Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:324

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
15/471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking taxivergunning vanwege gevaarzettend verkeersgedrag (artikel 1, vierde lid, van het besluit Nadere regels eisen chauffeurs), belangenafweging

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/471

14914

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Kintou),

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerders

(gemachtigden: mr. J. van Westing en mr. M. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2014 (het primaire besluit) hebben verweerders de taxivergunning van appellant voor de Amsterdamse opstapmarkt (taxivergunning) ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 19 februari 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:28) heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst tot zes weken nadat op het door verzoeker gemaakte bezwaar is beslist.

Bij besluit van 19 mei 2015 (het bestreden besluit) hebben verweerders het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is van de zijde van verweerders als getuige meegebracht en gehoord [naam 2] , werkzaam bij de Politie Eenheid Amsterdam.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat het bestreden besluit voor verzoeker ingrijpende gevolgen met zich brengt nu zijn werkzaamheden zich in belangrijke mate richten op de Amsterdamse opstapmarkt (taxivervoer vanaf standplaatsen en via aanhouden op straat). De intrekking van zijn taxivergunning brengt met zich dat hij deze werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.

3.1

De voorzieningenrechter neemt bij zijn voorlopig oordeel de volgende, niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en biedt zijn diensten (hoofdzakelijk) in Amsterdam aan op de opstapmarkt. Verzoeker beschikte over de hiervoor vereiste taxivergunning.

3.2

Op 26 augustus 2014 hebben [naam 2] en zijn collega van de Politie Eenheid Amsterdam [naam 3] ten aanzien van verzoeker twee processen-verbaal opgemaakt. Verzoeker heeft volgens deze processen-verbaal op die dag door rood licht gereden en mobiel gebeld in zijn taxi. Eveneens op 26 augustus 2014 is door de Politie Eenheid Amsterdam een mutatierapport opgemaakt, waarin het door rood licht rijden en mobiel bellen is vermeld en daarnaast is opgenomen dat verzoeker geen richting aangaf bij het naar rechts afslaan.

3.3

Op 2 september 2014 heeft de Politie Eenheid Amsterdam een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) gedaan aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) omdat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarlijk en risicovol rijgedrag op 26 augustus 2014.

3.4

Het CBR heeft verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG-maatregel) opgelegd. Verzoeker heeft een oproep voor een te volgen cursus ontvangen en de daaraan verbonden kosten betaald.

3.5

Bij het primaire besluit hebben verweerders verzoekers taxivergunning ingetrokken omdat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 2.14, eerste lid onder d, van de Taxiverordening in combinatie met artikel 1, vierde lid, van het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs (Besluit Nadere regels) nu de politie Amsterdam-Amstelland een mededeling heeft opgemaakt voor een EMG-maatregel wegens gevaarlijk rijgedrag.

3.6

In de uitspraak van 19 februari 2015 waarin de voorzieningenrechter het primaire besluit heeft geschorst, is onder meer het volgende overwogen:

“7.3 Het College stelt vast dat uit het bestreden besluit geen kenbare belangenafweging blijkt. Verzoeker heeft er reeds in zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen van verweerders om de taxivergunning in te trekken, op gewezen dat hij in de afgelopen vijf jaar dat hij taxichauffeur was geen bekeuringen heeft gehad. In het bestreden besluit heeft verweerder slechts vermeld dat ‘het feit dat u stelt dat het om een eenmalige gebeurtenis gaat, mijn standpunt niet wijzigt’.

Voor zover verweerders ter zitting hebben verwezen naar de voornoemde Nota Handhavingsbeleid, merkt de voorzieningenrechter op dat deze nota op dit punt geen enkel afwegingskader bevat. Evenmin wordt daarin gemotiveerd waarom in alle gevallen waarin een mededeling is gedaan voor een EMG – ongeacht de zwaarte van de overtreding die daar ten grondslag aan ligt en de omstandigheden van het geval – als enige sanctie de intrekking van de taxivergunning kan worden opgelegd.

