Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:325

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
14/482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Heffingen, strijd met rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/482

4230

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2015 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.A. Bevelander),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Ruhnke).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante heffingen voor kokkels en overige schelpdieren opgelegd voor de jaren 2008 tot en met 2012.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Voor appellante is [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit zijn aan appellante huishoudelijke en bestemmingsheffingen opgelegd op grond van de voor de jaren 2008 tot en met 2012 geldende Heffingsverordeningen, Verordeningen financiering onderzoeksprojecten aanvoersector en de Verordeningen financiering onderwijsprojecten aanvoersector. Verweerder heeft daarbij de vangstopgaven van appellante gevolgd. Appellante heeft eind 2010 voor het jaar 2008, in september 2011 voor de jaren 2009 en 2010 en in mei 2013 voor de jaren 2011 en 2012 de opgaveformulieren ingezonden. Voor het jaar 2008 is het in totaal opgelegde bedrag aan heffingen € 2.240,85, voor het jaar 2009 € 2.697,60, voor het jaar 2010 € 3.648,00, voor het jaar 2011 € 73,60 en voor het jaar 2012 € 43,86.

2.1

Appellante heeft aangevoerd dat verweerder haar omtrent het bezwaar had dienen te horen. Zij heeft daar ook expliciet om verzocht. Nu verweerder appellante niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord is de hoorplicht van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Verweerder heeft voorts in strijd gehandeld met het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel door pas in 2014 de heffingen op te leggen. Civielrechtelijk zou deze vordering verjaard zijn. Appellante wijst er op dat in het fiscale recht, (artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr)), de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Voor de heffingen voor kokkels en overige schelpdieren geldt dat deze verschuldigd worden na afloop van het jaar, omdat dan de gegevens bekend zijn waarop de heffing wordt gebaseerd. Voor zogenoemde tijdvakbelastingen geldt voor toepassing van artikel 11, derde lid, Awr, dat de belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan nadat op het tijdstip waarop het tijdvak eindigt. Voor deze heffingen geldt ook dat ze over een kalenderjaar verschuldigd zijn. Appellante heeft er in 2014 dan ook geen rekening meer mee gehouden dat er nog heffingen opgelegd zouden worden. Appellante heeft de indruk dat er sprake is van het willekeurig verhalen van tekorten op de sector. De kosten die ten grondslag liggen aan de heffingen zijn volgens appellante niet inzichtelijk gemaakt. Daarnaast verzoekt appellante vergoeding van de door de haar geleden (immateriële) schade; door niet voortvarend te handelen heeft verweerder in strijd gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellante heeft voor de kosten van bezwaar nog expliciet een beroep gedaan op artikel 7:15 Awb.

2.2

Verweerder betoogt dat hij terecht heeft afgezien van het horen van appellante, omdat haar bezwaar kennelijk ongegrond was. Verder wijst verweerder er op dat de toepasselijke heffingsverordeningen geen uiterste termijnen kennen voor het opleggen van heffingen en artikel 11, derde lid, van de Awr niet van toepassing is. De heffingen waren voor appellante voorzienbaar. De heffingsverordeningen zijn alle jaarlijks en tijdig vastgesteld, goedgekeurd en gepubliceerd en aan de sector kenbaar gemaakt. Verweerder bestrijdt vanwege het ontbreken van een motivering en bewijsstukken dat er sprake is van schade dan wel van enig recht op vergoeding daarvan.

3.1

Het is vaste rechtspraak van het College (als ECLI:NLCBB:2013:64) dat het in artikel 7:2 van de Awb voorziene recht van een belanghebbende om te worden gehoord, een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure vormt en dat de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief dienen te worden toegepast. In dit geval beroept verweerder zich ter rechtvaardiging van het afzien van het horen (enkel) op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Dat artikellid biedt de mogelijkheid van het horen af te zien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond indien uit het bezwaarschrift direct blijkt dat het bezwaar ongegrond is en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Het bezwaarschrift van appellante heeft die kenmerken niet. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is geen sprake en verweerder heeft artikel 7:2 van de Awb geschonden.

3.2

Nu appellante ter gelegenheid van het beroep de gelegenheid heeft gehad haar standpunt nader toe te lichten, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt, zal het College onderzoeken of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. Voorop wordt gesteld dat in de in deze procedure toepasselijke Verordeningen van het Productschap Vis geen uiterste termijn is opgenomen voor het opleggen van heffingen. Het College heeft eerder geoordeeld (uitspraak van 3 februari 2012, ECLI:NL:CBB:BV5614), dat artikel 11, derde lid, van de Awr in een zaak als deze toepassing mist. De Awr is immers alleen van toepassing op belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven (artikel 1, tweede lid, van de Awr). De civiele verjaringstermijn is hier evenmin van toepassing. Dat verweerder meer voortvarendheid had kunnen betrachten, betekent niet dat hij in 2014 zijn bevoegdheid tot het opleggen van de heffingen heeft verloren. Hoewel algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee kunnen brengen dat met het oog op de rechtszekerheid de mogelijkheid om heffingen op te leggen beperkt wordt, ziet het College in de omstandigheden van dit geval, mede in aanmerking genomen het tijdstip waarop appellante haar vangstopgaven heeft gedaan, geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het opleggen van heffingen voor de jaren 2008 tot en met 2012. Nu de opgelegde bedragen overeenkomen met de in de verordeningen 2008 tot en met 2012 voor genoemde jaren vastgestelde bedragen per kilo, kan voorts ook ten aanzien van de opgelegde heffingsbedragen niet geoordeeld worden dat deze onvoorzienbaar waren. Om dezelfde reden kan evenmin geoordeeld worden dat er sprake is van willekeur.

5. Verweerder heeft artikel 7:2 van de Awb geschonden en het College zal het bestreden besluit vernietigen. Nu de overige beroepsgronden van appellante niet slagen zal het College bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

6.1

Ter zitting heeft appellante toegelicht dat de schade die naar haar mening door verweerder vergoed dient te worden ziet op de integrale kosten van bezwaar en beroep. Door onvoldoende voortvarend te handelen heeft verweerder dusdanig onzorgvuldig gehandeld dat een ruimere vergoeding dient te worden toegekend dan de gebruikelijke proceskostenvergoeding voor de door een derde verleende rechtsbijstand.

6.2

Het verzoek tot integrale vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep wijst het College af. Van bijkomende omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), die aanleiding geven tot een ruimere vergoeding dan de forfaitaire bedragen, is naar het oordeel van het College geen sprake. Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante en stelt deze op grond van het Bpb vast op

€ 1.225,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,00 en een wegingsfactor 1). Artikel 7:15 van de Awb stelt als voorwaarde voor de vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten dat de belanghebbende tijdig, dat wil zeggen voor de afloop van de bezwaarprocedure, daarom heeft gevraagd. Appellante heeft zo’n verzoek niet (tijdig) gedaan. Al om die reden kan het College haar verzoek om vergoeding van in bezwaar gevallen kosten niet honoreren.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,00 aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1225,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. M. van Duuren en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.

w.g. R.C. Stam w.g. A.G.J. van Ouwerkerk