Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:341

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
13/761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Schending van de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en deskundigheid en zorgvuldigheid. Betrokkene was ervan op de hoogte dat eenzijding opgestelde 'pro forma' stukken zouden worden gebruikt in een gerechtelijke procedure. Betrokkene kon niet volstaan met onderzoek naar de aanvaardbaarheid van daarin neergelegde stellingen op basis van enkel door zijn cliënt verstrekte informatie, maar had aan de hand van verifieerbare gegevens moeten vaststellen dat daarvoor een deugdelijke grondslag b estond. Betrokkene had geen verantwoordelijkheid met betrekking tot openbaarmaking van de jaarrekening. Oplegging maatregel schriftelijke waarschuwing

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/761

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellante,

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 30 augustus 2013, gegeven op een klacht, op 30 januari 2013 door appellante en [naam 2] (de echtgenoot van appellante; hierna: [naam 2] )

ingediend tegen [betrokkene] (betrokkene)

(gemachtigde van betrokkene: mr. W.K. van den Berg).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

30 augustus 2013, met nummer 13/305 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:31).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Vervolgens heeft appellante een aanvullend beroepschrift ingediend en een aantal nadere stukken overgelegd.


Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het aanvullend beroepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Partijen zijn verschenen, waarbij betrokkene is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene heeft de geconsolideerde jaarrekening van [naam 3] B.V. (hierna: [naam 3] ) en vier dochtervennootschappen over de boekjaren 2006 tot en met 2010 gecontroleerd. Die dochtervennootschappen betreffen [naam 4] B.V. (hierna: [naam 4] ), [naam 5] B.V., [naam 6] B.V. en [naam 7] .

1.3

[naam 8] B.V. (hierna: [naam 8] ) houdt 70,5% van de gecertificeerde aandelen in [naam 3] . Over de boekjaren 2006 tot en met 2010 heeft betrokkene voorts de jaarrekening van [naam 8] samengesteld.

1.4

[naam 2] is tot oktober 2001 bestuurder geweest van [naam 3] . Na zijn terugtreden als bestuurder van [naam 3] heeft hij zijn aandelen in [naam 3] verkocht aan [naam 8] voor een bedrag van Hfl. 15.000,00. In 2003 heeft de Belastingdienst die verkoopprijs vanuit fiscaal perspectief als niet acceptabel beoordeeld. [naam 8] is vervolgens met de Belastingdienst een hogere fiscale waarde voor de aandelen overeengekomen. In de jaarrekening van [naam 8] is daarop een schuld aan [naam 2] opgenomen ter grootte van € 181.816,00.

1.5

Daarna is [naam 2] enkele jaren in dienst geweest van [naam 4] en [naam 7] . Op
30 april 2008 is [naam 2] door [naam 7] op staande voet ontslagen, waarna tussen hem enerzijds en [naam 3] , [naam 8] en [naam 4] anderzijds diverse gerechtelijke procedures zijn ontstaan, onder meer ter incassering van de hiervoor onder 1.4 omschreven vordering die [naam 2] meent te hebben op [naam 8] .

1.6

In 2010 heeft het bestuur van [naam 8] zich op het standpunt gesteld dat vanaf 2003 ten onrechte een schuld aan [naam 2] in de jaarrekeningen was opgenomen. [naam 8] heeft vervolgens aan betrokkene gevraagd om voor de jaren 2003 tot en met 2009 opstellingen te maken waarin die schuld uit de balans zou zijn verwijderd. Betrokkene is daartoe overgegaan en heeft ‘pro forma’ stukken opgesteld.

1.7

Betrokkene heeft per brief van 28 oktober 2010 die op blanco papier opgestelde ‘pro forma’ stukken aan [naam 8] aangeboden. De door betrokkene opgestelde ‘pro forma’ stukken zijn ingebracht in de tussen [naam 8] en [naam 2] aanhangige gerechtelijke procedure.