Het bepaalde in deze nota ontslaat verweerders dan ook niet van hun verplichting om alvorens tot een dergelijke vergaande maatregel zoals de intrekking van een taxivergunning over te gaan, zich rekenschap te geven van alle omstandigheden van het geval en de betrokken belangen kenbaar af te wegen. In dat kader dienen te worden afgewogen het algemeen belang dat het taxivervoer in Amsterdam van goede kwaliteit is en anderzijds het belang van verzoeker bij het behouden van zijn taxivergunning en de daaruit voortvloeiende inkomsten. De mededeling voor een EMG staat duidelijk in verband met de kwaliteit van het taxivervoer. Anderzijds is de staat van dienst die verzoeker als taxichauffeur heeft aangevoerd relevant alsmede het feit dat de (inmiddels betwiste) verkeersovertreding relatief licht is, terwijl de opgelegde sanctie met zich brengt dat verzoeker twee jaar lang geen taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt kan verrichten.

Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom in geval van verzoeker verweerders uit de door verzoeker gestelde staat van dienst zonder bekeuringen, niet het vertrouwen hadden kunnen putten dat de rijvaardigheid van verzoeker, ondanks de mededeling van de inmiddels opgelegde EMG, in het licht van de voor taxichauffeurs geldende eisen van voldoende niveau is en dat derhalve de kwaliteit van taxivervoer niet wordt aangetast. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit waarom in dit geval niet met een lichtere sanctie had kunnen worden volstaan en waarom de intrekking van de taxivergunning in dit geval een proportionele sanctiemaatregel is.

Nu op dit punt iedere belangenafweging ontbreekt, voldoet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet aan de daaraan op het vlak van de motivering te stellen eisen.

7.4

De voorzieningenrechter merkt voorts op dat verweerders in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Verzoeker heeft – in verband met zijn wisseling van gemachtigde – eerst ter zitting van de voorzieningenrechter de inhoud van het proces-verbaal en de daarin beschreven verkeersovertreding gemotiveerd betwist, onder overlegging van specifieke stukken. Nu verweerders verzoeker in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het bestreden besluit nog gaan horen, ligt het enerzijds op de weg van verzoeker in dat kader tevens deze betwisting van die feiten aan de orde te stellen, en anderzijds op de weg van verweerders in het nieuw te nemen besluit daar aandacht aan te besteden.”

4. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

4.1

Ten aanzien van de geconstateerde feiten hebben verweerders overwogen dat verzoeker erkent dat hij ‘hand held’ belde met zijn mobiele telefoon. Verweerders zien voorts geen reden om te twijfelen aan de waarneming van de verbalisanten dat verzoeker door rood is gereden, nu genoemd feit is opgenomen in een ambtsedig opgemaakt mutatierapport van
26 augustus 2014 en de verbalisant tijdens de hoorzitting heeft verklaard op welke wijze is vastgesteld dat verzoeker door rood heeft gereden.

Het door verzoeker ontkende geen richting aangeven bij het rechts afslaan is weliswaar niet geverbaliseerd, echter wel gemeld in het kader van de op te leggen EMG- maatregel en opgetekend in het proces-verbaal. De verbalisanten hebben tijdens de hoorzitting verduidelijkt dat in het proces-verbaal op de achterzijde bij de overtredingsgegevens een [2] is opgenomen, hetgeen in het registratiesysteem TOBIAS duidt op het rechts afslaan zonder richting aan te geven.

Aan het door verzoeker ingebrachte track en trace-overzicht komt volgens verweerders geringe betekenis toe. Volgens dit overzicht zou verzoeker zich op het moment van de overtreding bij het [locatie 1] bevinden. De verbalisanten hebben verklaard dat verzoeker vanuit de [adres 1] via de [adres 2] direct is ingeparkeerd in de parkeerhaven van het [locatie 1] . De betreffende afstand is nog geen 250 meter. Het tijdsverschil tussen de track en trace-gegevens en de opgetekende tijd in het proces-verbaal van de overtreding is gering. De taxi van verzoeker is door verbalisanten niet uit het oog verloren.

4.2

Ten aanzien van de te maken belangenafweging hebben verweerders overwogen dat de overtredingen plaatsvonden op een drukke en gevaarlijke kruising. Er lopen veel toeristen vanwege het [locatie 2] en het daarachter gelegen [adres 3] . Daarbij komt dat verzoeker nadat hij was afgeslagen zigzaggend tussen de voetgangers op de voetgangersoversteekplaats zijn weg vervolgde en hiermee voetgangers in gevaar heeft gebracht. Verzoeker heeft zich daarmee in het verkeer ernstig gevaarzettend en asociaal gedragen als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van het Besluit Nadere regels.

