Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:334

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
12/376 en 12/1016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

AAN-laag

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/376 en 12/1016

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2015 in de zaken tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.W. Genuit),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

12/376
Bij besluit van 21 juni 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 28 februari 2012 (het bestreden besluit Ia) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit Ia beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 12/376.

Bij besluit van 16 november 2012 (het bestreden besluit Ib) heeft verweerder het bestreden besluit Ia herzien, waarbij het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Bij besluit van 12 april 2013 (het bestreden besluit Ic) heeft verweerder het bestreden besluit Ib herzien, waarbij het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Bij besluit van 10 februari 2014 (het bestreden besluit Id) heeft verweerder het bestreden besluit Ic herzien, waarbij het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond is verklaard.

12/1016

Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling.

Bij besluit van 11 september 2012 (het bestreden besluit IIa) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit IIa beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 12/1016.

Bij besluit van 17 februari 2014 ( het bestreden besluit IIb) heeft verweerder het bestreden besluit IIa herzien, waarbij het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een GPS-onderzoek overgelegd ten behoeve van beide procedures.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft het College het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven om door middel van een fysieke controle te onderzoeken of bepaalde oppervlaktes - gelet op de hierop aanwezige vegetatie - voldoen aan de definitie van blijvend grasland, in dit kader tevens de slotenmarges te herbeoordelen, en te bezien of dit onderzoek aanleiding geeft voor een herziening van de bestreden besluiten.

Naar aanleiding van deze fysieke controle die plaatsvond op 27 oktober 2014 heeft verweerder bij besluit van 9 januari 2015 (het bestreden besluit) zowel het bestreden besluit Id in de zaak 12/276, als het bestreden besluit IIb in de zaak 12/1016 herzien. Tevens heeft hij hierbij de primaire besluiten in beide zaken herroepen en de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, waarna het College het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Appellant heeft met zijn Gecombineerde Opgaven 2010 en 2011 uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd.

2. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009, zoals deze ten tijde en voor zover hier van belang gold, wordt de steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling aan landbouwers toegekend na activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Onder subsidiabele hectare wordt ingevolge het tweede lid van dat artikel verstaan: om het even welke landbouwgrond van het bedrijf (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit (…). Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden moeten de betrokken hectaren op om het even welk moment in een kalenderjaar aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde voldoen.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van deze verordening is landbouwgrond grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.

Het beroep met zaaknummer 12/376

3.1

Appellant heeft voor de uitbetaling van zijn 62,56 toeslagrechten voor 2010
27 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 62.94 ha.

3.2

Bij het primaire besluit I heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2010 van appellant vastgesteld op € 30.926,86 op basis van een goedgekeurde oppervlakte van 61.48 ha. Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 1.08 ha afgekeurd.

3.3

Hierna heeft verweerder de bestreden besluiten Ia tot en met Id genomen, waarbij hij steeds het voorgaande bestreden besluit heeft herzien.

3.4

Bij het bestreden besluit van 9 januari 2015 heeft verweerder naar aanleiding van het door appellant overgelegde GPS-onderzoek en de eerdergenoemde fysieke controle de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen vergroot. Dit onder meer, omdat de controleur tijdens de fysieke controle heeft geconstateerd, dat zich op oppervlaktes die verweerder eerder had afgekeurd geen rietkragen bevinden, maar blijvend grasland. Dit leidt tot een totale goedgekeurde oppervlakte van 62.02 ha en de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag 2010 op € 31.194,99. Er resteert een verschil van 0.54 ha tussen de maximale subsidiabele oppervlakte en de thans door verweerder goedgekeurde oppervlakte.

4. Het beroep tegen het bestreden besluit Ia wordt ingevolge artikel 6:18, eerste lid (oud), en artikel 6:19, eerste lid (oud), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen de nadere bestreden besluiten Ib tot en met Id en het bestreden besluit van
9 januari 2015, nu deze niet geheel aan het beroep tegemoetkomen. Niet valt echter in te zien dat appellant nog enig belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de bestreden besluiten Ia tot en met Id, zodat het beroep in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard wordt. Het College komt thans toe aan de behandeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit van 9 januari 2015.

5.1

Appellant voert aan dat verweerder de oppervlaktes van de opgegeven percelen dient vast te stellen overeenkomstig de door [naam 2] uitgevoerde en door appellant in beroep overgelegde GPS-metingen. In de eerste plaats heeft verweerder de wal rond de mestzak op perceel 4 ten onrechte niet subsidiabel geacht. Het gaat hier om grasland, dat bovendien door appellant wordt gemaaid.

