Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:347

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
15/118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorgeschreven methode van identificatie niet in strijd met hogere regelgeving.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 15/118

Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. C.R. Jansen)

en

de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk)

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2014 (primair besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 39 van de Regeling identificatie en registratie van dieren (Regeling I&R). Verweerder heeft appellant opgelegd om binnen vier weken na verzending van dit besluit de overtreding van artikel 39 van de Regeling I&R op te heffen. Indien appellant zich niet aan deze last houdt, verbeurt hij een dwangsom van € 1.500,- elke twee weken dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 7.500,-. De begunstigingstermijn eindigde op 2 maart 2015.

Bij besluit van 19 januari 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2015:38). De voorzieningenrechter heeft het bestreden besluit geschorst tot het College uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak.

Verweerder heeft 16 april 2015 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 juni 2015. Naast appellant zijn verschenen de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is paardenhouder. Verweerder heeft geconstateerd dat de paarden van appellant niet zijn geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig de Regeling I&R, omdat bij de paarden geen transponder (chip) is ingebracht. Appellant heeft bezwaren tegen deze methode van identificatie en registratie van paarden. Samen met andere paardenhouders heeft appellant eerder onder de naam ‘ [naam 2] ’ op 2 februari 2012 een verzoek ingediend bij verweerder om een alternatieve wijze van identificatie en registratie toe te staan. Dit verzoek is door verweerder bij brief van 5 april 2012 afgewezen. In juli 2014 heeft appellant opnieuw in het verband van de [naam 2] verzocht om een alternatieve methode van identificatie en registratie toe te staan. Bij brief van 4 december 2014 heeft verweerder dit verzoek eveneens afgewezen. Met de last onder dwangsom heeft verweerder appellant opgedragen alsnog zijn paarden van een chip te voorzien op de voorgeschreven wijze. Onder verwijzing naar de brief aan de [naam 2] van 4 december 2014 heeft verweerder deze last bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Appellant heeft, zakelijk weergegeven, in beroep het volgende aangevoerd. Appellant is van mening dat hij geen overtreding heeft begaan door zijn paarden niet te laten chippen, althans dat de overtreding hem niet kan worden verweten. Het chippen van de paarden is niet goed voor het welzijn van de dieren. Er wordt een vreemd voorwerp in de hals ingebracht, waardoor het vrijelijk functioneren van de hals wordt beperkt. Het ingebrachte voorwerp kan zorgen voor ontstekingen en de vorming van vreemd weefsel.

Gelet hierop is het volgens appellant niet een vrijwillige keuze van verweerder om al dan niet alternatieven toe te staan voor de identificatie en registratie van paarden. Het verplicht chippen van paarden dient bovendien niet de doelen die worden gehanteerd als onderbouwing van de verplichting, althans dit is niet aangetoond. Chippen is geen garantie tegen fraude. Met de huidige stand van de techniek en beveiligde opslag van gegevens zijn de beschikbare alternatieve methodes minstens zo betrouwbaar. Appellant heeft ook, samen met anderen, een betrouwbaar alternatief uitgewerkt waarmee dezelfde garanties worden geboden. Artikel 12 van Verordening (EG) 504/2008 van de commissie van 6 juni 2008 ter uitvoering van de Richtlijnen 90/426/EEG en 90/427/EEG van de Raad wat betreft methoden voor de identificatie van paardachtigen (Verordening 504/2008) biedt de mogelijkheid om alternatieven toe te staan. Dit betreft ook nieuwe alternatieven en niet slechts de mogelijkheid de reeds voor invoering van de chipmethode bestaande identificatiemethoden te handhaven. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van de Europese Commissie overgelegd waarin deze ingaat op de identificatie en registratievoorschriften volgens Verordening (EG) 504/2008. Appellant wijst er daarnaast op dat op 1 januari 2016 Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie

van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) in werking treedt en dat in de preambule staat opgenomen dat in alternatieve methoden ter verificatie van de identiteit van de paardachtigen móet worden voorzien.

