hebben vooral betrekking op het aanbieden van schoon drinkwater en geschikt voer en het zorgen voor een schone, hygiënische leefomgeving. Zoals verweerder terecht stelt is geen sprake van tijdrovende of moeilijk uitvoerbare maatregelen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat, ook als in aanmerking wordt genomen dat verzoekster was verwikkeld in een echtscheiding, een begunstigingstermijn van twee weken voldoende was om deze maatregelen uit te voeren.

6.2

Uit de bevindingen van de toezichthouder op 16 en 23 juli 2015, zoals neergelegd in het rapport van 6 augustus 2015, de bij dat rapport gevoegde foto’s en de bijgevoegde dierenartsverklaringen, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter afdoende dat verzoekster de opgedragen maatregelen niet, althans niet naar behoren, heeft uitgevoerd en dat sprake was van het onthouden van de nodige verzorging.
De toezichthouder heeft ter zitting verklaard dat zij met verzoekster heeft overlegd over een compromis waarbij verzoekster van een aantal dieren afstand zou doen, maar dat verzoekster alle dieren wilde houden. Verzoekster heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder deze omstandigheden terecht besloten alle dieren mee te voeren en in bewaring te nemen teneinde te bewerkstelligen dat de dieren de nodige verzorging zouden krijgen.

7. Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat verweerder ten onrechte de kosten van de bestuursdwangtoepassing bij haar in plaats van bij haar echtgenoot in rekening brengt en – voor zover de kosten toch bij haar in rekening mogen worden gebracht – ten onrechte weigert een betalingsregeling met haar te treffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende

7.1

Gelet op de geconstateerde overtredingen van de Wet dieren en in aanmerking nemende hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, heeft verweerder in de last onder bestuursdwang van 10 juli 2015 verzoekster terecht als overtreder aangemerkt. Verweerder heeft in de last onder bestuursdwang tevens aan verzoekster medegedeeld dat, overeenkomstig artikel 5:25, tweede lid, van de Awb, de kosten van de eventuele toepassing van bestuursdwang voor haar rekening komen. Verweerder heeft echter nog geen besluit genomen omtrent de hoogte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, zoals bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb.

7.2

In de brief van 14 augustus 2015 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat één van de voorwaarden voor teruggave van de dieren is dat zij de geschatte kosten van de opvang tot dat moment – een bedrag van € 4.699,35 – aan verweerder betaald.
Op grond van artikel 5:29, vierde lid, van de Awb kan verweerder de teruggave van de dieren opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 van de Awb verschuldigde kosten zijn voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt het voor de toepassing van deze bevoegdheid geen verschil of daarbij wordt uitgegaan van geschatte kosten of van kosten zoals vastgesteld in een besluit als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb. Verweerder mocht dus betaling van deze kosten als voorwaarde stellen voor teruggave van de dieren aan verzoekster.

7.3

Het al dan niet treffen van een betalingsregeling betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij bereid was geweest de mogelijkheid van betalingsregeling te bespreken als in het begin duidelijk was geweest dat en waar de dieren tijdelijk zouden worden gehuisvest. Verweerder heeft daarover geen concrete informatie ontvangen en ziet thans geen aanleiding de mogelijkheid van betalingsregeling te bespreken. De voorzieningenrechter acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de andere voorwaarden uit de brief van 14 augustus 2015 is voldaan. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting medegedeeld dat verzoekster binnenkort over andere woonruimte beschikt maar daar geen dieren kan houden. Niet duidelijk is op welke locatie(s) de dieren dan zouden worden gehuisvest, of daar sprake is van een geschikte huisvestingsituatie en of sprake is van meer dan een tijdelijke oplossing.

8. De voorzieningenrechter is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M.A. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2015.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. M.A. Voskamp