Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:337

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
12/740 12/962
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2013:327
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
MR. E. THOMAS annotatie in NTFR 2015/2948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/740, 12/962

27000

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch. H.J. Lam - Tjabbes).

Procesverloop

Het College heeft in het geding tussen partijen op 17 december 2013 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2013:327).

Bij brief van 18 maart 2014 heeft verweerder naar aanleiding van deze tussenuitspraak een aanvullende motivering verstrekt en stukken overgelegd. Op 22 april 2014 heeft appellante haar zienswijze hierop aan het College gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2015. Appellante en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Zij hebben zich laten vergezellen door respectievelijk [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Voor de grondslag van het geschil verwijst het College naar de hiervoor genoemde tussenuitspraak van 17 december 2013. In die tussenuitspraak heeft het College, samengevat weergegeven, geoordeeld dat de bestreden besluiten van respectievelijk 19 juni 2012 (beroep geregistreerd onder nr. 12/740) en 17 september 2012 (beroep geregistreerd onder nr. 12/962) in strijd met artikel 7:12 Awb niet berusten op een deugdelijke motivering voor wat betreft verweerders opvatting dat Stichting LaMer geen samenwerkingsverband is van degenen die een onderneming drijven in de zin van artikel 1, onder l, sub 2, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering 1995 (Wva). Het College heeft verweerder opgedragen om dit gebrek te herstellen dan wel geheel nieuwe besluiten te nemen.

2.1

Verweerder heeft geen nieuwe besluiten genomen maar heeft zijn motivering van de bestreden besluiten aangevuld. Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt tevens een tweetal passages overgelegd uit de Handleiding WBSO 2012 en een brief die hij aan alle bij hem bekende opdrachtgevers van contractresearch in 2007 zou hebben gezonden. Verweerder heeft de criteria die hij hanteert voor de beoordeling of er sprake is van een S&O-inhoudingsplichtige in zijn brief van 18 maart 2014 nader uiteengezet. Daarbij heeft verweerder onder meer vermeld dat bij samenwerkingsverbanden waarbij ook buitenlandse partijen deelnemer zijn, er in zijn visie alleen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van de Wva (i) voor zover de samenwerkingsverbanden specifiek en uitsluitend zijn aangegaan voor het verrichten van S&O, en (ii) actieve betrokkenheid van de deelnemende ondernemingen bestaat bij het verrichten van S&O.

2.2

In zijn nadere motivering handhaaft verweerder zijn standpunt dat Stichting LaMer geen samenwerkingsverband is in de zin van artikel 1, onder l, sub 2 van de Wva omdat deze stichting een samenwerkingsverband is via een privaatrechtelijke rechtspersoon en niet specifiek is opgericht ten behoeve van het verrichten van S&O. Het contract tussen appellante en Stichting LaMer geeft geen duidelijkheid over de vraag in wiens opdracht en voor rekening van welke Nederlandse ondernemingen er S&O-werkzaamheden zullen worden verricht. Daarnaast is niet duidelijk gemaakt welke Nederlandse ondernemingen actief betrokken zijn bij het verrichten van S&O. Het is voor verweerder daarmee onvoldoende aannemelijk dat het fiscale voordeel ten gunste zal komen aan de Nederlandse ondernemingen binnen Stichting LaMer.

3. Appellante stelt zich op het standpunt dat de door verweerder ingebrachte stukken het in zijn nadere motivering van 18 maart 2014 verwoorde beleid niet onderbouwen. Voorts vinden de door verweerder gehanteerde criteria om te beoordelen of sprake is van een ‘samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven’ volgens appellante geen steun in de wet, de parlementaire behandeling en de jurisprudentie.

4.1

Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder, mede gelet op de nader gegeven motivering, op goede gronden het standpunt heeft gehandhaafd dat appellante niet kan worden beschouwd als S&O-inhoudingsplichtige in de zin van de Wva omdat Stichting LaMer, zijnde de opdrachtgever van appellante, niet kan worden aangemerkt als samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven in de zin van artikel 1, sub 2, van de Wva zoals dit artikel tot 1 januari 2015 luidde. Dienaangaande overweegt het College als volgt

4.2.

Artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wva bepaalt dat onder inhoudingsplichtige wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan voor de heffing van de loonbelasting.

Artikel 1, onder l, sub 2, van de Wva (oud), bepaalt dat onder S&O-inhoudingsplichtige wordt verstaan een inhoudingsplichtige die niet tevens een onderneming drijft, voor zover hij speur- en ontwikkelingswerk verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie.

4.3

Stichting LaMer heeft een twintigtal deelnemers, met name baggerbedrijven. Eén van de deelnemers is een Belgisch bedrijf. Het bestuur van Stichting LaMer wordt benoemd door de deelnemers aan Stichting LaMer. Haar inkomsten zijn afkomstig van de leden en bestaan uit een jaarlijkse bijdrage, een heffing per kubieke meter op basis van de in de betreffende vergunning genoemde hoeveelheden, een garantiestelling en entreegeld.

