Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:357

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
14/692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet, winkeltijdenverordening

Wetsverwijzingen
Winkeltijdenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/156 met annotatie van C.J. Wolswinkel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/692

12500

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2015 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M. Kuiper),

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerders

(gemachtigden: I.M. Noordijk en S.R.M Rijnbeek).

Procesverloop

Het College heeft op 27 mei 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:175) een tussenuitspraak gedaan. Het College verwijst voor het procesverloop, het beoordelingskader en een uiteenzetting van de feiten van deze zaak naar de tussenuitspraak. In die tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de brief van verweerders van 16 mei 2014 moet worden aangemerkt als een besluit (het primaire besluit) en dat verweerders bij besluit van 29 september 2014 (het bestreden besluit I) het bezwaar van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard. Het College heeft verweerders opgedragen om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak inhoudelijk op het bezwaar van appellante te beslissen.

Bij besluit van 23 juni 2015 (het bestreden besluit II) hebben verweerders het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar het advies van de Advies commissie bezwaarschriften van 16 juni 2015, ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 juli 2015 heeft appellante haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij brief van 19 augustus 2015 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 augustus 2015 heeft het College aan partijen medegedeeld dat het College het onderzoek heeft gesloten.

Bij brief van 11 september 2015 heeft het College aan partijen medegedeeld dat het College het onderzoek heeft heropend.

Op 19 oktober 2015 is een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden. Namens appellante waren aanwezig haar gemachtigde en [naam 2] . Namens verweerder waren aanwezig S.R.M. Rijnbeek en [naam 3] .

Nadat beide partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft het College bepaald dat zonder nadere zitting uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. Appellante heeft haar belang bij haar beroep tegen het bestreden besluit I behouden vanwege de toepassing van artikel 7:15 van de Awb. Het College zal, gelet op de tussenuitspraak, het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 1:3 van de Awb.

2. Verweerders hebben ter uitvoering van de tussenuitspraak bij het bestreden besluit II inhoudelijk op het bezwaar van appellante beslist en dat bezwaar ongegrond verklaard. De lunchroom is volgens verweerder rechtstreeks bereikbaar via de toegang aan het [adres] en wordt deze ingang in de praktijk ook als zodanig gebruikt. Verweerders zijn van mening dat het zowel fysiek als juridisch mogelijk is die toegang op zondagen te gebruiken als (enige) ingang voor de lunchroom – die zich aan de achterzijde van de winkel bevindt – en dat het [adres] een prima locatie is voor een horecabedrijf. Nu het laten betreden van de winkel niet noodzakelijk is voor het bezoek van de lunchroom doet zich volgens verweerders geen situatie voor zoals verwoord in artikel 9b van de Verordening Winkeltijden Harderwijk (Verordening). Het verbod zoals vervat in artikel 2 Winkeltijdenwet is dan ook onverkort van kracht.

3. Appellante bestrijdt in haar zienswijze het standpunt van verweerders dat er geen noodzaak zou zijn de winkel te betreden voor een bezoek aan de lunchroom. De opvatting van verweerders is volgens appellante onbegrijpelijk, temeer nu verweerders zelf de feitelijke beletselen van het niet betreden van de winkel voor een bezoek aan de lunchroom in het primaire besluit hebben verwoord.

4 Het College overweegt als volgt. Uit artikel 9b, eerste lid, aanhef en sub a, van de Verordening volgt, voor zover relevant, dat het verbod om een winkel voor het publiek geopend te hebben op zondag niet geldt voor zover het laten betreden van een winkel noodzakelijk is voor het bezoeken van de in die winkel gesitueerde lunchroom. Zoals appellante terecht betoogt en verweerders in het primaire besluit zelf hebben uiteengezet, bestaat een aantal belemmeringen om de ingang aan het [adres] als ingang voor de lunchroom in de door appellante geëxploiteerde winkel te gebruiken. Niet alleen moet appellante een nieuwe gebruiksmelding doen, uit de voortoetsing van de brandweer alsmede uit de toelichting tijdens het onderzoek ter plaatse komt naar voren dat in de bestaande situatie het toelaten van publiek zonder openstelling van een uitgang aan de voorzijde onveilig is. Het aanwezige publiek heeft – bij gebrek van een fysieke afscheiding tussen de, op de begane grond gelegen, lunchroom en de - zich over de begane grond en de eerste verdieping uitstrekkende - winkel – toegang tot de gehele winkel, waardoor zij in geval van een calamiteit niet eenvoudig door de hulpdiensten kunnen worden gelokaliseerd en de afstand tot de achteringang te groot kan zijn om in het geval van een calamiteit langs die vluchtroute veilig het pand te verlaten. Daar komt bij dat de op eerste verdieping gelegen toiletvoorziening alleen via de winkel bereikbaar is. Anders dan verweerders is het College van oordeel dat gezien het vorenstaande het voor een bezoek aan de lunchroom op zondag noodzakelijk is om (een deel van) de winkel te laten betreden.

5. Omdat, gezien het primaire besluit, niet kan worden staande gehouden dat het niet noodzakelijk zou zijn om de winkel te laten betreden teneinde de lunchroom te kunnen bereiken, zal het College met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. Het College veroordeelt verweerders in de door appellante gemaakte kosten. Deze stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.450,- [een beroepschrift (1 punt), zitting (1 punt), een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus (0,5 punt), bijwonen onderzoek ter plaatse (0,5 punt), bezwaarschrift (1 punt) en hoorzitting (1 punt), met een waarde per punt van € 490,-].

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

- draagt verweerders op het betaalde griffierecht van € 328,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerders in de kosten van appellante tot een bedrag van

€ 2.450,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. J. Schukking en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

w.g. R.C. Stam w.g. M.S. van den Berg