Appellant voert tevens aan dat hij gewetensbezwaren heeft tegen het inbrengen van een chip bij zijn paarden. Hij beroept zich in dit verband op artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Appellant betoogt dat de voorgeschreven wijze van identificatie er toe leidt dat het hem onmogelijk wordt gemaakt om paarden te houden waardoor de regeling I&R in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Appellant stelt dat hij vanwege zijn opvattingen wordt achtergesteld en gediscrimineerd, wat in strijd is met artikel 1 van de Grondwet

Ten slotte betoogt appellant dat het verplicht chippen in strijd is met de Wet Dieren, meer bepaald artikel 1.3 inzake de intrinsieke waarde van het dier, artikel 1.4 inzake de algemene zorgplicht voor dieren en artikel 2.1 inzake dierenmishandeling. Ook om die reden mag van hem niet worden verwacht dat hij aan de verplichting voldoet om zijn paarden te chippen.

3. Verweerder stelt zich op het volgende standpunt. Op grond van artikel 39 van de Regeling I&R is het verboden dieren die niet overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd te houden, te verhandelen, te vervoeren, aan te voeren of af te voeren. Het inbrengen van een chip ter identificatie van paarden vindt zijn basis in Verordening 504/2008. Sinds 2009 is op grond van de Regeling I&R het verplicht deze methode van identificatie toe te passen. Nederland staat geen alternatieve methodes toe. Voor de achtergrond van die keuze heeft verweerder onder meer gewezen op het belang van één methode voor de handhaving en het belang van de voedselveiligheid, gelet ook op de schandalen die er recentelijk zijn geweest op dat terrein. De identificatie dient er onder meer toe dat te achterhalen is welke (geneeskundige) behandelingen het paard heeft ondergaan, om daarmee te voorkomen dat dieren die behandeld werden met geneesmiddelen die niet bij voedselproducerende dieren mogen worden gebruikt, illegaal in de voedselketen terechtkomen. Verweerder heeft in de brief van 4 december 2014, waarnaar verwezen is in het bestreden besluit, uiteengezet dat het kiezen voor één methode ook past bij de wens binnen de Europese Unie om tot een eenduidige systematiek te komen. De mogelijkheid alternatieven toe te staan, waartoe een lidstaat niet is verplicht, is gericht op alternatieven die nu nog gangbaar zijn. Overigens moeten er wel alternatieven zijn voor het geval de chip niet werkt. In dat geval wordt door verweerder daar ook aan meegewerkt. Maar alternatieven zijn uitdrukkelijk bedoeld als uitzondering. De door de [naam 2] , waar appellant deel van uitmaakt, voorgestelde methode, waarbij gebruik wordt gemaakt van foto’s en vastlegging van DNA-profiel, is praktisch niet werkbaar, omdat aan de buitenkant te zien dient te zijn dat een paard is geïdentificeerd. Het aanbrengen van een liptatoeage als herkenningskenmerk, zoals voorgesteld door de [naam 2] acht verweerder niet wenselijk. Niet valt in te zien dat appellant tegen deze ingreep geen gewetensbezwaar zou hebben. Daarnaast is in de praktijk gebleken dat er geen medische complicaties zijn opgetreden bij paarden met een transponder. Het beroep van appellant op de vrijheid van geweten, zoals neergelegd in artikel 9 van het EVRM, dwingt niet tot het toestaan van alternatieven. Deze vrijheid is niet absoluut en kan ingeperkt worden door de onderhavige identificatieplicht. Het is een bij de wet voorziene beperking noodzakelijk in het belang van bescherming van de gezondheid van mens en dier en evenredig aan het nagestreefde doel. Op grond van artikel 2.8, tweede lid, sub b, van de Wet Dieren juncto artikel 2.6, sub b, van het Besluit diergeneeskundigen is het inbrengen van een transponder ter identificatie aangewezen als toegestane lichamelijke ingreep bij dieren. Er is dan ook reeds om die reden geen strijd met de Wet Dieren. Verweerder stelt echter voorop dat het inbrengen van een transponder niet nadelig is voor de gezondheid of het welzijn van het paard. Bij invoering van de regelgeving is dit uitvoerig onderzocht. In de wetenschap bestaat volgens verweerder consensus over het feit dat de chip niet nadelig is voor de gezondheid. Bij de fabrikant van de transponder zijn daarnaast nimmer meldingen binnengekomen van complicaties. Een grote meerderheid van de houders van paarden is dan ook positief over deze wijze van identificatie van paarden. Appellant is door na te laten zijn paarden te voorzien van een transponder in overtreding. Om die reden kon aan hem een last onder dwangsom worden opgelegd.