Stichting LaMer is opgericht om te voorkomen dat iedere zandwinner individueel een milieueffectrapportage moest laten uitvoeren toen enige jaren geleden de milieueffectrapportage voor de commerciële zandwinning op de Noordzee aan de markt werd overgelaten. Zoals ook verwoord in artikel 2 van haar statuten heeft de Stichting LaMer tot doel om bruikbare milieu-effectrapporten ten behoeve van zandwinning op de Noordzee beschikbaar te maken en te houden. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door zorg te dragen voor het opstellen van deze rapporten, deze rapporten ter beschikking te stellen aan deelnemers in de stichting die een belang hebben bij deze rapporten ten behoeve van het verkrijgen van met deze rapporten samenhangende vergunningen en deze rapporten te (laten) monitoren. Binnen deze doelstelling past het dat Stichting LaMer aan appellante opdracht heeft gegeven om het project met als titel “Monitoren ecologische effecten van de zandwinning op de Noordzee” tegen vergoeding te verrichten zodat meer inzicht wordt verkregen in de effecten van voedselverandering en extra slib door zandwinning. In haar aanvragen heeft appellante vermeld dat zij speur -en ontwikkelingswerk zal verrichten in opdracht van Stichting LaMer.

4.4

Het College heeft in het onderzoek ter zitting noch in de (nadere) stukken die verweerder in het geding heeft gebracht aanknopingspunten kunnen vinden die dwingen tot het oordeel dat Stichting LaMer niet als samenwerkingsverband is te beschouwen waarop de wetgever in het kader van de Wva mede het oog heeft gehad. Het College neemt daarbij in aanmerking het doel van deze stichting, de wijze waarop zij haar doel realiseert, de aard van de samenwerking, haar financiering, de besluitvorming van de deelnemers, de benoeming en samenstelling van haar bestuur en de gereglementeerde betrokkenheid van haar deelnemers.

4.5

Dat, in de opvatting van verweerder, niet is voldaan aan het hier door hem gehanteerde vereiste dat het samenwerkingsverband specifiek en uitsluitend is aangegaan voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk alsmede dat daarbij sprake moet zijn van actieve betrokkenheid van de deelnemende ondernemingen, is voor het College geen reden om hierover anders te oordelen. Het motief voor verweerder om aan deze vereisten te toetsen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwerkingsverband, als hiervoor bedoeld, is – zo begrijpt het College - dat verweerder op deze wijze de zekerheid wil vergroten dat het fiscale voordeel ten gunste zal komen aan de Nederlandse ondernemingen binnen Stichting LaMer. In de geschiedenis van de totstandkoming van (de voorloper van) het hier toepasselijke normatieve kader is dit punt aan de orde geweest. Het College wijst in dit verband op de volgende passages:

De Raad van State heeft als volgt geadviseerd:

“15. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 1 wordt met betrekking tot de contractresearch gesteld, dat aangenomen wordt dat de instituten de door hen genoten premies doorgeven aan de opdrachtgevers. Naar het oordeel van de Raad zou het recht van de opdrachtgevers op deze premies versterkt dienen te worden door een daarop uitdrukkelijk gerichte wettelijke bepaling. Het voorstel ware in deze zin aan te passen.”

De Regering heeft hier aldus op gereageerd:

“15. De aanbeveling van de Raad om een wettelijke bepaling op te nemen die bewerkstelligt dat in het geval van uitbestede S&O de tegemoetkoming door de instelling die het werk uitvoert wordt doorgegeven aan de opdrachtgever, heb ik niet gevolgd. Naar mijn oordeel zou een dergelijke bepaling er weliswaar toe leiden dat de tegemoetkoming formeel tot uiting komt in de prijs voor de uitbestede S&O-activiteiten, maar dit waarborgt nog niet dat de tegemoetkoming ook materieel dit effect heeft. Het laatste hangt dan immers af van de prijs die als uitgangspunt wordt gepresenteerd. Controle op die referentieprijs zou in de praktijk grote problemen met zich brengen. Naar mijn oordeel verdient het daarom verre de voorkeur de doorberekening van de tegemoetkoming in de prijs over te laten aan de werking van de markt.”

(TK 1993-1994, 23 477, B. Vermindering van af te dragen loonbelasting bij loon voor speur- en ontwikkelingswerk (Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk), p 9 en 10, randnummer 15.)

Het realiseren van de door verweerder – aan de hand van twee aanvullende criteria -nagestreefde doelstelling werd bij de totstandkoming van deze regeling door de regering derhalve kennelijk niet beoogd. Bewust is gekozen om niet de benodigde wettelijke grondslag te creëren om op dit punt extra voorwaarden te stellen aan een samenwerkingsverband. Het bij wege van “beleid” of “uitvoeringspraktijk” introduceren van een element dat de wetgever kennelijk bewust niet in het normatieve kader heeft willen onderbrengen levert geen overtuigend argument op om verweerder hier in zijn opvatting te volgen.

5. Aangezien uit de stukken blijkt dat het beoogde speur- en ontwikkelingswerk is terug te voeren op en derhalve geschiedt krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst waarbij appellante in opdracht van en voor rekening van de ondernemingen die via de Stichting LaMer zijn betrokken, haar werkzaamheden verricht, komt het College tot de slotsom dat de hiervoor onder 4.1 geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat de bestreden besluiten nog steeds een draagkrachtige motivering ontberen. Dat betekent dat de bestreden besluiten wegens strijd met het bepaalde bij artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kunnen blijven.

6. Het beroep in beide zaken is gegrond en het College zal de bestreden besluiten vernietigen. Voor finale afdoening van het geschil, zoals door appellante bepleit, is hier geen plaats, omdat verweerder de aanvragen van appellante eerst op hun inhoud zal moeten beoordelen, alvorens te beslissen of appellante voor verlening van de gevraagde S&O verklaringen in aanmerking komt. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College voor beide samenhangende zaken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.715,- (1 punt voor het indienen van twee beroepschriften, 2 punten voor het twee maal verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep in beide zaken gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 620,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.715,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. G.J.P. Leuverink