De stellingen van verzoeker, dat hij een onberispelijke staat van dienst heeft, niet eerder verkeersovertredingen heeft begaan, de opgelegde EMG-maatregel en cursus heeft afgerond, door de intrekking van de taxivergunning zijn inkomsten zullen teruglopen en de beroepsmogelijkheden van verzoeker beperkt zijn, hebben verweerders niet tot een ander inzicht gebracht. Daartoe hebben verweerders van belang geacht dat verzoeker zijn stellingen verder niet heeft onderbouwd, verzoeker achtereenvolgens drie overtredingen heeft begaan en de voetgangers ter plaatse ernstig in gevaar heeft gebracht. Voorts hebben verweerders in aanmerking genomen dat blijkens de toelichting van artikel 1, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit Nadere regels, delicten waarvoor een EMG kan worden opgelegd in ernstige mate afbreuk doen aan de veiligheid van consumenten en anderen rond de taxi. Ten aanzien van de financiële gevolgen die aan de intrekking zijn verbonden, wijzen verweerders erop dat verzoeker in Amsterdam op de bel- en contractmarkt nog steeds vervoersdiensten kan aanbieden en buiten Amsterdam kan werken. Bovendien zijn de financiële gevolgen van een intrekking bij het opstellen van het beleid reeds meegenomen. Verweerders hebben tot slot overwogen dat er geen reden aanwezig is op grond waarvan zij van handhaving zouden moeten afzien.

5.1

Verzoeker ontkent dat hij het rode verkeerslicht heeft genegeerd en bij het rechts afslaan geen richtingaanwijzer heeft gebruikt. Daartoe voert verzoeker - samengevat weergegeven -het volgende aan. De verklaring van verbalisant [naam 2] tijdens de hoorzitting van
19 maart 2015 komt niet overeen met hetgeen op 26 augustus 2014 is opgenomen in het mutatierapport en op de achterkant van het proces-verbaal. Tijdens de hoorzitting verklaarde [naam 2] dat hij geen direct zicht had op het rode licht, terwijl in het mutatierapport staat “Wij zagen dat [verzoeker] het aldaar rood uitstralende verkeerslicht negeerde (ongeveer 3 seconden op rood). Wij hadden direct zicht op het verkeerslicht” en op de achterkant van het proces-verbaal is vermeld “[Verzoeker] reed op de [adres 1] en sloeg rechtsaf de [adres 2] op in de richting van de [adres 4] 3 seconden rood licht”.

Verzoeker vraagt zich voorts af hoe verbalisanten vanuit hun positie het kenteken hebben kunnen waarnemen en verzoeker niet uit het oog hebben kunnen verliezen. In het mutatierapport is opgenomen dat het om een personenauto gaat die de uiterlijke kenmerken vertoonde van een taxi (blauwkleurige kentekenplaten en een daklicht van TCA). Cliënt is echter aangesloten bij de toegelaten taxiorganisatie AMS. De daklichten van AMS en van TCA komen qua grootte, kleur en lettertype in het geheel niet met elkaar overeen.

Ten onrechte hebben verweerders aan het overlegde track en trace-overzicht geringe betekenis toegekend. Uit de track en trace-gegevens kan immers worden opgemaakt dat verzoeker ten tijde van de waarneming van de vermeende overtredingen zich bevond op de Stadshouderskade 30, voor het [locatie 1] , zo’n 250 meter van de [adres 1] af.

Nu verzoeker ontkent door rood licht te hebben gereden en pas na geruime tijd door verbalisanten is staande gehouden, kan het zo zijn dat de politie de verkeerde taxi heeft staande gehouden.

5.2

Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat verweerders in het bestreden besluit op geen enkele manier zijn ingaan op het door de voorzieningenrechter geconstateerde ontbreken van het afwegingskader in de Nota Handhavingsbeleid. Voorts wordt niet onderbouwd en wordt niet ingegaan op het feit dat belanghebbende een onberispelijke staat van dienst heeft en niet eerder verkeersovertredingen heeft begaan. Ook gaan verweerders niet in op de vraag of in dit geval niet met een lichtere sanctie had kunnen worden volstaan en waarom de intrekking voor een periode van twee jaar proportioneel zou zijn. Hiermee is het motiveringsgebrek in het primaire besluit niet hersteld.

