Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:308

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
14/323
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Geen verklaring dierenarts, toezichtsrapporten onvolledig, onvoldoende bewijs

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14/323

11200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. A.W. van Dooren-Korenstra)

en

de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Harteveld).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd (hierna: primair besluit 1).

Bij besluit van 19 februari heeft verweerder een dwangsom ingevorderd van € 250,- (hierna: primair besluit 2).

Bij besluit van 17 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 10 juni 2015 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Op 22 juni 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellante is verschenen en heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen [naam 2] , binnen-inspecteur bij de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID).

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante hield, ten tijde hier van belang, voor hobbydoeleinden een aantal paarden in een wei aan de [adres] , te [plaats 2] . Op 15 januari 2014 omstreeks 13.00 uur hebben twee inspecteurs van de LID naar aanleiding van een melding een controle verricht op het perceel van appellante. Ten aanzien van de twee aldaar aangetroffen paarden, vermeldt het ter zake opgemaakte toezichtrapport het volgende:

“Wij zagen dat de benen en flanken van deze paarden vervuild waren met aangekoekte modder en mest. Wij zagen dat het gehele perceel, met uitzondering van een baan beton uit modder en water bestond. Wij zagen ook dat de baan beton, waarop de paarden op dat moment waren gaan staan geheel vervuild was met een laag modder en mest. (…) Wij zagen dat er in het gehele perceel geen droge/zindelijke lig- en voerplaats voor de paarden aanwezig was.”

De inspecteurs zagen voorts dat een, tot het perceel van appellante behorende, achterliggende wei voor de paarden gesloten was. Met betrekking hierop vermeldt in het ter zake opgestelde toezichtrapport het volgende:

“Tevens uitgelegd dat het probleem opgelost zou zijn als de achtergelegen wei opengesteld zou worden voor de paarden daar deze droog is.”

Het ontbreken van een schone en droge sta- en ligplaats levert volgens de inspecteurs gevaar op voor de gezondheid van paarden, aangezien het de ziektes mok en rotstraal kan veroorzaken.

1.2

Naar aanleiding van deze bevindingen heeft verweerder appellante bij het primaire besluit 1 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd). De last bestond uit de volgende te nemen maatregelen:

“1. Voorzie uw paarden op een zodanige wijze van voer dat het gevaar op verontreiniging tot een minimum wordt beperkt.

2. Zorg dat uw paarden altijd over schone en droge sta- en ligplekken kunnen beschikken.”

De eerste maatregel moest per direct worden genomen, terwijl de tweede maatregel vóór 24 januari 2014 getroffen moest zijn. Indien na die datum tijdens een controle wederom één of meer overtredingen zouden worden geconstateerd, dan zou appellante een dwangsom van

€ 250,- per overtreding verbeuren met een maximum van € 2.000,-.

1.3

Tijdens een hercontrole van 28 januari 2014 hebben inspecteurs van de LID geconstateerd dat de tweede maatregel niet genomen was. Het toezichtrapport vermeldt dat de paarden beschikking hadden over een stal van 2,5 bij 1,8 meter, ofwel 4,5 m2. Dit is volgens de toezichthouder geen voorziening waar twee paarden tegelijk gestrekt droog kunnen liggen. De toezichthouder wijst op de door de Sectorraad paarden samengestelde gids onder 4.2, waarin is aangegeven per 1 januari 2012 10m2 per paard als standaardmaat te hanteren. Tijdens de controle van 28 januari 2014 constateerden de inspecteurs ook dat de vachten van de paarden wederom vervuild waren met modder. In het ter zake opgemaakte toezichtrapport staat hierover het volgende:

“Wij zagen dat bij deze paarden de vachten aan de onderzijde van de buik, borst, flanken en benen sterk vervuild was met modder, hetgeen de isolerende werking van de vacht teniet doet zodat deze paarden onvoldoende bescherming hebben tegen kou en vorst.”

De inspecteurs hebben voorts waargenomen dat de paarden gedurende de gehele controle zijn blijven liggen. In het ter zake opgemaakte toezichtrapport verklaart de toezichthouder hierover het volgende:

“Beide paarden bleven liggen toen wij hen benaderden, en zijn tot het einde van onze controle blijven liggen. Uit ervaring weet ik dat dit geen normaal gedrag is voor paarden. Paarden zijn vluchtdieren, en zullen als er onbekenden naderen minstens gaan staan zodat zij indien nodig snel kunnen vluchten. Dat deze paarden bleven liggen duid er op dat deze paarden oververmoeid waren. Dit kan veroorzaakt zijn doordat er geen mogelijkheid was om goed te liggen, en te resetten.”