1.8

In 2011 heeft betrokkene in opdracht van [naam 8] op basis van dezelfde cijfers als in de ‘pro forma’ stukken nieuwe jaarrekeningen samengesteld voor de jaren 2003 tot en met 2009. [naam 8] heeft deze jaarstukken vervolgens gedeponeerd.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, bestaat uit zeven, als a. tot en met g. geduide, onderdelen. Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verder verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak, die als hier ingelast wordt beschouwd.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht, voor zover betrekking hebbend op een deel van klachtonderdeel b., gegrond, en, voor het overige, ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft ter zake geen maatregel opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
De eerste grief van appellante richt zich tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a, inhoudende het verwijt dat het betrokkene valt aan te rekenen dat de jaarstukken van [naam 3] en [naam 8] te laat zijn gedeponeerd. Volgens appellante had betrokkene zijn cliënt moeten wijzen op de plicht dat tijdig te doen. Appellante heeft betrokkene herhaaldelijk bericht dat [naam 8] haar wettelijke verplichtingen niet nakwam. Bovendien was betrokkene er destijds van op de hoogte dat appellante inzage in de jaarrekeningen nodig had in verband met een lopende gerechtelijke procedure tussen [naam 2] en [naam 8] , aldus appellante.

Deze grief faalt. Het College wijst er met de accountantskamer op dat de verplichting om de jaarrekening tijdig en op de voorgeschreven wijze openbaar te maken op grond van artikel 2:394 van het Burgerlijk Wetboek bij de rechtspersoon zelf ligt en niet bij de accountant. Voorts heeft betrokkene onbestreden gesteld dat een verplichting om zijn cliënt(en) te wijzen op de deponeringsplicht niet binnen het bereik van zijn opdracht viel. De omstandigheid dat betrokkene ervan op de hoogte was dat appellante inzage in de jaarrekeningen nodig had in het kader van een lopende gerechtelijke procedure, betekent niet dat op betrokkene de verantwoordelijkheid rustte [naam 3] en [naam 8] te wijzen op de deponeringsplicht. Uit de door appellante aangehaalde uitspraak van de accountantskamer van 10 februari 2012 (ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0235) valt overigens niet af te leiden dat een accountant in zijn algemeenheid de verplichting heeft om de jaarrekening van zijn opdrachtgever tijdig openbaar te (laten) maken dan wel de opdrachtgever op de deponeringsplicht te wijzen. In die zaak is de accountantskamer uitgegaan van de erkenning van de betrokken accountant dat het hem was aan te rekenen dat hij niet erop had toegezien dat de rechtspersoon de jaarrekeningen (tijdig) had vastgesteld en gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Een zodanige erkenning is echter in dit geval niet aan de orde.

Voorts brengt appellante in verband met deze grief naar voren het verwijt dat [naam 9] B.V., waarvoor betrokkene destijds werkzaam was, aan het ontslag van haar echtgenoot heeft meegewerkt. Het College stelt vast dat appellante dit verwijt eerst in hoger beroep maakt. Aangezien het vaste rechtspraak van het College is dat een aanvulling of uitbreiding van de klacht niet toegelaten is in het kader van hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0165), gaat het College aan dit nieuwe verwijt voorbij.

4. De tweede grief van appellante richt zich tegen de ongegrondverklaring van een gedeelte van klachtonderdeel c. Appellante voert aan dat betrokkene direct had moeten optreden tegen het feit dat [naam 3] de concept-jaarstukken 2008 had gedeponeerd. Betrokkene was bovendien wel degelijk op de hoogte van het feit dat de concept-jaarstukken waren gedeponeerd, want appellante heeft hem hierover per brief bericht, aldus appellante.

Allereerst volgt het College betrokkene niet in zijn standpunt dat appellante met deze grief in hoger beroep de klacht op ongeoorloofde wijze heeft uitgebreid. Het hier aan de orde zijnde klachtonderdeel c houdt in dat de concept-jaarstukken van [naam 3] ten onrechte en in strijd met de wettelijke voorschriften zijn gedeponeerd en geen getrouw beeld geven. In dat klachtonderdeel kan, gelet ook op de specifieke context waarin dit klachtonderdeel is geplaatst, naar het oordeel van het College mede begrepen worden geacht het verwijt dat betrokkene – na deponering van de concept-jaarstukken – had moeten optreden.