4.1

De van belang zijnde bepalingen:

Verordening 504/2008

Artikel 3 Algemene principes en de verplichting om paardachtigen te identificeren

1. Paardachtigen (…) worden niet gehouden tenzij zij overeenkomstig deze verordening zijn geïdentificeerd.

(…)

3. Voor de toepassing van deze verordening bestaat het identificatiesysteem voor paardachtigen uit de volgende onderdelen:

a. a) één identificatiedocument voor het hele leven;

b) een methode om een eenduidige koppeling te waarborgen tussen het identificatiedocument en de paardachtige;

c) een database waarin de identificatiegegevens betreffende het dier waarvoor een identificatiedocument aan een in die database geregistreerde persoon werd verstrekt, onder een uniek identificatienummer worden geregistreerd.

(…)

Artikel 11 Elektronische methoden om de identiteit te controleren

1. De instantie van afgifte zorgt ervoor dat paardachtigen bij eerste identificatie actief worden gemerkt door implantatie van een transponder. De lidstaten bepalen welke minimumkwalificaties vereist zijn voor de in de eerste alinea bedoelde ingreep, of wijzen een persoon of beroepsgroep aan waaraan het uitvoeren van dergelijke ingrepen kan worden toevertrouwd.

2. De transponder wordt parenteraal onder aseptische omstandigheden geïmplanteerd tussen nek en schoft in het midden van de hals, waar zich het ligamentum nuchae bevindt. De bevoegde autoriteit kan evenwel toestaan de transponder op een andere plek in de nek van de paardachtige te implanteren, mits deze alternatieve implantatie het welzijn van het dier niet schaadt en er geen verhoogd risico is op verplaatsing van de transponder in vergelijking met de in de eerste alinea bedoelde methode.

(…)

Artikel 12 Alternatieve identificatiemethoden

1. In afwijking van artikel 11, lid 1, kan een lidstaat identificatie van paardachtigen door middel van geschikte alternatieve methoden, waaronder herkenningsmerken, toestaan, die — alleen of in combinatie met andere methoden — een vergelijkbare wetenschappelijke garantie bieden dat de identiteit van de paardachtige kan worden gecontroleerd en dat op effectieve wijze kan worden voorkomen dat een identificatiedocument meermaals wordt afgegeven (…)

(…)

3. De lidstaten zorgen ervoor dat:

a. a) alternatieve methoden niet als enige manier van identiteitscontrole worden gebruikt voor het merendeel van de paardachtigen die overeenkomstig deze verordening worden geïdentificeerd;

b) de zichtbare herkenningsmerken voor als fok- of gebruiksdier gehouden paardachtigen niet kunnen worden verward met merken die binnen hun grondgebied zijn gereserveerd voor geregistreerde paardachtigen.

4. Lidstaten die van plan zijn gebruik te maken van de afwijking in lid 1 verstrekken deze informatie aan de Commissie, de andere lidstaten en het publiek via een website. Om de lidstaten te ondersteunen bij het openbaar maken van deze informatie stelt de Commissie een website beschikbaar waarop iedere lidstaat een snelkoppeling naar zijn nationale website zet.

Wet Dieren

Artikel 1.3. Intrinsieke waarde

1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.