Op 5 februari 2014 heeft wederom een hercontrole plaatsgevonden. Het ter zake opgemaakte toezichtsrapport vermeldt het volgende:

“Ter plaatse zag ik dat het perceel waar de paarden over beschikten nog steeds geen droge plekken had. Het stalletje dat de paarden ter beschikking hadden was van dezelfde afmeting als bij de vorige controle. Meting van het stalletje wees toen uit dat het 2,50 x 1,80 meter was, dit wil zeggen 4,5 m2. In de gids voor de goede praktijken van de sectorraad paarden wordt onder 4.2 wordt aangegeven dat per 1 januari 2012 als standaardmaat 10 m2 per paard wordt aangehouden. Er zou een voorziening moeten zijn waar beide paarden gestrekt droog kunnen liggen. Ik zag dat bij deze paarden de vachten aan de onderzijde van de buik, borst, flanken en benen sterk vervuild was met modder, hetgeen de isolerende werking van de vacht teniet doet zodat deze paarden onvoldoende bescherming hebben tegen kou en vorst. Er is dus niet voldaan aan maatregel 2 uit de last onder dwangsom 2014001197.”

Hierop heeft verweerder appellante bij het primaire besluit 2 opgedragen een verbeurde dwangsom ter hoogte van € 250,- te betalen.

1.4

In haar tegen beide primaire besluiten ingediende bezwaar heeft appellante erover geklaagd dat op basis van deels onjuiste feiten en op grond van speculaties conclusies zijn getrokken naar aanleiding van de controle van 15 januari 2014:

“Zoals ik telefonisch al heb aangegeven en aangeboden wil ik bij voorkeur een keer een afspraak maken met uw inspectie om u de volledige situatie te laten zien en de passende toelichting te kunnen geven. (…). Nu wordt er gespeculeerd over de wijze waarop ik de paarden verzorg en worden er conclusies getrokken op basis van verwachtingen en aannames, waarvan ik de juistheid betwist (…).”

Met betrekking tot het toezichtsrapport naar aanleiding van de hercontrole van 28 januari 2014, heeft appellante in bezwaar het volgende aangevoerd:

“Erger vind ik, dat in het aanvullende rapport over de hercontrole GWWD van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming wederom aannames en veronderstellingen staan, die niet op juistheid berusten en wederom worden hieraan gevolgtrekkingen verbonden die incorrect zijn.”

Ten aanzien van maatregel 1 heeft appellante aangevoerd dat voer (brok en hooi) in drie voerbakken wordt aangeboden, zodat de paarden niet van de grond hoeven te eten. De bodem van de bakken is voorzien van mazen, waardoor het voer niet wordt vervuild door zand of water. Daarmee voldoet appellante, naar zij stelt, reeds aan de eerste maatregel.

Met betrekking tot de in de last opgenomen maatregel dat appellante voor schone en droge sta- en ligplaatsen voor haar paarden moet zorgen, heeft appellante er op gewezen dat de paarden de beschikking hebben over een schuilstal, hetgeen zij onderbouwd heeft met diverse foto’s en plattegronden. In haar bezwaarschrift merkt appellante met betrekking tot de schone en droge sta- en ligplaatsen tevens het volgende op:

“Ik kom dagelijks minimaal twee keer per dag bij de paarden om te voeren en te verzorgen. Meestal gebeurt dat ’s ochtends rond 6 uur (weekend: ca. 8u) en ’s middags tussen 16 en 19u. Op die momenten wordt ook de betonplaat schoon geschept en geveegd.”

En:

“Door te variëren in de beschikbare compartimenten (en de beschikking over de schuilstal) en de betonplaat twee keer per dag schoon te maken hebben de paarden ruimschoots en voldoende vaak beschikking over droge sta- en ligplekken. Ook als er water op de betonplaat staat blijven de benen van de paarden droog (ze zakken niet weg in de modder) waardoor er geen vergrote kans op mok is.”

De door de toezichthouder in het ter zake van de controle op 15 januari 2014 opgemaakte toezichtrapport aangedragen suggestie om de achtergelegen wei open te stellen, wijst appellante in haar bezwaarschrift van de hand en voert daartoe het volgende aan:

“Zoals al gezegd ligt het hele perceel laag en dus verandert ieder deel, dat de paarden in een natte periode ter beschikking hebben binnen enkele dagen van weiland in modder. De suggestie om de achtergelegen wei open te stellen zou dus leiden tot een situatie, die voor de paarden uiteindelijk een verslechtering zou betekenen.”

Met betrekking tot de permanente verzorging en de gezondheid van de paarden heeft appellante in bezwaar nog het volgende opgemerkt:

“De paarden zijn kerngezond en krijgen de aandacht en verzorging die past bij jonge paarden. Regelmatig komen dierenarts, hoefsmid en tandarts en indien nodig fysiotherapeut bij de paarden. Zij krijgen tijdig de jaarlijkse inentingen. Ik laat bloed- en mestonderzoek doen om te verifiëren, dat de gezondheid inderdaad in orde is. Op infectie ziektes als mok en rotstraal controleer ik regelmatig.”