De grief faalt evenwel. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, had betrokkene jegens [naam 3] geen aanwijsbare verantwoordelijkheid of zorgplicht haar te wijzen op de deponeringsplicht. In dat kader valt niet in te zien dat betrokkene wel een plicht had zijn cliënt aan te spreken op het depot van de concept-jaarstukken of naar aanleiding daarvan anderszins op te treden tegen zijn cliënt. Het College acht daarbij van belang dat – naar wordt aangenomen op grond van het ter zake door betrokkene gestelde – uit de gedeponeerde jaarstukken duidelijk was dat het om concept-jaarstukken ging, waarbij geen goedkeurende verklaring was afgegeven.

5. Voorts richt appellante een grief tegen het oordeel van de accountantskamer dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de concept-jaarstukken van [naam 3] geen getrouw beeld geven, omdat daarin slechts een vordering op [naam 2] is opgenomen ten behoeve van de gerechtelijke procedure. Volgens appellante is de accountantskamer ten onrechte ervan uit gegaan dat de informatie van betrokkene juist is. In de definitieve jaarstukken 2008 is namelijk geen voorziening wegens oninbaarheid opgenomen. Verder is volkomen onduidelijk met welk deel de vordering is verrekend, aldus appellante.

Het College volgt betrokkene niet in zijn standpunt dat deze grief tardief is omdat de grief pas in het aanvullend beroepschrift naar voren is gebracht en om die reden buiten beschouwing moet blijven. Deze grief is nauw verweven met de vorige, onder 4 besproken, grief, omdat, zoals in klachtonderdeel c. tot uitdrukking is gebracht, appellante betrokkene niet alleen verwijt dat de concept-jaarstukken van [naam 3] ten onrechte en in strijd met de wettelijke voorschriften zijn gedeponeerd maar ook dat die stukken geen getrouw beeld geven. Voorts wijst het College erop dat betrokkene in zijn reactie op het aanvullend beroepschrift inhoudelijk heeft gereageerd op deze grief van appellante.

Deze – derde – grief faalt evenwel. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat betrokkene de betreffende vordering alleen in de concept-jaarstukken heeft opgenomen ten behoeve van een gerechtelijke procedure. Appellante miskent dat, zoals betrokkene ook heeft uiteengezet, uit de toelichting op de balans van de definitieve jaarrekening 2008 blijkt dat de vordering op [naam 2] deels is verrekend en deels is voorzien wegens oninbaarheid. Hierin staat:

“Onder de overige vorderingen is een vordering op een broer van de directeur opgenomen. Deze vordering bedraagt ultimo 2008 circa € 125.000 nominaal (2007: € 122.000). Er is geen overeenkomst tot aflossing opgesteld. Over de rekening-courantverhouding is 3,5 % rente berekend. De waardering is ultimo 2008 onder verrekening van de nog openstaande schulden op nihil gezet vanwege onzekerheden met betrekking tot de inbaarheid van deze vordering.”

6. Appellante richt haar vierde grief tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel d, inhoudende dat betrokkene heeft nagelaten het beslag van [naam 2] op de certificaten van de door [naam 8] gehouden aandelen in [naam 3] te vermelden in de jaarrekening van [naam 8] en in het aandeelhoudersregister. Appellante brengt naar voren dat betrokkene op de hoogte was van het beslag, omdat zij hem daarover bij verschillende brieven had geïnformeerd. Volgens appellante had betrokkene op grond van zijn zorgvuldigheidsplicht deze relevante informatie in de jaarstukken moeten vermelden. Betrokkene heeft bovendien ten onrechte niet eigener beweging geconstateerd dat de informatie die hij verkreeg van zijn cliënt onbetrouwbaar was. Dit had wel op zijn weg gelegen, omdat appellante betrokkene heeft aangeschreven over het bestaan van de vordering van [naam 2] op de cliënt van betrokkene. Artikel 14 van Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden (NV COS) 4410 schrijft ook met zoveel woorden voor dat de accountant aanvullende informatie vraagt, indien hij constateert dat de verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, aldus appellante.