2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. (…)

Artikel 1.4. Algemene zorgplicht [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor dieren.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor dieren worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten (…)

Artikel 2.1. Dierenmishandeling

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

(…)

Artikel 2.8. Diergeneeskundige handelingen

1. Het is verboden:

a. lichamelijke ingrepen te verrichten;

(…)

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van:

(…)

b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamelijke ingrepen;

(…)

Besluit diergeneeskundigen

Artikel 2.6. Aanwijzing toegestane ingrepen ter identificatie

Voor zover zij dienen ter identificatie van een dier worden als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet aangewezen:

(…)

b. het subcutaan of intramusculair aanbrengen van micro-elektronica;

(…)

Besluit identificatie en registratie van dieren

Artikel 3 Delegatie

1. Onze Minister kan ter uitvoering van titel I van verordening 1760/2000, verordening 21/2004, richtlijn 2008/71/EG, artikel 4, vierde lid, van richtlijn 2009/156/EG, en artikel 8, eerste lid van richtlijn 90/427/EEG, alsmede met het oog op het toezicht op de naleving hiervan, regels stellen.

2. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake de algemene gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren, ter voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in dieren en producten van dierlijke oorsprong dan wel ter bescherming van de veiligheid van mens of dier, regels stellen omtrent de identificatie en registratie van dieren alsmede van levende dierlijke producten.

3. Onze Minister stelt ten behoeve van de algehele gezondheidstoestand of van het welzijn van dieren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel d, ter voorkoming van de verspreiding van smetstof of van de aanwezigheid van schadelijke stoffen in dieren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel d, en producten daarvan, en ter bescherming van de veiligheid van mens of dier, regels over:

(…)

b. de identificatie van de dieren, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel d, alsmede levende producten daarvan, waaronder in ieder geval over de wijze waarop identificatie plaatsvindt;

(…)

4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde regels kunnen voor de hierin te onderscheiden categorieën van houders van dieren of levende dierlijke producten en voor dieren behorend tot of levende dierlijke producten afkomstig van de hierin te onderscheiden diersoorten verschillend vastgesteld worden en kunnen een verbod inhouden om dieren of levende dierlijke producten te houden, te verhandelen, te vervoeren, aan te voeren of af te voeren, tenzij is voldaan aan titel I van verordening 1760/2000, verordening 21/2004 en aan het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

Regeling I&R

Artikel 38s

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, eerste en tweede lid, (…), 11, tweede lid, (…) van Verordening (EG) nr. 504/2008.

(...)

Artikel 38u

1. Een houder van een paardachtige draagt er zorg voor dat de paardachtige geïdentificeerd wordt overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 504/2008.

(…)

3. In aanvulling op artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 504/2008 wordt de transponder aan de linkerkant van de hals van de paardachtige geïmplanteerd.

(…)

Artikel 39

Het is verboden dieren die niet overeenkomstig deze regeling zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd, te houden, te verhandelen, te vervoeren, aan te voeren of af te voeren.

4.2

Vast staat dat de paarden van appellant niet zijn geïdentificeerd zoals de Regeling I&R voorschrijft in artikel 38u, eerste lid, en appellant aldus in strijd handelt met artikel 39 van de Regeling I&R. Niet ter discussie staat dat registratie en identificatie van dieren, in dit geval paarden, nodig is in het kader van onder meer de voedselveiligheid. Het bezwaar van

appellant bestaat in de wijze waarop de identificatie plaatsvindt te weten door het aanbrengen van een chip in de hals van het paard. Daarbij strekt het door appellant aangevoerde betoog er in feite toe dat de bepaling waarin deze methode van identificatie wordt voorgeschreven voor hem buiten toepassing moet blijven.

4.3

Hetgeen appellant beoogt kan alleen slagen indien geoordeeld zou moeten worden dat artikel 39 van de Regeling I&R, een algemeen verbindend voorschrift, onverbindend moet worden geacht. Volgens vaste jurisprudentie van het College, zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BR0231), kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat de voorschriften een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kunnen doorstaan. Meer in het bijzonder zou van dit laatste sprake kunnen zijn in het geval van willekeur, in dier voege dat de regelgever, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van het tot stand brengen van de voorschriften bekend waren of bekend konden zijn, niet in redelijkheid tot de vaststelling daarvan heeft kunnen komen.