6. De Wet personenvervoer 2000 luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 82

1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

2. De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

Artikel 82a

1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld over:

a. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden;

b. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een in onderdeel a bedoelde auto;

(…)”

De Wvw luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid (…), doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. (…)

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

(...) "

De Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning

1. Het is een chauffeur verboden om zonder geldige vergunning van het college [van burgemeester en wethouders; toevoeging College] (Taxxxivergunning) op de in bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.

Artikel 2.14 Verplichtingen voor een chauffeur met een Taxxxivergunning

1. De chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning:

(…)

d. neemt de veiligheid van de consument en overige personen in acht;

(…)

2. Het college bepaalt in nadere regels welke gedragingen en verplichtingen in ieder geval onder de in het eerste lid gestelde eisen vallen.

3. Het college kan in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, nadere eisen stellen aan gedragingen of verplichtingen van een chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning.

Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking Taxxxivergunning

(…)

4. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar oordeel van het college de kwaliteit van taxivervoer wordt aangetast.

Artikel 3.3 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties aan chauffeurs

1. Het college kan overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.12 en 2.14 sanctioneren met:

a. schorsing van de Taxxxivergunning;

b. intrekking van de Taxxxivergunning.

(…)

3. Bij toepassing van de in het eerste lid genoemde sancties kan het college onder meer rekening houden met:

a. het soort en totaal aantal overtredingen door de chauffeur;

b. de mate van herhaling van het aantal overtredingen binnen een periode van één jaar.”

Het Besluit Nadere regels luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 1, vierde lid :

De minimale eisen aan de chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning, als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel d, bepalen in ieder geval dat de chauffeur:

(…)

d. in het verkeer geen ernstig gevaarzettend of asociaal gedrag heeft vertoond, waaronder in ieder geval begrepen wordt dat de politie Amsterdam-Amstelland ten aanzien van de chauffeur geen mededeling heeft opgemaakt voor een (...) Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer;”

De Nota Handhavingsbeleid Taxiverordening vermeldt onder 1.2 onder andere:

“ In het handhavingsbeleid wordt beschreven op welke wijze de gemeente zal handhaven in het geval van concrete overtredingen en de toepassing van verschillende sancties en maatregelen. Tevens is in het beleid een stappenplan opgenomen dat er toe dient inzichtelijk te maken welke stappen doorlopen kunnen worden in het geval er sprake is van een overtreding.”

In paragraaf 7.2.1. van deze Nota is onder meer een stappenplan opgenomen waarin schematisch wordt weergegeven welke sanctie bij bepaald gedrag van toepassing is.

7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7.1

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet artikel 1, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit Nadere regels eisen chauffeurs zo worden uitgelegd dat slechts in geval van sprake is van asociaal of gevaarzettend verkeersgedrag van een chauffeur, de chauffeur de veiligheid van de consument en de overige personen niet in acht heeft genomen, en derhalve niet aan zijn verplichtingen als taxichauffeur in Amsterdam heeft voldaan. Onder dergelijk asociaal of gevaarzettend gedrag in het verkeer wordt onder meer begrepen gedrag waarvoor de politie een mededeling heeft opgemaakt om een EMG-maatregel op te leggen. Deze uitleg wordt bevestigd in de toelichting van verweerders op het Besluit Nadere regels. Deze uitleg heeft tot gevolg dat niet reeds de enkele mededeling op grond van artikel 130 Wvw of de oplegging van de EMG-maatregel, maar het asociaal of gevaarzettend verkeersgedrag zelf aan verweerders de bevoegdheid geeft om een taxivergunning in te trekken. Het enkele feit dat de politie een mededeling als bedoeld in artikel 130 Wvw heeft gedaan, ontslaat verweerders niet van hun verplichting om zelf te beoordelen of daadwerkelijk sprake is van gevaarzettend en asociaal verkeersgedrag van verzoeker.

7.2

Ter ondersteuning van hun standpunt dat er sprake is van asociaal of gevaarzettend verkeersgedrag van verzoeker, voeren verweerders aan dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan drie verkeersovertredingen, te weten ‘hand held’ mobiel bellen, rijden door een rood verkeerslicht en afslaan zonder richting geven.