Betrokkene betwist dat hij op de hoogte was van het beslag op de certificaten. De brieven waarnaar appellante verwijst bevatten geen mededeling van het gelegde beslag en het enkele feit dat er een gerechtelijke procedure aanhangig was, rechtvaardigt niet de conclusie dat betrokkene bedacht had moeten zijn op een beslag op de certificaten. Bovendien mocht betrokkene, als samenstellend accountant, uitgaan van de informatie die het bestuur van de vennootschap hem verschafte en hoefde hij deze niet te verifiëren. De situatie waarop artikel 14 van NV COS 4410 ziet, heeft zich dan ook niet voorgedaan, omdat betrokkene niet heeft kunnen constateren dat de informatie die hij van zijn cliënt verkreeg onjuist of onvolledig was.

Het College stelt vast dat appellante tegenover de hierboven verkort weergegeven, gemotiveerde betwisting van betrokkene geen nadere feiten en/of omstandigheden heeft gepresenteerd die haar stellingen, waaronder de stelling dat betrokkene wel op de hoogte was van het beslag, onderbouwen. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van het College niet aannemelijk geworden dat betrokkene wist van het gelegde beslag, dan wel dat hij op andere gronden aanleiding had moeten zien om conform artikel 14 van NV COS 4410 de leiding van de entiteit om aanvullende informatie te vragen. De grief faalt.

7. Met de vijfde grief komt appellante op tegen het oordeel van de accountantskamer inzake klachtonderdeel f sub 1, inhoudende dat de jaarrekeningen van [naam 3] ten onrechte op basis van ‘going concern’ zijn opgesteld. Appellante stelt dat de accountantskamer niet in haar beoordeling van de klacht heeft betrokken het verwijt dat ook de jaarrekeningen van [naam 4] ten onrechte ‘going concern’ zijn opgesteld. Die lege vennootschap is immers in 2010 ontbonden.

Betrokkene heeft uiteengezet dat en waarom hij mocht oordelen dat de continuïteitsveronderstelling van de directie van [naam 3] in de jaren 2008 tot en met 2010 aanvaardbaar was. Daarnaast betwist betrokkene dat [naam 4] een lege vennootschap was. Uit de gepubliceerde jaarrekening 2009 blijkt een positief eigen vermogen en werkkapitaal. Er was voor betrokkene bij het opmaken van de jaarrekening dus geen reden om de continuïteit van de vennootschap ter discussie te stellen.

Het College stelt voorop dat de accountantskamer bij de beoordeling van het desbetreffende klachtonderdeel terecht de jaarrekeningen van [naam 3] centraal heeft gesteld. Deze betreffen immers geconsolideerde jaarrekeningen waarin ook de cijfers van [naam 4] zijn verwerkt. In het oordeel van de accountantskamer over de geconsolideerde jaarrekeningen van [naam 3] ligt derhalve het oordeel van betrokkene over de jaarrekeningen van [naam 4] besloten. In zoverre berust de grief van appellante op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en faalt de grief in zoverre. Voorts is het College van oordeel dat appellante, gelet op het gemotiveerde verweer van betrokkene, de stellingen die zij aan de grief ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook in zoverre slaagt de grief niet.

Verder betoogt appellante in verband met deze grief dat [naam 3] in 2010 slechts winst heeft geboekt omdat in dat jaar een (meerderheids)belang in de onderneming is verkocht en andere grondslagen voor de jaarrekening zijn gehanteerd, waarvan betrokkene geen melding heeft gemaakt in de jaarrekening. Appellante wijst erop dat [naam 3] ook in 2011 en 2012 weer verliezen heeft geboekt. Betrokkene had de directieverslagen op juistheid en samenhang met de jaarstukken moeten controleren. Tot slot is ook de bank misleid, aldus appellante.

Het College stelt vast dat appellante met dit eerst in hoger beroep gehouden betoog verwijten naar voren brengt die zij nog niet eerder aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd. Het College merkt deze verwijten aan als nieuwe klachtonderdelen en laat deze hier buiten beschouwing. Zoals hiervoor reeds overwogen is het immers niet toegestaan de klacht aan te vullen of uit te breiden in het kader van hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer.

