Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:331

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
13/461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Randvoorwaardenkorting op grond van de Regeling vanwege het opzettelijk niet naleven van de Wgb.

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer:13/461

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniëls)

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 20% op de aan appellant voor het jaar 2012 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 17 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Appellant is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant is landbouwer en heeft voor 2012 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. In het kader van de realisatie van het controleproject uien 2012 vond op 29 juni 2012 een controle plaats op het akkerbouwbedrijf van appellant door medewerkers van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit van het ministerie van Economische Zaken (NVWA). Blijkens het Controlerapport inclusief rapport Nalevingspecificatie hebben medewerkers op het perceel van appellant uit de grondlagen 0-3 cm en 3-6 cm grondmonsters genomen. In het monster betreffende grondlaag 0-3 cm is door het Instituut Rikilt te Wageningen de werkzame stof propachloor aangetroffen.

2. Verweerder heeft aan appellant bij besluit van 8 november 2012 een boete opgelegd ter hoogte van € 2.000,- vanwege overtreding van artikel 19 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocide (Wgb). Bij besluit van 30 januari 2013 heeft verweerder het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 februari 2014 ongegrond verklaard (zaaknummer ROT 13/2135, niet gepubliceerd). Appellant heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat de boete in rechte vast staat.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant op grond van de bevindingen bij de controle een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd in verband met het opzettelijk niet-naleven van de randvoorwaarde in artikel 20, eerste en derde lid, van de Wgb. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan de hand van artikel 5 van de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Beleidsregels) heeft verweerder uiteengezet dat appellant met opzet het niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel Ramrod SC (met de werkzame stof propachloor) heeft gebruikt. Verweerder heeft voorts uiteengezet dat de korting in de regel 20% is en dat het controlerapport van de NVWA geen aanknopingspunten biedt voor verhoging of verlaging van de korting. Tot slot heeft verweerder uiteengezet dat het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel niet kan slagen en dat niet is gebleken van een overmachtssituatie.

4. Appellant betwist in beroep niet dat hij propachloor heeft gebruikt. Wel betoogt hij dat geen sprake is van opzettelijk niet-naleven van de randvoorwaarden. Het kan volgens appellant niet anders zijn dan dat hij een restant propachloor die in een andere verpakking zat, moet hebben gebruikt. Appellant bestrijdt dat hij een grote hoeveelheid propachloor heeft gebruikt. In dat kader merkt appellant op dat de producten van zijn akkerbouwbedrijf veelvuldig worden gecontroleerd op residuen en er nooit enig verhoogd residu is gemeten. Voorts voert appellant aan dat de boete in geen verhouding staat tot de overtreding van de Wgb.

5. Verweerder stelt zich, onder verwijzing van naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 27 februari 2014, Van der Ham, C-396/12, (ECLI:EU:C:2014:98), op het standpunt dat vast is komen te staan dat appellant (voorwaardelijk) opzet verweten kan worden. Daartoe voert hij aan dat het verbod op het gebruik van een herbicide met als werkzame stof propachloor een duidelijk verbod betreft dat bovendien reeds jarenlang geldt. Daarnaast geldt volgens verweerder dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een actieve handeling betreft. Een landbouwer dient zich ervan te vergewissen dat hij bij het opmaken van restanten van gewasbeschermingsmiddelen geen middel wordt gebruikt met daarin een niet-toegestane werkzame stof. Indien deze zorgvuldigheid niet wordt betracht, neemt de betreffende landbouwer het risico op de koop toe dat er niet-toegestane middelen worden gespoten.

6.1

Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder appellant terecht een randvoorwaardenkorting van 20% heeft opgelegd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

6.2

Het College stelt voorop dat op grond van de in de bijlage bij het bestreden besluit genoemde unierechtelijke en nationale bepalingen de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk is gesteld van de naleving van regels op het gebied van volksgezondheid, diergezondheid, gezondheid van planten en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie (artikelen 4 en 5 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers). Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken (artikel 72 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 (Verordening (EG) nr. 1122/2009)).

6.3

De randvoorwaarde in artikel 19 van de Wgb verbiedt gewasbeschermingsmiddelen toe te passen in strijd met het wettelijk voorschrift. De toelating van het gewasbeschermingsmiddel Ramrod SC in Nederland is per 1 januari 2001 komen te vervallen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gewasbeschermingsmiddel Ramrod SC met als werkzame stof propachloor heeft gebruikt en dat het gebruik van dit middel niet is toegestaan (in de teelt van uien).

6.4

Uit het arrest Van der Ham van het Hof volgt dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat verweerder bij de beoordeling van het begrip “opzettelijke niet-naleving” een hoge bewijswaarde toekent aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, voor zover de subsidieontvanger gelegenheid wordt geboden tegenbewijs te leveren dat niet opzettelijk is gehandeld. Gelet op dit arrest is sprake van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden indien de steunontvanger zich op een bepaalde wijze gedraagt waardoor hij ofwel een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden tracht te bewerkstellingen, ofwel, zonder dat hij dit doel voor ogen heeft, de mogelijkheid dat die niet-overeenstemming zich voordoet, aanvaardt.

6.5

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zicht terecht, onder toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels, op het standpunt gesteld dat sprake is van

het opzettelijk niet-naleven van de randvoorwaarde in artikel 19 van de Wgb. Het in artikel 19 van de Wgb opgenomen verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken die in strijd zijn met het wettelijk voorschrift betreft een eenvoudig voorschrift, appellant heeft actief gehandeld en er is sprake van een langdurig bestendig beleid, nu de toelating voor het gewasbeschermingsmiddel Ramrod SC per 1 januari 2000 is komen te vervallen. Het College is voorts met verweerder van oordeel dat appellant door het restant van het middel Ramrod SC in een andere verpakking te bewaren het risico heeft aanvaard dat het niet toegelaten gewasbeschermingsmiddel Ramrod SC zou worden gebruikt. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, hij geen grote hoeveelheid propachloor kan hebben gebruikt en dat nooit eerder een verhoogd residu is gemeten, neemt niet weg dat appellant evenbedoeld risico heeft aanvaard.

6.6

Wat betreft het standpunt van appellant dat de korting te hoog is in verhouding tot de (omvang van de) overtreding overweegt het College als volgt. Artikel 72, eerste lid, van Verordening 1122/2009 bepaalt, voor zover van belang, dat, indien de geconstateerde niet-naleving door de landbouwer met opzet is begaan, de toe te passen korting in de regel 20 % bedraagt. Ook de verwijzing door appellant naar de – in rechte onaantastbare – boete die hem is opgelegd, kan hem niet baten. Het Hof heeft in bestendige jurisprudentie geoordeeld dat door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties niet strafrechtelijk van aard zijn (zie het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00 ECLI:EU:C:2002:440). De aan appellant opgelegde randvoorwaardenkorting kan dus niet als strafrechtelijk van aard worden beschouwd, zodat verweerder de hoogte van de boete niet hoefde mee te nemen bij de vaststelling van de hoogte van de randvoorwaardenkorting.

7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2015.

w.g. A. Venekamp w.g. A. El Markai