Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:353

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
13/904
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak: restituties: transport en rusttijden

1.4. Bijlage II, Transporverordening

aanhouden in afwachting van prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de EU in zaak C-469/14

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

tussenuitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 13/904

7200

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 22 oktober 2015 in de zaak tussen

Masterrind GmbH, te Verden, Duitsland, appellante

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten – De Jong),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2012 (primaire besluit) heeft verweerder (voorheen het Productschap Vee en Vlees) de aanvraag van appellante om uitvoerrestituties afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Het beroep in deze zaak is gevoegd behandeld met het beroep van appellante tegen een besluit van verweerder, geregistreerd onder AWB 14/600. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na de zitting heeft het College de behandeling van de zaken gesplitst en bepaald dat in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 14/600 afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.1

Bij de beoordeling van het geschil neemt het College de volgende, niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Op 4 oktober 2010 heeft appellante 108 levende runderen onder een restitutiecode ten uitvoer aangeven met als bestemming Marokko en hiervoor restituties aangevraagd voor een totaalbedrag van € 14.250,18. De runderen zijn van Brakel (Nederland) naar Sete in Frankrijk vervoerd met drie vrachtwagens met elk 36 runderen, die alle op 4 oktober 2010 om 14.15 uur zijn vertrokken.

1.2

Uit de, bij de aangiften ten uitvoer behorende, journalen, afdeling 4 (Verklaring van de vervoerder) blijkt het volgende. De eerste groep runderen (journaalnummer 0065358) is ingeladen om 7.15 uur. Na een rustpauze van negen uur in Langres (Frankrijk) is deze groep runderen op 5 oktober 2010 om 17.00 uur in Sete gelost. Deze reis heeft 33 uur en 45 minuten in beslag genomen, inclusief rusttijd. De tweede groep runderen (journaalnummer 00655359) is ingeladen om 9.00 uur en de volgende dag om 17.00 uur gelost in Sete. Onderweg is in Frankrijk twee keer één uur en één keer negen uur, samen elf uur, gerust. Deze reis heeft in totaal 32 uur geduurd, inclusief rusttijd. De derde groep (journaalnummer 0065360) is ingeladen om 9.20 uur en de volgende dag om 16.30 uur in Sete gelost. Onderweg is in Frankrijk één keer negen uur gerust. Met deze reis was circa 31 uur en 10 minuten inclusief rusttijd, gemoeid.

In de bij deze transporten behorende drie journalen is in afdeling 1 (Planning), steeds uitgegaan van een vertrek op 4 oktober 2010 om 14.55 uur en een rusttijd van één uur tot de aankomst in Sete. In alle drie de gevallen bevat het betreffende journaal, in afdeling 3 (Plaats van bestemming) weliswaar een verklaring van de houder te Sete, maar hierop ontbreekt zijn verklaring of al dan niet conform is gehandeld voor wat betreft het punt 4.5 “Aantekeningen in het journaal en de transporttijd limieten”. Vanuit Sete zijn de runderen vervolgens met een veeschip naar Marokko vervoerd.

1.3

Verweerder heeft in het primaire besluit de aangevraagde restituties afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag van het primaire besluit gewijzigd en de restituties afgewezen op twee andere gronden. In de eerste plaats stelt verweerder met betrekking tot alle drie de transporten dat deze, gelet op de lange rusttijden van de chauffeurs in Frankrijk, niet zonder oponthoud zijn uitgevoerd en dat de rusttijden ten onrechte niet zijn beperkt tot de tijd die nodig is voor het voederen en drenken van de dieren. Volgens verweerder is daarom niet voldaan aan de in artikel 3, onder f, van Verordening (EG) nr. 1/2005 (Transportverordening) neergelegde voorwaarde dat het transport zonder oponthoud tot de plaats van bestemming wordt uitgevoerd. Evenmin is voldaan aan de in punt 1.4, onder d van hoofdstuk V van bijlage I bij de Transportverordening neergelegde voorwaarde dat alle dieren na een transporttijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd, waarna zij opnieuw 14 uur kunnen worden vervoerd. In de tweede plaats stelt verweerder wat betreft de twee transporten die langer dan 31 uur hebben geduurd (journaalnummers 0065358 en 00655359), dat de verlengde maximale transporttijd van 31 uur als bedoeld in vermeld punt 1.4, onder d, van hoofdstuk V van bijlage I bij de Transportverordening in verbinding met punt 1.8 van deze bijlage is overschreden. Naar de mening van verweerder kan het transport van de dieren in overeenstemming met de Transportverordening zodanig worden ingericht dat tegelijkertijd kan worden voldaan aan de voorgeschreven rij- en rusttijden voor chauffeurs. Een rusttijd die langer dan noodzakelijk is voor het drenken en voederen van de dieren strookt niet met het voorschrift van punt 1.4, onder d, van hoofdstuk V van bijlage I bij de Transportverordening. Verweerder meent voor zijn uitleg van genoemde bepalingen in de Transportverordening steun te kunnen ontlenen aan twee interpretatieve nota’s van de directie Dierengezondheid en Dierenwelzijn van de Europese Commissie uit 2010.