7.2.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het ‘hand held’ mobiel bellen niet betwist en komt derhalve tot het voorlopig oordeel dat verweerders aannemelijk hebben gemaakt dat verzoeker deze overtreding heeft gepleegd.

7.2.2

Ten aanzien van het door een rood verkeerslicht rijden is een op 26 augustus 2014 gedateerde, op ambtsbelofte en ondertekend proces-verbaal opgemaakt. Hierin meldt verbalisant [naam 3] dat verzoeker op 26 augustus 2014 om 12.00 uur op de [adres 1] / [adres 2] door rood licht reed. Blijkens het proces-verbaal heeft verzoeker verklaard het licht niet te hebben gezien.

Volgens vaste jurisprudentie van het College moet in beginsel van de juistheid van hetgeen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal wordt verklaard, worden uitgegaan, maar betwisting in rechte is niet uitgesloten.

[naam 2] heeft tijdens de hoorzitting op 19 maart 2015 verklaard dat ambtshalve bekend is dat als de voetgangers en fietsers rondom groen licht hebben de automobilisten erom heen rood licht hebben. Dat betekent dat op het moment dat zij zien dat de voetgangers en fietsers groen licht hebben, verzoeker door het rode licht moet zijn gereden. Achteraf hebben verbalisanten de werking van het verkeerslicht gecontroleerd en er bleek geen fout in te zitten, aldus [naam 2] .

Ter zitting heeft [naam 2] dit standpunt herhaald en desgevraagd de feitelijke gang van zaken nader toegelicht. Op het moment van de overtreding bevonden de verbalisanten zich in een auto op enkele tientallen meters van het verkeerslicht en constateerden zij dat het verkeerslicht voor de voetgangers reeds enige seconden op groen stond op het moment dat verzoeker in zijn taxi rechtsaf sloeg.

Op de achterkant van het proces-verbaal staat vermeld “[Verzoeker] reed op de [adres 1] en sloeg rechtsaf de [adres 2] op in de richting van de [adres 4] 3 seconden rood licht”. Rekening houdend met de toelichting ter hoorzitting en ter zitting begrijpt de voorzieningenrechter dat deze constatering berust op een gevolgtrekking in plaats van een directe waarneming. Hierin is echter geen aanleiding gelegen om deze constatering onjuist te achten. Het vermelde in het mutatierapport doet hieraan niet af aangezien het mutatierapport niet de bewijskracht heeft die aan het proces-verbaal toekomt en de tekst “Wij zagen dat [verzoeker] het aldaar rood uitstralende verkeerslicht negeerde (ongeveer 3 seconden op rood). Wij hadden direct zicht op het verkeerslicht” voor meerderlei uitleg vatbaar is. De uitleg dat verbalisanten het genegeerde verkeerslicht direct waarnamen en het rood uitstralen van dit verkeerslicht uit andere feiten hebben afgeleid, acht de voorzieningenrechter niet onverenigbaar met de geciteerde tekst.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij niet heeft geconstateerd dat het verkeerslicht op rood stond op het moment dat hij dit passeerde, hetgeen de voorzieningenrechter consistent acht met de in het proces-verbaal als verklaring van verzoeker vermelde tekst “Ik heb het rode licht niet gezien”. De voorzieningenrechter acht deze verklaringen onvoldoende om te twijfelen aan de vaststelling in het proces-verbaal dat verzoeker door een rood verkeerslicht is gereden.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van het track en trace-overzicht en de vermelding in het mutatierapport dat de taxi het daklicht van TCA droeg. De voorzieningenrechter begrijpt dit als ondersteuning voor de stelling van verzoeker dat de geconstateerde overtredingen zijn gepleegd met een andere taxi dan die van verzoeker. De voorzieningenrechter kan deze stelling niet rijmen met de erkenning door verzoeker van de overtreding ‘hand held’ mobiel bellen en zijn verklaringen omtrent het door een rood verkeerslicht rijden. Voorts heeft verzoeker de verklaring van [naam 2] dat zijn identiteit na de staandehouding is vastgesteld aan de hand van het rijbewijs met foto niet ontkend.

De voorzieningenrechter concludeert dat naar voorlopig oordeel verweerders aannemelijk hebben gemaakt dat verzoeker de overtreding rijden door rood verkeerslicht heeft begaan.