5.2

Verweerder stelt dat de aangeleverde resultaten van een GPS-meting nooit zonder meer worden overgenomen. Verweerder hanteert als werkwijze dat de grenzen van de referentiepercelen en de lijnen van de GPS-meting over elkaar worden gelegd en met elkaar worden vergeleken. Op die plaatsen waar verweerder ruimte ziet om de referentiepercelen aan te passen, wordt dat gedaan. Bij de beoordeling of er ruimte is voor aanpassing wordt gebruik gemaakt van de luchtfoto van het betreffende premiejaar. De oppervlakte wordt vervolgens door het systeem opnieuw bepaald, nadat de gewaspercelen opnieuw zijn gecontroleerd met behulp van de aangepaste referentiepercelen. Een GPS-meting is minder nauwkeurig en daarom niet bruikbaar om percelen of de grenzen daarvan in te tekenen in het referentiepercelenregister. De GPS-meting wordt evenmin gebruikt voor de vaststelling van slotenmarges door verweerder. Ten aanzien van de wal/rand rondom de mestzak op perceel 4 heeft verweerder geconstateerd dat deze niet als landbouwgrond kan worden aangemerkt.

5.3

Het College stelt vast dat op de overgelegde luchtfoto’s van 2010 tot en met 2013 is te zien dat de wal rond de mestzak een duidelijk afwijkende kleur heeft vergeleken met het omliggende grasland. Dat het hier desondanks om landbouwgrond als bedoeld in artikel 2, onder h, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zou gaan, heeft appellant naar het oordeel van het College onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop heeft verweerder deze wal terecht niet subsidiabel geacht.

6.1

Volgens appellant is het onverharde pad bij de percelen 18 en 36 subsidiabele landbouwgrond. Appellant maakt nauwelijks gebruik van dit pad.

6.2

Het College stelt vast dat op de overgelegde luchtfoto’s is te zien dat het pad structureel aanwezig is in de jaren 2010 tot en met 2013. Nu de oppervlakte van het pad structureel onbeteeld is, kan deze evenmin gelden als landbouwgrond als bedoeld in artikel 2, onder h, van Verordening (EG) nr. 73/2009. Verweerder heeft deze oppervlakte daarom terecht niet subsidiabel gesteld.

7.1

Appellant stelt verder in zijn reactie op het bestreden besluit van 9 januari 2015 dat hij het oneens is met de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 29. De afgekeurde oppervlakte betreft een ophoging die meegeteld moet worden als subsidiabele oppervlakte.

7.2

Het College overweegt als volgt. Appellant heeft dit perceel niet eerder in het geschil gebracht, terwijl ook in de voorgaande besluiten de oppervlakte van dit perceel door verweerder kleiner werd vastgesteld dan aangevraagd door appellant. De schorsing van het onderzoek ter zitting en het fysieke onderzoek waren uitsluitend gericht op beantwoording van de vraag of bepaalde oppervlaktes - gelet op de hierop aanwezige vegetatie - voldoen aan de definitie van blijvend grasland, en de bijbehorende slotenmarge. Appellant is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op de uitkomst van dat fysieke onderzoek – vervat in het bestreden besluit van 9 januari 2015 – te reageren. Dat onderzoek had geen betrekking op hetgeen appellant nu aanvoert. Om deze reden zal het College deze kwestie verder buiten beschouwing laten.

8.1

Ten aanzien van perceel 8 stelt appellant dat verweerder ter zitting bij het College heeft toegezegd dat de strook grond naast de schuur bij het naastgelegen perceel 8 zou worden meegemeten. Verweerder dient deze strook dan ook als subsidiabele oppervlakte in aanmerking te nemen voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten.

8.2

Het College stelt vast dat, getuige het uittreksel van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 15 oktober 2014, appellant ter zitting heeft toegelicht dat het gewas op de strook grond, die ligt tussen de bomenrij en het erf, hetzelfde is als op perceel 8, en dat het kleurverschil op de foto tussen het gewas van deze strook en perceel 8 wordt verklaard doordat het gewas op de strook later wordt gemaaid. Naar aanleiding van deze toelichting is door verweerder ter zitting toegezegd dat de oppervlakte van deze strook bij de oppervlakte van perceel 8 zal worden gerekend.