2.1

Op grond van artikel 1 van Verordening (EU) Nr. 817/2010 (Welzijnsverordening), wordt - kortgezegd - de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen afhankelijk gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede van de daarin genoemde bijlagen, en van de onderhavige verordening.

2.2

Ingevolge artikel 3 van de Transportverordening moet, voor zover hier van belang, aan de volgende voorwaarden worden voldaan:


“a) vooraf zijn alle nodige voorzieningen getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien;

(…)

f) het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden.
(…)
h) de dieren krijgen op gezette tijden water, voeder en rust, in kwaliteit en in kwantiteit afgestemd op hun soort en grootte.”

2.3

Punt 1.4, aanhef en onder d, van Hoofdstuk V, onder 1, Bijlage I bij de Transportverordening luidt:

“1.4. Wanneer wegvoertuigen worden gebruikt die voldoen aan de voorschriften van punt 1.3, gelden de volgende tussenpozen voor het voederen en drenken, alsmede de volgende transport- en rusttijden:

(…)

d) Alle andere dieren van de in punt 1.1 bedoelde soorten moeten na een transporttijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd.”

Punt 1.8 van Hoofdstuk V, onder 1, Bijlage I bij de Transportverordening luidt:

“ In het belang van de dieren kunnen de transporttijden bedoeld in de punten 1.3, 1.4 en 1.7, onder b), met twee uur worden verlengd, met name gelet op de nabijheid van de plaats van bestemming.”

3.1

Appellante heeft een aantal beroepsgronden naar voren gebracht die hierna zullen worden besproken. De beroepsgrond dat de tijd tussen het laden en het vertrek van de vrachtauto appellante niet aangerekend mag worden nu dit te wijten is aan het handelen van verweerder voor vertrek van de drie vrachtwagens, heeft appellante ter zitting ingetrokken.

3.2

In beroep voert appellante aan dat verweerder de rusttijd van negen uur heeft goedgekeurd, nu hij de planning van appellante heeft goedgekeurd. Uit vergelijking van de planning in het journaal van de hierin vermelde vertrek- en aankomsttijden met de tevens aan de NVWA aangeboden uitdraai van “routenet”, blijkt dat was voorzien in een rusttijd van negen uur tijdens het transport. Ook de controlerende dierenarts bij de plaats van uitgang uit de Gemeenschap heeft, aldus appellante, de geplande en gerealiseerde transport- en rusttijden goedgekeurd.

3.3

Het College stelt dienaangaande vast dat in de journalen, afdeling 1 (Planning) voor alle drie de transporten een rusttijd van één uur is vermeld en dat appellante ter zitting heeft verklaard dat de rusttijd van negen uur bewust niet daarin is vermeld. Dit betekent dat verweerder in het kader van deze planning van de transporten niet is geïnformeerd over de rusttijd van negen uur, maar verweerder een rusttijd van één uur is voorgehouden. In de journalen, afdeling 3 (Plaats van bestemming) ontbreekt juist het oordeel van de controlerende dierenarts over de inachtneming van de geplande en gerealiseerde transport- en rusttijden. Naar het oordeel van het College kan uit de journalen derhalve niet geconcludeerd worden dat verweerder de rusttijd van negen uur heeft goedgekeurd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Appellante doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar is er sprake van een veelvoorkomende praktijk van transporten met een rusttijd van negen uur die zijn goedgekeurd door verweerder. Appellante wijst hiertoe op de door haar overgelegde journalen met de nummers 0065361, 0065362 en 0065363 met betrekking tot drie door haar georganiseerde transporten met een Duitse vervoerder van runderen vanuit Brakel naar Marokko en stelt dat verweerder voor de uitvoer van deze dieren wel restitutie heeft toegekend.

4.2

Appellante stelt verder dat in België, gelet op artikel 18, vijfde lid, van het daar geldende Koninklijk besluit betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de erkenningsvoorwaarden van vervoerders, handelaars, stopplaatsen en verzamelcentra, de rusttijd van negen uur voor chauffeurs niet in strijd wordt geacht met de voorschriften van de Transportverordening. Deze bepaling luidt aldus appellante als volgt: “De vervoerder; (…) moet zich ervan vergewissen dat de dieren zonder vertraging naar hun plaats van bestemming worden vervoerd, onverminderd de normale rusttijden voor de chauffeurs.” Appellante acht het in strijd met een uniforme toepassing van de Transportverordening dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van haar Belgische collega’s.