4.4

Het College oordeelt allereerst dat voor zover appellant betoogt dat de keuze om één methode van identificatie toe te staan in strijd is met Verordening (EG) 504/2008, waarbij om dit argument kracht bij te zetten is verwezen naar de nog in werking te treden Verordening (EG) 262/2015, dit betoog niet slaagt. Op grond van de hiervoor weergegeven Unierechtelijke regels op dit gebied mogen de lidstaten geschikte alternatieve methoden voor de verificatie van de identiteit van in de Unie geboren paardachtigen, met inbegrip van merken, toestaan, mits alle toegelaten alternatieve methoden voor de verificatie van de identiteit of alle combinaties van deze methoden ten minste dezelfde garanties bieden als de geïmplanteerde transponder én de alternatieve methoden niet worden toegepast als de enige methode om de identiteit van de meerderheid van de overeenkomstig deze verordening op hun grondgebied geïdentificeerde paardachtigen te verifiëren. Gelet op de term ‘mogen’ en de hierbij gestelde voorwaarden, waarvan ook sprake is in artikel 21 van de nog in werking te treden Verordening (EG) 262/2015, volgt duidelijk dat het toestaan van een alternatieve methode geen voorgeschreven verplichting is. Gelet op hetgeen in 4.3 is weergegeven, ziet het College geen grond voor het oordeel dat de regelgever door geen alternatieve identificatiemethode toe te staan heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur zoals hiervoor omschreven.

4.5

Het recht op vrijheid van geweten, waar appellant zich op beroept, is neergelegd in artikel 9 EVRM. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen aan geen andere beperkingen kan worden onderworpen dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Anders dan door appellant betoogt, ziet het College geen grond voor het oordeel dat het handhaven van de in Nederland geldende methode van identificatie, op grond waarvan de last onder dwangsom is opgelegd, in het onderhavige geval in strijd is met het recht op vrijheid van geweten, reeds omdat de inperking van dat recht gerechtvaardigd is. De identificatieplicht is een bij de wet voorziene beperking en deze verplichting is naar het oordeel van het College noodzakelijk in het belang van de bescherming van de gezondheid van mens en dier, alsmede evenredig aan het nagestreefde doel. De wijze waarop invulling is gegeven aan de identificatieverplichting kan naar het oordeel van het College bovendien niet als disproportioneel worden aangemerkt. Uit het enkele bestaan van andere identificatiemiddelen volgt dit niet. Ook hetgeen appellant verder in dit kader heeft aangevoerd is, mede in het licht van hetgeen verweerder daar tegenover heeft gesteld, onvoldoende voor die conclusie.

4.6

Vanwege de door verweerder naar voren gebrachte argumenten inzake het belang van de traceerbaarheid van paarden, de voedselveiligheid en in de praktijk uitvoerbare handhaving ziet het College evenmin grond voor het oordeel dat handhaving van de voorgeschreven methode van identificatie, en in verband daarmee de toepassing van bestuursdwang, in het onderhavige geval in strijd is met het verbod van discriminatie, zoals behalve in artikel 1 van de Grondwet ook neergelegd in artikel 14 EVRM.

4.7

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de voorgeschreven methode van identificatie in strijd is met een aantal bepalingen uit de Wet Dieren. In artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Dieren is bepaald dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Het ter identificatie inbrengen van een chip levert geen overtreding op van dit verbod, nu dit een redelijk doel dient en in artikel 2.8, tweede lid, sub b, van de Wet Dieren juncto artikel 2.6, sub b, van het Besluit diergeneeskundigen voor het inbrengen van een chip ter identificatie een uitzondering is gemaakt op het verbod lichamelijke ingrepen te verrichten bij dieren. Hieruit volgt dat ook het beroep op artikel 1.3 van de wet Dieren niet kan slagen, terwijl het beroep op artikel 1.4 van de Wet Dieren buiten beschouwing kan worden gelaten nu deze bepaling nog niet in werking is getreden.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk