Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:35

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
AWB 14/183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

taxivervoer zonder vergunning: snorder - last onder dwangsom

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/183

14913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2015 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

gemachtigde: mr. P.J. Stronks

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2014 (primair besluit) heeft verweerder appellant de last opgelegd dat hij zich dient te onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) en dat bij elke geconstateerde overtreding een dwangsom zal worden verbeurd van € 10.000,- met een maximum van € 200.000,-.

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. In dit besluit is verder nog vermeld dat de last een looptijd heeft van twee jaar.

Appellant heeft tegen het besluit van 3 maart 2014 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, te weten voor zover het de hoogte van de maximum te verbeuren dwangsom betreft. Deze is nader vastgesteld op € 40.000,-. Verder is bepaald dat de door appellant gemaakte kosten van bezwaar door verweerder worden vergoed.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het beroep tegen het besluit van 3 maart 2014 wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 oktober 2014. Ter beoordeling door het College ligt daarom voor het besluit van 3 maart 2014 als gewijzigd bij besluit van 3 oktober 2014.

2. Het College neemt de volgende feiten als vaststaand aan.

2.1.

Op 26 oktober 2013 heeft de politie Amsterdam/Amstelland een snordersactie in burger gehouden met als doel om illegale taxichauffeurs, ook wel snorders genoemd, aan te pakken. Appellant, die toen niet beschikte over een taxivergunning, is op die dag door twee agenten aangehouden en verhoord vanwege het verrichten van taxivervoer zonder de daarvoor vereiste vergunning.

2.2.

In het door twee politieambtenaren (verbalisanten) op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen is onder meer het volgende vermeld:

  • -

    de verbalisanten bevonden zich op 26 oktober 2013 omstreeks 4.25 uur op het [adres] te [plaats]

  • -

    appellant vroeg hen: “Taxi nodig?” en “Wat willen jullie betalen?”

  • -

    een verbalisant antwoorde: “Zo goedkoop mogelijk”

  • -

    appellant zei vervolgens: “Oké, twaalf euro”.

  • -

    appellant fouilleerde de verbalisanten om te kijken of zij geen politiemensen zijn, appellant liep met de verbalisanten naar zijn auto en bracht hen met de auto naar de door hen opgegeven bestemming

  • -

    de verbalisanten hebben appellant betaald en hebben de auto verlaten

  • -

    appellant is vervolgens door andere politieambtenaren aangehouden

2.3.

Naar aanleiding van de onder 2.2. vermelde bevindingen heeft verweerder de thans in geding zijnde last onder dwangsom opgelegd.

3. Appellant betwist in beroep niet dat hij taxivervoer heeft verricht zonder vergunning, maar stelt dat, omdat van het door hem bedrijfsmatig verrichten van snorderdiensten geen sprake is, geen dwangsom mocht worden opgelegd, dan wel dat een lagere dwangsom moest worden opgelegd. Volgens appellant heeft hij zich voor en na 26 oktober 2013 niet aan deze overtreding schuldig gemaakt en is er in zijn geval geen sprake van herhaald gedrag. Nu de bijlage bij de door verweerder gebruikte beleidsregels over de hoogte van de op te leggen dwangsommen uitgaat van het bedrijfsmatig verrichten van snordersdiensten, is deze volgens appellant in zijn geval niet van toepassing.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door verweerder verleende vergunning (verbod). Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Wp2000 wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer. Verweerder is bevoegd een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van dit verbod. Verweerder hanteerde ten tijde van het primaire besluit het beleid neergelegd in de Beleidsregels last onder dwangsom personenvervoer over de weg (Stcr. 27 december 2005, nr. 251, p. 42, hierna: Beleidsregels), waarbij in artikel 1, eerste lid is bepaald dat een last onder dwangsom wordt opgelegd na constatering van een overtreding van een in de bijlage bij die beleidsregels genoemde bepalingen van de Wet personenvervoer 2000. In de bijlage bij artikel 1 van die Beleidsregels is bepaald, onder meer, dat bij een overtreding bestaande uit het verrichten van taxivervoer zonder een daartoe verleende vergunning, de hoogte van de dwangsom per overtreding €10.000,- bedraagt en de maximumhoogte van de verbeurde dwangsombedragen € 200.000,-.

4.2.

Bij uitspraak van het College van 20 maart 2014,ECLI:NL:CBB:2014:104, heeft het College in een vergelijkbaar geschil geoordeeld dat het opleggen van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding niet in onredelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. In die uitspraak heeft het College voorts geoordeeld dat een in die zaak in afwijking van zijn beleid opgelegde maximumdwangsom van € 100.000,- (reeds) niet in redelijke verhouding staat tot het financiële voordeel van een, wat verweerder noemt “klassieke snorder”. Het College heeft in die uitspraak, alsmede in andere vergelijkbare uitspraken, (zie ook van 18 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:155 en ECLI:NL:CBB:2014:154) zelf voorziend het maximumbedrag dat aan dwangsom kan worden verbeurd vastgesteld op € 40.000,-, met overigens verwijzing naar de beleidsvrijheid die verweerder behoudt ten aanzien van het bepalen van een maximumbedrag in de aanpassing van zijn beleidsregels. Verweerder heeft, hoewel daartoe bevoegd, zijn beleid tot op heden niet gewijzigd. In het bestreden besluit van 3 oktober 2014 heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van het College van 20 maart 2014, het maximumbedrag aan te verbeuren dwangsom gewijzigd in € 40.000,-.

4.3.

Het College is van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van bevindingen, zoals hiervoor samengevat weergegeven, is vast komen te staan dat appellant de overtreding van het verrichten van taxivervoer zonder vergunning heeft begaan. Van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal mag in beginsel worden uitgegaan. Daaruit blijkt dat appellant op 26 oktober 2013 personenvervoer per auto tegen betaling heeft verricht. Ingevolge artikel 1 van de Wp2000 wordt dit als taxivervoer aangemerkt. Vast staat dat appellant toen niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte. Verweerder was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van het College (zie onder andere ECLI:NL:CBB:2012: BX0318) kan verweerder slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden afzien van zijn bevoegdheid handhavend op te treden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het College in dit geding niet gebleken. De stelling van appellant dat er in zijn geval geen kans op herhaling van de overtreding bestaat, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen. De beroepsgrond dat geen dwangsom mocht worden opgelegd slaagt daarom niet.

4.5.

Met betrekking tot de in de bestreden besluiten van 3 maart 2014 en 3 oktober 2014 vermelde bedragen aan (maximaal) te verbeuren dwangsom(men) is het College, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 4.2 is overwogen (en de daarin vermelde uitspraak van 20 maart 2014) van oordeel dat deze niet disproportioneel zijn. De beroepsgrond die is gericht tegen de hoogte van de dwangsommen, namelijk € 10.000,- per overtreding, met een maximum van € 40.000,- slaagt daarom evenmin.

4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt en ongegrond moet worden verklaard.

5. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten, omdat appellant beroep heeft ingesteld tegen een besluit dat door verweerder gedeeltelijk niet is gehandhaafd. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 490,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Het door appellant in beroep betaalde griffierecht komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

- Het College verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 490,- ;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. J.W.E. Pinckaers