8. De zesde grief van appellante is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer aangaande klachtonderdeel b dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene wat betreft de inhoud van de ‘pro forma’ stukken, ofwel de verwijdering daaruit van de vordering van [naam 2] op [naam 8] , in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en deskundigheid en zorgvuldigheid. Deze grief slaagt naar het oordeel van het College wel. Hiertoe overweegt het College als volgt.

De accountantskamer heeft ten aanzien van klachtonderdeel b, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij voor ‘klager sub 1’ [naam 2] moet worden gelezen):

“4.10.1 Voorop moet worden gesteld dat het betrokkene voorafgaande aan het opstellen van de ‘pro forma’ stukken wist dat [naam 8] in een conflict met klager sub 1) was verwikkeld geraakt over (onder meer) de op de balans van [naam 8] voorkomende vordering van klager sub 1) op [naam 8] . Verder staat vast dat betrokkene wist dat die stukken, waaruit de vordering van klager sub 1) zou dienen te worden verwijderd, werden gevraagd met het oog op de inmiddels aanhangige gerechtelijke procedure tussen [naam 8] en klager sub 1) en dat in die procedure door [naam 8] een beroep op die stukken zou kunnen worden gedaan.

(…)

4.10.4 Mede gelet op artikel B1-280.1 VGC waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat de openbaar accountant bij het verlenen van een professionele dienst beoordeelt of sprake is van een bedreiging als gevolg van het aanhouden van een relatie met een cliënt en op artikel B1-220.1 VGC waarin is bepaald dat de openbaar accountant dient te signaleren of sprake is van een belangentegenstelling en als gevolg daarvan een bedreiging, had het op de weg van betrokkene gelegen om zich te realiseren dat zijn objectiviteit als gevolg van die vertrouwdheid en band met [naam 8] en de tegenstelling van belangen tussen [naam 8] en klager sub 1) zou kunnen worden bedreigd.

4.10.5 Voor de beoordeling van die bedreiging voor zijn objectiviteit zijn eveneens de specifieke aspecten van de opdracht en van de aard van de werkzaamheden die de accountant uitvoert van belang. Deze aspecten betreffen in de onderhavige kwestie naar het oordeel van de Accountantskamer de wetenschap van betrokkene dat de ‘pro forma’ stukken (mede) als grondslag dienden voor de onderbouwing van het verweer van [naam 8] tegen de vordering van klager sub 1) en de omstandigheid dat de werkzaamheden enkel zagen op aangeven van [naam 8] .

4.10.6 Uit wat betrokkene heeft doen aanvoeren, is in voldoende mate gebleken dat hij zich heeft gerealiseerd dat de opdracht van [naam 8] voor hem een bedreiging inhield voor de naleving van de fundamentele beginselen. Betrokkene heeft daartoe immers onbestreden aangevoerd dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de door [naam 8] verlangde verwijdering van de vordering van klager sub 1) uit de balans door daarover te spreken met [naam 10] , met de door [naam 8] ingeschakelde advocaat en door onderliggende documenten te bestuderen, dat hij vervolgens concept-jaarstukken heeft opgesteld zonder dat daaruit blijkt dat zij van hem of van [naam 9] afkomstig zijn en dat hij die stukken heeft voorzien van een beperkende brief van 28 oktober 2010 (…).

4.10.7 Met zijn handelwijze heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer evenwel onvoldoende waarborgen getroffen om voormelde bedreiging weg te nemen (…) De accountant die dergelijke stukken opstelt, heeft niet alleen het belang van zijn opdrachtgever / cliënt maar ook het algemeen belang te dienen (artikel A-100.1 VGC). Dat brengt mee dat een verklaring, doordat de inhoud ervan bijvoorbeeld niet volledig is, niet op deugdelijk onderzoek is gebaseerd of ten onrechte geen voorbehouden bevat, de objectieve waarheidsvinding door de rechter kan belemmeren. Het was dan ook alleszins aangewezen om in die stukken ook te vermelden dat geen zekerheid kon worden gegeven dan wel andere duidelijke voorbehouden te maken.

4.10.8 Een en ander had betrokkene, teneinde bedoelde bedreiging weg te nemen, ertoe moeten brengen de opdracht tot het afgeven van die ‘pro forma’ stukken, conform het bepaalde in artikel B1-220.5 VGC, niet te aanvaarden dan wel, conform het bepaalde in artikel B1-220.3 sub b VGC toestemming van klager sub 1) te verkrijgen alvorens de opdrachten te aanvaarden en uit te voeren, dan wel in die stukken duidelijk te vermelden dat het belichaming betrof van het standpunt van [naam 8] of andere duidelijke voorbehouden te maken, zoals de verplichting aan [naam 8] om alleen dan van die ‘pro forma’ stukken gebruik te maken indien daarbij de begeleidende brief van 28 oktober 2010 zou zijn gevoegd.

4.10.9 Met het nalaten van een en ander heeft betrokkene het conceptueel raamwerk van de VGC onvoldoende nageleefd en in strijd gehandeld met onder meer artikel A-100.5 en volgende VGC. Betrokkene heeft in zoverre in strijd gehandeld met het voor hem geldende fundamentele beginsel van professioneel gedrag als bedoeld in artikel A-100.4 sub e. en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-150 van de VGC, en van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 sub c. en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-130 van de VGC.

4.10.10 Wat betreft de inhoud van de ‘pro forma’stukken, ofwel de verwijdering daaruit van de vordering van klager sub 1 op [naam 8] , geldt dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van zorgvuldigheid en deskundigheid en professioneel gedrag.”

Om te beginnen moet worden geoordeeld dat voor de door betrokkene in diens verweerschrift in hoger beroep verzochte beoordeling van het onder 4.10.1 tot en met 4.10.9 gegeven oordeel van de accountantskamer in deze hoger beroepszaak geen plaats is. Zoals het College eerder heeft overwogen voorziet de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) niet in de mogelijkheid om nog na het verstrijken van de beroepstermijn van zes weken hoger beroep in te stellen, ook niet bij wege van voorwaardelijk of incidenteel hoger beroep (uitspraak van 13 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:60).

Voorts is het College van oordeel dat, nu, zoals uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt, betrokkene ervan op de hoogte was dat de ‘pro forma’ stukken zouden worden gebruikt in een lopende gerechtelijke procedure tussen [naam 2] en [naam 8] , betrokkene zich aan de hand van verifieerbare gegevens ervan had moeten vergewissen dat een deugdelijke grondslag bestond voor de verwijdering van de vordering van [naam 2] . Vast is komen te staan dat betrokkene slechts heeft volstaan met een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van het door [naam 8] ingenomen standpunt ter zake zoals vermeld in de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 4.10.6 van de accountantskamer. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat betrokkene – tevens – ten aanzien van de inhoud van de ‘pro forma’ stukken de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden.

9. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Het College zal de uitspraak van de accountantskamer voor zover het betreft de gedeeltelijke ongegrondverklaring van klachtonderdeel b vernietigen en met toepassing van artikel 43i van de Wtra de zaak zelf afdoen en klachtonderdeel b. alsnog in zijn geheel gegrond verklaren. Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Betrokkene heeft de fundamentele beginselen van professioneel gedrag en van deskundigheid en zorgvuldigheid geschonden. Aldus heeft hij er blijk van gegeven de belangen van derden, in dit geval in het bijzonder de belangen van appellante en haar echtgenoot, bij zijn werkzaamheden onvoldoende voor ogen te hebben gehouden. Gezien de aard en ernst van de overtredingen en de omstandigheden van het geval, acht het College het opleggen van de maatregel van schriftelijke waarschuwing in dit geval passend en geboden. Het College zal de uitspraak van de accountantskamer, gelet hierop, ook wat betreft het niet opleggen van een maatregel vernietigen. De laatste grief van appellante, die is gericht tegen het niet opleggen van een maatregel door de accountantskamer, is om deze reden reeds gegrond en behoeft derhalve geen verdere bespreking meer.

11. De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover het betreft de gedeeltelijke ongegrondverklaring van klachtonderdeel b. en het niet opleggen van een maatregel;

- verklaart klachtonderdeel b. in zijn geheel gegrond;

- legt betrokkene de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. A. Venekamp en mr. T.L. de Vries, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2015.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.J. de Jong