7.2.3

Dat verzoeker bij het rechtsaf slaan geen richting zou hebben gegeven, staat vermeld in het mutatierapport. Evenals in zijn uitspraken van 2 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:41) en van 17 juli 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:234) acht de voorzieningenrechter de melding in het mutatierapport als bewijs ontoereikend. Dat het mutatierapport zoals in het bestreden besluit vermeld ambtsedig is opgemaakt, acht de voorzieningenrechter gelet op het ontbreken van een ondertekening op voorhand onaannemelijk en deze stelling is desgevraagd ter zitting door verweerders prijsgegeven.

Eveneens onaannemelijk acht de voorzieningenrechter dat, zoals in het bestreden besluit is betoogd, voornoemde overtreding kan worden afgeleid uit de vermelding [2] bij de overtredingsgegevens op de achterzijde van het proces-verbaal. De overige tekst van het betreffende proces-verbaal heeft steeds betrekking op het door een rood verkeerslicht rijden, hetgeen niet valt te rijmen met de vermelding van een categorienummer dat zou behoren bij een geheel andere overtreding.

De voorzieningenrechter concludeert dat naar voorlopig oordeel verweerders niet aannemelijk hebben gemaakt dat verzoeker de overtreding afslaan zonder richting geven heeft begaan.

7.3

De vraag waarvoor de voorzieningenrechter zich ziet gesteld, is of de feitelijke gedragingen van verzoeker zoals die uit het proces-verbaal naar voren komen, een intrekking van zijn taxivergunning kunnen rechtvaardigen. Als toetssteen heeft daarbij te dienen of sprake is van asociaal of gevaarzettend verkeersgedrag van een chauffeur, de chauffeur de veiligheid van de consument en de overige personen niet in acht heeft genomen, en derhalve niet aan zijn verplichtingen als taxichauffeur in Amsterdam heeft voldaan.

Verweerders hebben er op gewezen dat de overtredingen plaatsvonden op een drukke en gevaarlijke kruising en dat zich reeds voetgangers op voetgangersoversteekplaats bevonden op het moment dat verzoeker passeerde. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, treft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten om deze constateringen onaannemelijk te achten.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het al ‘hand held’ mobiel bellend door een rood verkeerslicht rijden op een druk en gevaarlijk kruispunt op het moment dat zich reeds voetgangers op de voetgangersoversteekplaats bevinden, met vrucht als asociaal of gevaarzettend verkeersgedrag worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat op basis van hetgeen verweerders hebben ingebracht, niet aannemelijk is geworden dat verzoeker heeft nagelaten richting te geven. Verweerders hebben zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden door middel van intrekking van de taxivergunning.

7.4

Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen in de uitspraken van
19 februari 2015 en 17 juli 2015, dient aan de uitoefening van voornoemde bevoegdheid een kenbare belangenafweging ten grondslag te liggen.

Verweerders hebben een dergelijke belangenafweging gemaakt in paragraaf 5.3 van het bestreden besluit. Verweerders hebben hierbij de ernstige gevaarzetting voor de voetgangers ter plaatse, afgewogen tegen de beperkte reikwijdte van de Taxiverordening. Deze geldt alleen voor het reguleren van het taxivervoer in de opstapmarkt. Verzoeker kan in Amsterdam nog steeds vervoersdiensten aanbieden op de bel- en opstapmarkt en ook buiten Amsterdam werken. De ernst van de overtreding rechtvaardigt naar het oordeel van verweerders geen lichtere sanctie.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de gemaakte belangenafweging niet onrechtmatig te achten. Tegenover de ernst van de door de overtredingen teweeggebrachte gevaarzetting, staan negatieve financiële gevolgen voor verzoeker. Aan hetgeen verzoeker hieromtrent heeft aangevoerd, kan de voorzieningenrechter echter niet de gevolgtrekking verbinden dat hem een te beperkt taxigerelateerd verdienvermogen resteert. De voorzieningenrechter is met verweerders van oordeel dat hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd niet tot een andere afweging noopt. Het betreft, zoals verweerders ook ter zitting hebben gesteld, overtredingen die niet in een moment van onachtzaamheid zijn begaan, waardoor aan het feit dat ten aanzien van verzoeker voor- en nadien geruime tijd geen verkeersovertredingen zijn geconstateerd, beperkte zeggingskracht toekomt.

8. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.

w.g. mr. H.O. Kerkmeester w.g. mr. A. El Markai