Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:321

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
14/316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000, Besluit personenvervoer 2000, Taxivervoer zonder vergunning

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Besluit personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/316

14913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. I.J.G. van Raab van Canstein),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant de last opgelegd zich te onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000), bij gebreke waarvan appellant een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,- per geconstateerde overtreding totdat een maximum van € 200.000,- zal zijn bereikt.

Bij besluit van 23 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor zover het betreft de hoogte van het maximum te verbeuren bedrag aan dwangsommen. Verweerder heeft daarbij beslist dat het maximum te verbeuren bedrag aan dwangsommen wordt verlaagd van € 200.000,- naar € 40.000,-. In dit besluit is verder vermeld dat de last een looptijd heeft van twee jaar.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De Wp 2000 luidt, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 76

1. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door Onze Minister verleende vergunning. (…)

Artikel 93

(…)

2. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van verordening 1371/2007/EG, verordening 1071/2009/EG, verordening 1073/2009/EG, verordening (EU) nr. 181/2011 en van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

De Beleidsregels last onder dwangsom personenvervoer over de weg luiden, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 1

1. Een last onder dwangsom wordt opgelegd na constatering van een overtreding van een in de bijlage bij deze beleidsregels genoemde bepaling van de Wet personenvervoer 2000 of van het Besluit personenvervoer 2000.

2. In de bijlage zijn per soort overtreding de hoogte van de dwangsom en het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, vermeld.

2.1

Het College ontleent aan de stukken, waaronder door verbalisanten van de politie Amsterdam - Amstelland op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van

13 december 2013, het volgende. Op 13 december 2013 heeft de politie Amsterdam - Amstelland in burger een snordersactie gehouden. In het proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2013 is onder meer vermeld:

  • -

    verbalisanten reden parallel aan de hoofdrijbaan aan de [adres 1] te [plaats] . Daar zagen verbalisanten het voertuig met kenteken […] rijden,

  • -

    verbalisanten zagen dat het voertuig plotseling stopte op de rijbaan ter hoogte van de [adres 1] te [plaats] ,

  • -

    verbalisanten zagen dat er een jonge man naar het voertuig liep, in het voertuig stapte aan de bijrijderszijde en zag dat het voertuig weer verder reed,

  • -

    verbalisanten hoorden van bureau Ganzenhoef dat de te naam gestelde antecedenten had voor de Wet personenvervoer in 2012,

  • -

    verbalisanten zagen dat het voertuig stopte op [adres 2] . Verbalisant zag dat dezelfde persoon welke was ingestapt op de [adres 1] uitstapte op [adres 2] .

In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor heeft een getuige verklaard dat appellant stopte en vroeg of hij een lift nodig had, dat hij voor dat vervoer € 2,50 heeft betaald, hij appellant niet kent en hij van een snorder gebruik maakte omdat hij te laat was voor school.

Appellant heeft verklaard dat hij eerder is aangehouden voor ‘snorder rijden’, dat hij een jongen - de hiervoor genoemde getuige - naar school heeft gebracht, dat hij deze jongen niet kende en dat de jongen misschien geld in zijn auto heeft gelegd.

2.2

Bij brief van 13 januari 2014 heeft verweerder aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen wegens overtreding van de Wp 2000. Appellant heeft naar aanleiding van dat voornemen een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor zover het betreft de hoogte van het maximum te verbeuren bedrag. Dat bedrag is door verweerder verlaagd van € 200.000,- naar € 40.000,-. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft afgezien van de mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord.

4.1

Appellant stelt in beroep dat hij geen taxiritten heeft verricht tegen betaling. Appellant voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel aangezien appellant geen inzage heeft gehad in het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit.

Appellant betoogt voorts dat de wijze waarop de hoogte van de dwangsom is berekend nauwelijks inzichtelijk is gemaakt, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De hoogte van de dwangsom is volgens appellant bovendien buitenproportioneel. De omstandigheid dat appellant slechts eenmaal is aangehouden op verdenking van snorderen had door verweerder meegewogen moeten worden bij de beoordeling van de ernst van het geschonden belang. De dwangsom bedraagt volgens appellant ongeveer zijn jaarinkomen, hetgeen buitenproportioneel is gezien de ernst van de overtreding.

Ter zitting is namens appellant naar voren gebracht dat de last onder dwangsom in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel. Volgens appellant zal hij mogelijk in het kader van de lopende strafzaak, terzake hetzelfde feit, een deels voorwaardelijke straf opgelegd krijgen met een proeftijd van 2 jaar. Dat houdt volgens appellant in dat hij bij een mogelijk toekomstig vergrijp ‘dubbel’ zal worden bestraft, namelijk door de opgelegde last onder dwangsom van

€ 10.000,- per toekomstig geconstateerde overtreding alsmede door de mogelijk in het kader van de strafzaak voorwaardelijk opgelegde straf.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de processen-verbaal voldoende is komen vast te staan dat appellant artikel 76, eerste lid, Wp 2000 heeft overtreden.

