Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:343

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
13/577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

glb

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/577

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(mr. ir. J.L. Mieras),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2012 heeft verweerder de waarde van de toeslagrechten van appellant met betrekking tot vezelvlas en zaaizaad vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op grond van de Regeling.

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft verweerder beslist tot korting van de waarde van de toeslagrechten van appellant met betrekking tot vezelvlas en zaaizaad.

Tegen de besluiten van 31 januari 2013 en 11 februari 2013 heeft appellant bij brief van
18 februari 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen de besluiten van 31 januari 2013 en 11 februari 2013 ongegrond verklaard en voor zover gericht tegen het besluit van 24 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen van andere appellanten tegen besluiten van verweerder, geregistreerd onder nummers 13/576 en 13/578 tot en met 13/585. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens verweerder is tevens [naam 2] verschenen. Na de zitting heeft het College de behandeling van de zaken gesplitst en bepaald dat daarin afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij brief van 9 maart 2012 heeft verweerder appellant geïnformeerd over de bij verweerder bekende referentiegegevens van het bedrijf van appellant ten aanzien van vezelvlas en zaaizaad. In een bijlage bij deze brief zijn deze referentiegegevens neergelegd. Verweerder heeft daarin medegedeeld uit te gaan van 26.182 kg zaaizaad waarvoor appellant in 2008 steun heeft ontvangen en 46.9 hectares vezelvlas uit (een) verkoopcontract(en) en/of verwerkingsverbintenis(sen). Bij deze brief is appellant tevens geïnformeerd over de mogelijkheid de referentiegegevens te controleren en eventuele onjuistheden door te geven.

1.2

Op 12 april 2012 heeft appellant digitaal doorgegeven dat de bij verweerder bekend zijnde referentiegegevens niet juist zijn, omdat appellant voor 82.037 kg zaaizaad steun heeft ontvangen en vezelvlas heeft verbouwd op 147 hectares grond. Op 12 april 2012 en op
16 april 2012 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de in genoemde bijlage bij de brief van
9 maart 2012 vastgestelde referentiegegevens. Bij brief van 16 november 2012 heeft verweerder appellant medegedeeld dat verweerder de referentiegegevens opnieuw beoordeeld heeft en dat appellant een nieuw Overzicht geregistreerde toeslagrechten zal ontvangen, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

1.3

Verweerder heeft dit Overzicht aan appellant verstrekt op 24 december 2012. Hierin heeft verweerder de waarde van de toeslagrechten van appellant voor vezelvlas en zaaizaad vastgesteld in verband met de indaling van de subsidies voor vezelvlas en zaaizaad in de bedrijfstoeslagregeling.

1.4

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op basis van de nieuwe waarde van de toeslagrechten van appellant met betrekking tot vezelvlas en zaaizaad.

1.5

Op 11 februari 2013 heeft verweerder beslist tot een korting op de waarde van de vastgestelde toeslagrechten van appellant voor vezelvlas en zaaizaad van 1%.

1.6

Appellant heeft bij brief van 18 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van
31 januari 2013 en 11 februari 2013. Dit bezwaarschrift is op 20 februari 2013 door verweerder ontvangen.

1.7

Verweerder heeft het bezwaar gericht tegen het besluit van 11 februari 2013 opgevat als tevens te zijn gericht tegen het besluit van 24 december 2012, aangezien appellant zich uitsluitend verzet tegen de vaststelling van de waarde van de toeslagrechten zelf, hetgeen is neergelegd in het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 24 december 2012. Bij brief van 22 maart 2013 heeft verweerder appellant erop gewezen dat dit bezwaar tegen het besluit van 24 december 2012 buiten de termijn van zes weken is ingediend en hem in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan hem kan worden toegerekend. Bij brief van 25 maart 2013 heeft appellant hierop gereageerd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 24 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant onverschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. De bezwaartermijn liep namelijk tot en met 4 februari 2013. Voor zover het bezwaar van appellant is gericht tegen het besluit van 11 februari 2013, heeft verweerder dit ongegrond verklaard. Inhoudelijk richtte het bezwaar zich tegen de vaststelling van de waarde van toeslagrechten op basis van de referentiegegevens vezelvlas en hennep van 2008, terwijl het besluit van 11 februari 2013 niet die vaststelling betrof, maar een korting op de waarde van de toeslagrechten. Verweerder heeft het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 31 januari 2013 eveneens ongegrond verklaard, aangezien dit besluit evenmin een vaststelling van de waarde van de toeslagrechten betrof.

3. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn bezwaar tegen het besluit van 24 december 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant meent dat hij tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend tegen dit besluit. Op 12 en 16 april 2012 heeft appellant al kenbaar gemaakt niet akkoord te gaan met de vaststelling van de waarde van de toeslagrechten zoals die uit het overzicht bij de brief van 9 maart 2012 bleek. Dit moet opgevat worden als een bezwaar tegen het besluit van 24 december 2012. Voor zover het bezwaar van appellant niet tijdig is ingediend, is dat in ieder geval verschoonbaar, gelet op de hoge leeftijd van appellant en het feit dat appellant wegens een heftruckongeval geopereerd moest worden. Daarnaast heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van
11 februari 2013. Uit de tekst van dit besluit kan redelijkerwijs niet anders worden opgemaakt dan dat tegen het niet goed verwerken van het toevoegen van zaaizaad en vezelvlas binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt.

4. Voor zover appellant betoogt dat de op 12 en 16 april 2012 aan verweerder verzonden reacties op de kennisgeving van 9 maart 2012 moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 24 december 2012, stelt het College vast dat dit bezwaarschrift voor het begin van de termijn is ingediend. Hoewel artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur ingediend bezwaarschrift in twee situaties achterwege blijft, moet worden geoordeeld dat die situaties zich hier niet voordoen. Uit de tekst van de brief van 9 maart 2012 blijkt dat deze geen ander doel heeft dan appellant tot en met 15 april 2012 in de gelegenheid te stellen te controleren of de bij verweerder op dat moment bekend zijnde referentiegegevens, die verweerder nodig heeft voor de nog uit te voeren berekening van de waarde van de toeslagrechten van appellant in verband met de indaling van de subsidies voor vezelvlas en zaaizaad in de bedrijfstoeslagregeling en zijn vermeld in de bijlage bij de brief, juist zijn. In de brief is verder vermeld dat, als appellant reageert, hij een schriftelijk bericht ontvangt over de afhandeling van deze reactie, dat in die brief staat wat het voorlopige referentiebedrag is en in welke periode hij de definitieve beslissing ontvangt. In de brief en de bijlage wijst niets er dus op dat verweerder de waarde van de toeslagrechten in verband met vermelde indaling, vooruitlopend op de eventuele reactie van appellant op de vermelde referentiegegevens, reeds heeft vastgesteld. Appellant kon derhalve op 12 en 16 april 2012 niet redelijkerwijs menen dat reeds een besluit over de waarde van zijn toeslagrechten in verband met de indaling van de subsidies voor vezelvlas en zaaizaad in de bedrijfstoeslagregeling tot stand was gekomen.

Voor zover appellant met zijn bezwaarschrift van 20 februari 2013 tevens bezwaar beoogt te maken tegen het besluit van 24 december 2012, is niet in geschil dat dit na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. De door appellant aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot het oordeel leiden dat de termijn verschoonbaar is overschreden. Voor zover appellant als gevolg van de door hem genoemde omstandigheden niet in staat kon worden geacht zelf tijdig bezwaar te maken tegen vermeld besluit, mocht van hem worden verwacht dat hij een derde had ingeschakeld ter behartiging van zijn belangen. De stelling van appellant dat in het Overzicht geregistreerde toeslagrechten van 11 februari 2013 staat dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt tegen het niet goed verwerken van de toevoeging van vezelvlas en zaaizaad berust op een onjuiste lezing van dit besluit, nu daarin uitdrukkelijk als reden van het overzicht “Korting toeslagrechten 2012” wordt vermeld. Verweerder heeft het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 24 december 2012 dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant is in zoverre dus ongegrond.

5. Voor zover het beroep van appellant zich richt tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de besluiten van 31 januari 2013 en 11 februari 2013, stelt het College vast dat de beroepsgronden van appellant zich in feite richten tegen de vaststelling van de waarde van de toeslagrechten met betrekking tot vezelvlas en zaaizaad en aldus tegen het besluit van
24 december 2012. Het bezwaar tegen dat besluit is, zoals het College reeds onder 4 heeft overwogen, door verweerder terecht niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de besluiten van
31 januari 2013 en 11 februari 2013 zelf heeft appellant geen gronden aangevoerd, zodat verweerder het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen deze besluiten terecht ongegrond heeft verklaard. Ook in zoverre is het beroep van appellant ongegrond.

6. Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. Venekamp en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld