Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:358

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
15/803
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen bestuurlijk rechtsoordeel gegeven over de Achmea Zilveren Kruis zorg basisverzekering (modelpolis). Zilveren Kruis Achmea heeft in de modelpolis als voorwaarde opgenomen dat hoortoestellen, oorstukjes en tinnitusmaskeerders tegen oorsuizen in bruikleen worden verstrekt en dat verzekerden daarvoor een eigen bijdrage van 25% betalen. Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is dit geen verzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet, omdat de polis niet zou voldoen aan de wettelijke bepalingen omdat voor bruikleen geen eigen bijdrage gevraagd zou mogen worden. De voorzieningenrechter overweegt dat in de bepalingen 11, derde lid, Zvw, artikel 2.16c, onder c, van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.33, tweede lid van de Regeling zorgverzekering geen onderscheid wordt gemaakt tussen het verstrekken van hulpmiddelen in eigendom of bruikleen. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat ook op andere terreinen van zorg wordt aangenomen dat bij verstrekking van een voorziening in bruikleen een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn, zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over bruikleen in de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestuurlijk rechtsoordeel dat in geval van bruikleen de verzekerde geen wettelijke eigen bijdrage van 25% zou hoeven te betalen, omdat geen sprake is van aanschafkosten, niet in overeenstemming is met de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0467
RZA 2015/45
JB 2016/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/803

13950

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 november 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Zilveren Kruis Achmea N.V., te Leiden, verzoekster

(gemachtigden: mr. B. Megens, mr. T.R.M. van Helmond en mr. H.J. Breeman),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis en mr. M.A.M. Verduijn).

Procesverloop

Bij brief van 28 augustus 2015 heeft verweerster een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven over de Achmea Zilveren Kruis zorg basisverzekering (modelpolis).

Verzoekster heeft tegen dit bestuurlijk rechtsoordeel bezwaar gemaakt. Verweerster heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift aan het College doorgezonden.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestuurlijk rechtsoordeel, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. Verzoekster heeft in artikel 4.4.1 en 4.4.4 van het Reglement Hulpmiddelen 2016 vermeld dat hoortoestellen, oorstukjes en tinnitusmaskeerders tegen oorsuizen in bruikleen worden verstrekt en dat verzekerden voor deze hulpmiddelen een eigen bijdrage van 25% van het aanschafbedrag verschuldigd zijn. Verzoekster verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 2.33, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering zoals die regeling met ingang van 1 januari 2016 luidt.

Verweerster heeft op 28 augustus 2015 op verzoek van verzoekster een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven over de modelpolis van verzoekster voor het jaar 2016. Verweerster heeft als haar oordeel gegeven dat er in geval van bruikleen geen sprake is van aanschafkosten zodat de verzekerde ook geen wettelijke eigen bijdrage van 25% hoeft te betalen.

Verzoekster heeft als voorziening verzocht dat het oordeel van verweerster met betrekking tot artikel 4.4.1 en artikel 4.4.4 van het Reglement Hulpmiddelen wordt geschorst en dat bij wege van voorlopige voorziening bepaald wordt dat verzoekster mag handelen alsof zij beschikte over een rechtsoordeel van verweerster dat de modelpolis van verzoekster in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen, tot zes weken nadat het College op het beroep van verzoekster heeft beslist.

3. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen – laatstelijk in zijn uitspraak van 27 mei 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:75) - kan het geven van een als zelfstandig en definitief bedoeld rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van een wettelijke bepaling in de gegeven situatie ten aanzien waarvan een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft, in zeer bijzondere gevallen worden aangemerkt als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling, die bij de naar de materie bevoegde bestuursrechter kan worden aangevochten. Hiervoor bestaat slechts grond in gevallen waarin niet kan worden geoordeeld dat het rechtsoordeel vooruitloopt op een ten aanzien van betrokkene te verwachten of door hem uit te lokken besluit tot toepassing van de wettelijke regeling, waartegen in rechte kan worden opgekomen zonder dat sprake is van een voor betrokkene onevenredig belastende weg naar de rechter. Gelet op de door partijen genoemde gevolgen voor de vereveningsbijdragen zoals genoemd in artikel 32 Zorgverzekeringswet (Zvw) en voor mogelijke schadeclaims van verzekeringsplichtigen zoals bedoeld in artikel 27 Zvw indien verzoekster ten onrechte een verzekering als zorgverzekering aanbiedt, zal de voorzieningenrechter voorshands aannemen dat daarvan hier sprake is, zodat het hier aan de orde zijnde bestuurlijk rechtsoordeel in bezwaar en beroep kan worden aangevochten en ter zake dus ook een voorlopige voorziening getroffen kan worden.

4. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster moet vóór 19 november 2015 de polisvoorwaarden bekendmaken aan verzekerden. Verzoekster heeft er daarom belang bij om voor die tijd te weten of het oordeel van verweerster met betrekking tot de eigen bijdrage die verzoekster in het Reglement Hulpmiddelen heeft opgenomen voor hoortoestellen, oorstukjes en tinnitusmaskeerders die in bruikleen worden verstrekt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in rechte stand kan houden.