4.3

Verweerder stelt dat voor de transporten waarop genoemde journalen met nummers 0065361 en 65363 betrekking hebben de restitutie ten onrechte is betaald, omdat deze transporten niet zonder oponthoud zijn uitgevoerd en de volgens punt 1.4, onder d en punt 1.8 van hoofdstuk V van bijlage I bij de Transportverordening geldende maximale transporttijden zijn overschreden. Deze transporten hebben immers respectievelijk 32 uur en 35 minuten, en 32 uur en 10 minuten geduurd, inclusief rusttijden van respectievelijk acht uur en 30 minuten, en acht uur. Het gelijkheidsbeginsel strekt volgens verweerder niet zover dat hij is gehouden gemaakte fouten te herhalen. Het transport waarop het journaal met nummer 0065362 betrekking heeft, is geen gelijk geval, nu uit dit journaal blijkt dat de toegestane maximale transporttijden niet zijn overschreden. Dit transport heeft 26 uur en 25 minuten geduurd, inclusief een rusttijd van één uur.

4.4

Met betrekking tot het door appellante genoemde Belgische voorschrift stelt verweerder dat daaruit niet valt af te leiden dat een rustperiode van negen uur voor de chauffeur is voorgeschreven, maar veeleer dat deze in overeenstemming is met hetgeen in punt 19 van de considerans van de Transportverordening over Verordening (EEG) nr. 3820/85 is overwogen.

4.5

Naar het oordeel van het College faalt het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot de door haar genoemde transporten met een Duitse vervoerder. Het College volgt verweerder in diens stelling dat het transport waarop het journaal met nummer 0065362 betrekking heeft geen gelijk geval is, omdat daarin gezien de met dit transport gemoeide tijd geen sprake is van overschrijding van de ingevolge de Transportverordening geldende maximale transporttijden, waarvan volgens verweerder in de onderhavige transporten van appellante nu juist wel sprake is. Met betrekking tot de transporten waarop de journalen met de nummers 0065361 en 0065363 zien, laat het College in verband met hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot de vraag of een rusttijd van negen uur al dan niet is toegestaan, thans in het midden of het standpunt van verweerder juist is dat deze twee gevallen op één lijn kunnen worden gesteld met de drie hier aan de orde zijnde transporten van appellante en of in die twee gevallen ten onrechte restitutie is verstrekt. Volstaan kan worden met het oordeel dat ook indien dit standpunt juist is en er dus sprake is van foute beslissingen van verweerder, het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot deze gevallen niet kan slagen. Volgens vaste jurisprudentie strekt het gelijkheidsbeginsel immers niet zo ver dat een bestuursorgaan is gehouden een eerder gemaakte fout te herhalen. (zie bijvoorbeeld CBb 9 maart 1994, ECLI:NL:CBB:1994:ZG0931 en 14 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BX7994).

4.6

Voorts brengt volgens vaste rechtspraak van het College, bijvoorbeeld CBb 8 maart 2006 (ECLI:NL:CBB:2006:AV5872) en 21 december 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BZ1182) het gegeven dat lidstaten verschillend omgaan met de uitvoering van Europese regelgeving niet mee dat een bestuursorgaan in strijd handelt met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld, als dit bestuursorgaan het Europese recht correct toepast. Al aangenomen dat de door appellante aangehaalde Belgische regelgeving aanleiding zou geven tot een met het Europese recht strijdige toepassing dan is dat voor de juiste toepassing in Nederland niet van direct belang. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet.

5.1

Appellante stelt zich op het standpunt dat het in achtnemen van een rusttijd van negen uur niet in strijd is met de Transportverordening. De Transportverordening verbiedt een rustperiode van negen uur niet. De in punt 1.4, onder d, van hoofdstuk V, van Bijlage I bij de Transportverordening genoemde rusttijd van minimaal 1 uur kan niet worden geschaard onder de transporttijd zoals gedefinieerd in artikel 2, onder j, van de Transportverordening, omdat deze rusttijd in punt 1.4, onder d, apart wordt benoemd ten opzichte van de transporttijd van 14 uur. Van belang is verder dat punt 1.4. onder d, een minimale tijdsduur voorschrijft voor de tussenstop, maar geen maximale tijdsduur. Nu derhalve een duidelijke en heldere regeling over de reistijden ontbreekt, kan geen sprake zijn van overtreding van deze bepalingen. Ook om de volgende redenen is daarvan geen sprake, aldus appellante. Artikel 3, onder f, van de Transportverordening dient te worden uitgelegd in het licht van artikel 22 van deze verordening, de voorschriften van hoofdstuk V van Bijlage I van deze verordening én met het oog op de praktijk. Volgens appellante kunnen deze bepalingen slechts dan begrepen en toegepast worden, indien onder ‘oponthoud’ noodzakelijk oponthoud wordt verstaan. Appellante stelt dat tijdens de in alle drie de transporten in acht genomen rusttijd van negen uur noodzakelijk is voor de chauffeurs, maar ook voor de runderen, Deze rusttijd is in het belang van het welzijn van de dieren, omdat ze zo na het voeren voldoende tijd krijgen te rusten en het spijsverteringsproces te doorlopen en het stilstaan van de vrachtauto stress verlagend werkt. In artikel 3, onder a, van de Transportverordening wordt het beperken van de transportduur tot een minimum samen genoemd met de eis dat tijdens het transport moet worden voorzien in de behoeften van de dieren. Deze twee eisen moeten, aldus appellante, in samenhang worden gelezen. Door de gegeven rusttijd is voorzien in de behoefte van de runderen, waarbij zij hun natuurlijke gedrag konden vertonen door te gaan liggen en te herkauwen.