8.3

Dat verweerder in het bestreden besluit van 9 januari 2015 terugkomt op deze duidelijke en ongeclausuleerde toezegging door zich wederom op het standpunt te stellen dat deze strook grond tot het erf behoort en niet tot de subsidiabele oppervlakte van perceel 8 vereist op zijn minst een uitvoerige motivering. Verweerders motivering dat op basis van een winterfoto de strook grond visueel bij het erf zou behoren omdat er een vrij duidelijke cultuurgrondscheiding te zien zou zijn, acht het College onvoldoende draagkrachtig en niet overtuigend. Ter zitting was dat kleurverschil op de foto immers besproken. Verweerder heeft toen de verklaring van appellant op dit punt kennelijk aannemelijk geacht, gelet op het feit dat hij de toezegging heeft gedaan om de strook alsnog bij perceel 8 te betrekken. Het College is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt tot twijfel aan de juistheid van de vaststelling door verweerder van de subsidiabele oppervlakte van perceel 8. Het College ziet in hetgeen ter zitting is besproken en het overgelegde materiaal voldoende reden om de betreffende strook grond voor 2010 subsidiabel te achten. Deze grond slaagt.

9. Het beroep van appellant is, voor zover dit is gericht tegen het bij bestreden besluit van 9 januari 2015 vastgestelde oppervlakte van perceel 8, gegrond.

Het beroep met zaaknummer 12/1016

10.1

Voor het jaar 2011 heeft appellant 28 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 62.94 ha ten behoeve van de uitbetaling van zijn 62,56 toeslagrechten.

10.2

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2011 van appellant vastgesteld op € 30.620,49 op basis van een geconstateerde oppervlakte van 62.56 ha.

Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 1.13 ha afgekeurd.

10.3

Hierna heeft verweerder de bestreden besluiten IIa en IIb genomen, waarbij de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond zijn verklaard.

10.4

In het bestreden besluit van 9 januari 2015 heeft verweerder naar aanleiding van het door appellant overgelegde GPS-onderzoek en de fysieke controle de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen vergroot. Dit onder meer, omdat de controleur tijdens de fysieke controle heeft geconstateerd dat zich op oppervlaktes die verweerder eerder had afgekeurd geen rietkragen bevinden, maar blijvend grasland. Dit leidt tot een totale geconstateerde oppervlakte van 62.02 ha en de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag op
€ 30.910,26. Er resteert een verschil van 0.54 ha tussen de maximale subsidiabele oppervlakte en de thans door verweerder goedgekeurde oppervlakte.

11. Het beroep tegen het bestreden besluit IIa wordt ingevolge artikel 6:18, eerste lid (oud), en artikel 6:19, eerste lid (oud), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het nadere bestreden besluit IIb en het bestreden besluit van
9 januari 2015, nu deze niet geheel aan het beroep tegemoetkomen. Niet valt echter in te zien dat appellant nog enig belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de bestreden besluit IIa en IIb, zodat het beroep in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard wordt. Het College komt thans toe aan de behandeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit van 9 januari 2015.

12. Voor de standpunten van partijen en het oordeel van het College hierover verwijst het College naar de onderdelen 5 tot en met 7 van deze uitspraak. Perceel 8 is voor het toeslagjaar 2011 niet in geschil.

13. De conclusie is dat het beroep van appellant voor zover gericht tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor het jaar 2011 ongegrond is.

14. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten voor beide beroepen. Het College ziet hiertoe aanleiding aangezien in de zaak 12/376 het beroep (deels) gegrond is en in de zaak 12/1016 verweerder, hangende het beroep, naar aanleiding van nader onderzoek de oppervlakte van een aantal percelen groter heeft vastgesteld en daarmee gedeeltelijk aan appellants beroep is tegemoet gekomen. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,-- (1 punt voor het indienen van twee beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een halve punt voor een schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1 in samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 12/376 voor zover dit is gericht tegen de bestreden besluiten Ia tot en met Id niet-ontvankelijk en voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 9 januari 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2015 voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 8;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak 12/1016 voor zover dit is gericht tegen de bestreden besluiten IIa en IIb niet-ontvankelijk en voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 9 januari 2015 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht in beide zaken van in totaal € 312,-- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant in beide zaken tot een bedrag van in totaal € 1.225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.

w.g. J. Schukking w.g. C.M. Leliveld