Verweerder voert aan dat appellant heeft afgezien van de mogelijkheid om gehoord te worden en ook nooit om het proces-verbaal heeft gevraagd. Als appellant het proces-verbaal had willen hebben had hij er volgens verweerder slechts om hoeven vragen. Verweerder voert verder aan dat in het bestreden besluit de hoogte en opbouw van de dwangsom per overtreding en de hoogte van het maximumbedrag uitgebreid is gemotiveerd, met inachtneming van de uitspraak van het College van 20 maart 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:104). In die uitspraak wordt volgens verweerder overwogen dat een dwangsom van € 10.000,- per overtreding niet in onredelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang, namelijk de bevordering van de kwaliteit van het taxivervoer door het vereiste van een vergunning, en de beoogde werking van de dwangsom.

5.1

Het College is van oordeel dat op grond van de bevindingen zoals neergelegd in het onder 2 bedoelde processen-verbaal en de getuigenverklaring, genoegzaam is komen vast te staan dat appellant op 13 december 2013 de overtreding van het verrichten van taxivervoer zonder vergunning heeft begaan. Van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal mag in beginsel worden uitgegaan. De enkele ontkenning dat een overtreding is begaan, is onvoldoende om aan de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de getuige te twijfelen.

Verweerder was naar het oordeel van het College dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is het College niet gebleken.

5.2

Uit artikel 5:2, eerste lid, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat onder een herstelsanctie wordt verstaan een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Ingevolge artikel 5:31d van de Awb wordt een last onder dwangsom aangemerkt als een herstelsanctie.

Het College heeft reeds eerder (zie onder meer de uitspraak van 22 maart 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BP9342) geoordeeld dat het opleggen van een last onder dwangsom een handhavingsmaatregel betreft die geen verdergaande strekking heeft dan het bewerkstelligen van hetgeen uit de juiste toepassing van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften voortvloeit. Het opleggen van een dwangsom is niet te beschouwen als het toebrengen van een verdergaande benadeling dan die welke voortvloeit uit het enkel doen naleven van de bedoelde voorschriften. Er is geen aanleiding om hierover ten aanzien van de onderhavige last anders te oordelen. Omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet is aan te merken als een punitieve sanctie, slaagt naar het oordeel van het College het beroep van appellant op het ‘ne bis in idem’-beginsel niet.

5.3

Voor zover appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel omdat hij geen inzage heeft gehad in de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan het primaire besluit, overweegt het College als volgt.

Ter zitting is namens verweerder gesteld dat gedurende de zienswijzeprocedure de stukken die ten grondslag liggen aan het primaire besluit ter inzage zijn gelegd en dat deze stukken in de bezwaarschriftenprocedure op verzoek worden toegezonden. Van de mogelijkheid om de stukken in te zien heeft appellant geen gebruik gemaakt. Appellant heeft evenmin verzocht om toezending van de stukken in de bezwaarschriftenprocedure en bovendien afgezien van de mogelijkheid in bezwaar te worden gehoord. Verweerder heeft appellant derhalve voldoende in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het betreffende stuk. Naar het oordeel van het College heeft verweerder het primaire besluit voldoende inzichtelijk en draagkrachtig gemotiveerd. De omstandigheid dat appellant geen inzage heeft gehad in het betreffende proces-verbaal doet daar, mede gelet op het voorgaande, niet af. Van schending van het motiveringsbeginsel is geen sprake.

5.4

Ten aanzien van de beroepsgronden dat de hoogte van de opgelegde last onvoldoende gemotiveerd is en disproportioneel, overweegt het College als volgt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op welke wijze de hoogte van de dwangsom is bepaald. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de hoogte van de dwangsom per overtreding heeft afgestemd op het financiële voordeel dat een snorder kan behalen. Dit financiële voordeel bestaat uit twee componenten namelijk de kosten die de overtreder zich bespaart doordat hij taxivervoer verricht zonder een daartoe verleende vergunning en de omzet die de overtreder met het snorren behaalt.

Zoals het College eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 20 maart 2014 ECLI:NL:CBB:2014:104, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen, acht het College een dwangsom van € 10.000,- per overtreding voor het verrichten van taxivervoer zonder vergunning niet disproportioneel. Daarbij heeft het College overwogen dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van appellant. Niet is gebleken van omstandigheden om in dit geval een uitzondering op dat uitgangspunt te maken. Het betoog van appellant faalt derhalve.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.

w.g. H. Bolt w.g. M.S. van den Berg