Verweerder deelt niet het standpunt van appellante dat een rusttijd van negen uur in het belang van de runderen is. Uit punt 1.4, onder d, van hoofdstuk V van Bijlage I van de Transportverordening volgt dat de rusttijd beperkt dient te blijven tot de tijd die nodig is voor het voederen en drenken van de runderen. Uit dat punt en uit punt 1.8 van vermeld hoofdstuk volgt dat de maximale transporttijd voor runderen maximaal 29 uur en de verlengde maximale transportduur 31 uur bedraagt, beide inclusief één uur rusttijd. Het feit dat in punt 1.4 onder d geen maximumrusttijd is genoemd, betekent niet dat de rusttijd ongelimiteerd is. Een ongelimiteerde rusttijd zou geheel indruisen tegen de in artikel 3, onder a en f van de Transportverordening opgenomen regel dat de duur van het transport tot een minimum wordt beperkt en het transport zonder oponthoud wordt uitgevoerd. Een rusttijd die langer is dan noodzakelijk om de runderen te voederen en te drenken is onnodig oponthoud. Verweerder stelt verder dat de communautaire wetgever de betaling van de restitutie afhankelijk heeft gesteld van de naleving van de artikelen 3 tot en met 9 en de bijlagen van de Transportverordening, los van elke vaststelling van concrete schade voor de dieren tijdens het vervoer ervan. Verweerder hoeft derhalve niet aan te tonen dat het welzijn van de runderen in het gedrang is geweest door de rusttijd van negen uur.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook wanneer een rusttijd van negen uur toegestaan zou zijn, niet gezegd kan worden dat appellante zonder onnodig oponthoud de runderen heeft vervoerd. Het verdient de voorkeur de pauzes zo dicht mogelijk bij de plaats van uitgang uit de Europese Unie te laten plaatsvinden nu de kans dat de gevolgen van onvoorzien oponthoud tot verdere vertraging van het transport leiden, dan kleiner is. Derhalve dient steeds zo ver mogelijk met de vrachtauto te worden gereden voordat een stop of rustpauze plaatsvindt, volgens verweerder.

5.2.

Gelet op het vorenstaande constateert het College dat tussen partijen in geschil is of en in hoeverre de regeling in punt 1.4 van hoofdstuk V van Bijlage I bij de Transportverordening, aldus dient te worden uitgelegd dat de vervoersperioden ook kunnen worden onderbroken door een rusttijd van langer dan een uur, bijvoorbeeld negen uur, waarvan tijdens de onderhavige drie transporten sprake is geweest.

5.3

Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft het Finanzgericht Hamburg aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), voor zover hier van belang, de volgende prejudiciële vraag gesteld (zaak C-469/14, Masterrind GmbH – Hauptzollamt Hamburg-Jonas):

“(…). Dient de regeling in punt 1.4 van hoofdstuk V van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/971 (…), volgens welke dieren na een transporttijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste een uur moeten krijgen, in het bijzonder om te worden gedrenkt en zo nodig gevoederd, waarna zij opnieuw gedurende 14 uur kunnen worden vervoerd, aldus te worden uitgelegd dat de vervoersperioden ook kunnen worden onderbroken door een rusttijd van langer dan een uur of door meerdere rusttijden waarvan er één ten minste een uur duurt?”.

Het HvJ heeft nog geen arrest gewezen in antwoord op deze vraag. Nu de vermelde prejudiciële vraag van de Duitse rechter in essentie overeenkomt met de hiervoor in 6.2 geformuleerde vraag, ziet het College aanleiding het onderzoek te heropenen in afwachting van de prejudiciële beslissing van het HvJ in de zaak C-469/14 en iedere verdere beslissing in dit geding aan te houden.

Beslissing

Het College:

- heropent het onderzoek;

- wacht de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-469/14 af;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. R.R. Winter, en mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier op 22 oktober 2015

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. G.J.P. Leuverink