5. Verzoekster voert aan dat artikel 2.33 tweede lid, van de Regeling zorgverzekering bepaalt dat de eigen bijdrage voor hulpmiddelen ter correctie van stoornissen in de hoorfunctie of ernstig oorsuizen 25% van de aanschafkosten bedraagt. Volgens verzoekster is het uit de tekst van de Regeling zorgverzekering, de wetssystematiek en de bedoeling van de wetgever zeer duidelijk dat de wettelijke eigen bijdrage van 25% te allen tijde verplicht is, ongeacht of het toestel in eigendom of in bruikleen wordt verstrekt. Er is geen enkele juridische basis voor het oordeel dat de term aanschafkosten uitsluitend betrekking zou hebben op de aanschafkosten van een hoorhulpmiddel wanneer de verzekerde dat hoorhulpmiddel in eigendom verkrijgt of voor het oordeel dat de wetgever heeft bedoeld aanschafkosten gelijk te stellen met door de verzekerde te maken kosten voor het verkrijgen in eigendom. Verzoekster wijst erop dat de bruikleenconstructie onverlet laat dat elke verzekerde een nieuw hulpmiddel zal krijgen. Met andere zorgverzekeraars worden afspraken gemaakt over het overnemen van de voorzieningen indien de verzekerde van verzekeraar wisselt.

6. Verweerster stelt zich op het standpunt dat artikel 2.33 tweede lid, van de Regeling zorgverzekering alleen betrekking heeft op de situatie dat het hoortoestel door de verzekerde wordt aangeschaft en hij het hulpmiddel aldus in eigendom verwerft. Uit artikel 7A:1777 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat bruikleen per definitie een verstrekking om niet is. Ook in de "Standpunten 2015. Beoordeling modelovereenkomsten en reglementen" van verweerster wordt de overeenkomst van bruikleen als een overeenkomst om niet omschreven. Volgens verweerster verhoudt het verstrekken van een hulpmiddel in bruikleen zich dus niet met het vragen van een eigen bijdrage. Waar de zorgverzekeraar op grond van de Zvw, de keuze wordt gelaten een hulpmiddel aan de verzekerde in eigendom dan wel in bruikleen te verschaffen, staat het de zorgverzekeraar niet vrij een hybride tussenvorm te creëren met een beroep op artikel 2.33, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering, nu deze bepaling uitsluitend van toepassing is op de situatie dat de verzekerde het toestel in eigendom verwerft en aldus aanschaft.

7. In artikel 11, derde lid, Zvw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur voor bij die maatregel aan te wijzen vormen van zorg of overige diensten kan worden bepaald dat een deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komt. Artikel 2.16c, onder c, van het Besluit zorgverzekering bepaalt dat de verzekerde voor een bij ministeriële regeling aan te wijzen hulpmiddel een eigen bijdrage betaalt ter grootte van een bij die regeling te bepalen percentage van de kosten van het hulpmiddel. Artikel 2.33, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering bepaalt dat de eigen bijdrage voor een hoortoestel of tinnitusmaskeerder voor een verzekerde van achttien jaar of ouder vijfentwintig procent van de aanschafkosten bedraagt. Uit de toelichting bij de Regeling zorgverzekering volgt dat een zorgverzekeraar op grond van doelmatigheidsafwegingen er voor kan kiezen recht te geven op een hulpmiddel in eigendom dan wel juist in bruikleen.

De voorzieningenrechter overweegt dat in de bepalingen 11, derde lid, Zvw, artikel 2.16c, onder c, van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.33, tweede lid van de Regeling zorgverzekering geen onderscheid wordt gemaakt tussen het verstrekken van hulpmiddelen in eigendom of bruikleen. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat ook op andere terreinen van zorg wordt aangenomen dat bij verstrekking van een voorziening in bruikleen een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn, zoals blijkt uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over bruikleen in de Wet maatschappelijke ondersteuning, bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van 29 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1448), van 9 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1984) en van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3501). Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestuurlijk rechtsoordeel dat in geval van bruikleen de verzekerde geen wettelijke eigen bijdrage van 25% zou hoeven te betalen, omdat geen sprake is van aanschafkosten, niet in overeenstemming is met de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.

8. De voorzieningenrechter zal het verzoek om schorsing toewijzen. Daarbij zal de voorzieningenrechter bepalen dat verzoekster mag handelen alsof zij beschikt over een rechtsoordeel van verweerster dat haar modelpolis voor 2016 – met betrekking tot het vragen van een eigen bijdrage voor voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt, zoals omschreven in artikel 4.4.1 en artikel 4.4.4 van het Reglement Hulpmiddelen – in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen.

9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerster in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om schorsing toe:

  • -

    bepaalt dat verzoekster mag handelen alsof zij beschikt over een rechtsoordeel van verweerster dat de modelpolis van verzoekster voor 2016 – met betrekking tot het vragen van een eigen bijdrage voor voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt, zoals omschreven in artikel 4.4.1 en artikel 4.4.4 van het Reglement Hulpmiddelen – in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen.

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 331,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerster in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder