Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:350

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
14/44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding stichting; bestuurder niet bereikbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/44

24100

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2015 in de zaak tussen

Strategos B.V., te Antwerpen, appellante

(gemachtigde: [naam] )

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerster de Stichting OcTroje ontbonden op grond van artikel 2:19a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Bij besluit van 28 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een reactie op het verweer ingediend.

Verweerster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2015. De gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het primaire besluit betreft de ontbinding van Stichting OcTroje. Appellante is bestuurder van de stichting.

2. Een stichting als deze wordt door verweerster ontbonden als zich twee omstandigheden voordoen, vermeld in artikel 2:19a, tweede lid, BW. De eerste omstandigheid is dat er gedurende ten minste een jaar geen bestuurders van de rechtspersoon in het register staan ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, of, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, de bestuurders zijn overleden, of ten minste een jaar niet bereikbaar zijn gebleken op het in het register vermelde adres, en evenmin op het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven adres, dan wel in die administratie ten minste een jaar geen adres van de bestuurders staat vermeld. De tweede omstandigheid is dat de stichting ten minste een jaar in gebreke is het voor inschrijving in het handelsregister verschuldigde bedrag te voldoen. Volgens verweerster is in dit geval aan beide omstandigheden voldaan.

3. Het College stelt vast dat ten tijde van de ontbinding appellante als bestuurder van Stichting OcTroje stond ingeschreven. Als adres van de bestuurder stond in het handelsregister vermeld [adres] in [plaats] . Uit het dossier blijkt dat verweerster in een periode van meer dan een jaar verschillende malen facturen voor de jaarlijkse bijdrage voor de inschrijving in het handelsregister aangetekend heeft verzonden naar dat adres. Deze brieven kwamen retour, omdat ze niet waren opgehaald. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting bevestigd dat het adres dat in het handelsregister stond vermeld, niet meer het juiste adres was. Het College is daarom met verweerster van oordeel dat appellante niet bereikbaar is gebleken op het in het handelsregister vermelde adres. Het betoog van appellante dat haar bestuurder – de gemachtigde van appellante in deze procedure – wel in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven en dat verweerster beschikte over de naam van een advocaat die in 2005 als gemachtigde had opgetreden, doet er niet aan af dat de bestuurder van Stichting OcTroje niet bereikbaar was gebleken op het adres dat in het handelsregister stond vermeld. De verwikkelingen die appellante naar voren heeft gebracht ten aanzien van het adres van haar gemachtigde in deze procedure, ontslaan haar niet van de wettelijke verplichting om in het handelsregister een adres op te geven waar zij – als bestuurder van Stichting OcTroje - daadwerkelijk bereikbaar is.

4. Ten aanzien van de tweede omstandigheid heeft appellante erkend dat zij de jaarlijkse bijdrage niet heeft betaald. Dat appellante van mening was dat zij deze niet hoefde te betalen, omdat de activiteiten van Stichting OcTroje 'on hold' zouden zijn gezet, doet niet af aan de wettelijke verplichting om een jaarlijkse bijdrage te betalen.

5. Aldus deed zich op het moment dat verweerster het primaire besluit nam, beide omstandigheden voor, genoemd in artikel 2:19a, tweede lid, BW.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.B.L. van der Weele