Zij heeft daarbij tevens verklaringen overgelegd van een hoefsmid en een dierenarts. Hoefsmid [naam 3] heeft in dit verband het volgende verklaard:

“Hierbij laat hoefsmid [naam 3] weten dat de paarden van [naam 1] netjes worden bijgehouden op de voeten en deze vrij zijn van rotstraal en iedere 6 tot 8 weken worden opgekapt.”

Dierenarts [naam 4] heeft met betrekking tot de paarden van appellante de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“Met dit schrijven verklaar ik dat de paarden van eigenares [naam 1] in goede conditie verkeren. De paarden krijgen ook tijdig hun vaccinaties en ontwormingen. De dieren zijn ook vrij van infecties.”

Tot slot heeft appellante er in bezwaar op gewezen dat zij beroepshalve veel verstand heeft van paarden en paardenverzorging:

“Ik heb in 2007 de gecombineerde HBO opleiding ‘paardensport’ (Helicon Deurne) en ‘Educatie en Management in de groene sector’ (Stoas Hogeschool Dronten) succesvol afgerond en behoor daarmee tot de zeer kleine groep mensen in Nederland die op Bachelor niveau gespecialiseerde zorg over paarde heeft gehad. (…). Vervolgens ben ik enkele jaren werkzaam geweest als docent aan de MNO opleidingen Paardenhouderij en Paardensport bij het Citaverde College in Roermond. Naast rij technische instructie aan leerlingen behoorde ook het verzorgen van de theorie en de praktijk lessen over Verzorging en Gezondheid van paarden tot mijn takenpakket.”

1.5

Bij het bestreden besluit van 17 april 2014 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de ter beschikking staande schuilstal te klein is om als droge en schone ligplaats te kwalificeren en dat hij uit mag gaan van de juistheid van de ter zake opgemaakte toezichtrapporten. Verweerder heeft appellante geadviseerd een schuilstal te realiseren en haar gewezen op de Gids voor de goede praktijken van de Sectorraad Paarden.

2.1

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(….)

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 5:32

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

(…)”

2.2

Appellante heeft zich in beroep, onder meer, op het standpunt gesteld dat zij artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd niet heeft overtreden, omdat zij haar paarden goed verzorgt en zij in een uitstekende conditie verkeren. Dit beeld wordt bevestigd door een in beroep overgelegde verklaring van dierenarts [naam 5] en twee aanvullende verklaringen van de eerdergenoemde dierenarts [naam 4] en hoefsmid [naam 3] . Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat het voor de vaststelling van de overtredingen niet voldoende is dat er een risico bestaat op gezondheidsproblemen, zoals verweerder stelt. Haar paarden zijn kerngezond, waardoor van een overtreding geen sprake is. Op basis van subjectieve veronderstellingen is aangenomen dat het welzijn en de gezondheid van haar paarden in het geding is (geweest). Zo wordt gerelateerd dat de paarden tijdens een controle zijn blijven liggen, hetgeen op vermoeidheid zou kunnen duiden, omdat paarden van nature vluchtdieren zijn. Deze veronderstelling ziet er, aldus appellante, aan voorbij dat deze paarden vanaf de geboorte, in de bewoordingen van appellante, “veel in de hand [zijn] geweest”, gedomesticeerd en absoluut niet bang voor mensen. Dat ze zijn blijven liggen duidt juist op het hebben van vertrouwen. De toezichtrapporten bevatten verder meerdere feitelijke onjuistheden. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat de in het toezichtrapport van 28 januari 2014 vermelde afmetingen van de schuilschuur – die er overigens al stond ten tijde van de eerste controle – niet kloppen; de schuur is weliswaar 2,5 m breed, maar wel 3,5 m diep en inmiddels zelfs uitgebreid tot 5 m diep. De afmetingen die de Sectorraad hanteert zijn een advies, geen voorschrift, en hebben geen betrekking op schuilstallen maar op boxen. In het bestreden besluit wordt onevenredig veel aandacht besteed aan de afmetingen van de schuilschuur, terwijl voorbij wordt gegaan aan het feit dat de paarden met de betonplaat al een voldoende schone en droge sta- en ligplaats hadden. In de situatie van appellante zou dan ook niet mogen worden uitgegaan van de juistheid van de toezichtrapporten.

2.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de toezichtrapporten genoegzaam blijkt dat appellante artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd heeft overtreden en dat daarom terecht een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd. De verklaringen van de veearts en de hoefsmid zijn niet relevant, omdat ze te algemeen van aard zijn en bovendien geen betrekking hebben op de huisvestingsituatie ten tijde van de overtreding. De door appellante overgelegde foto’s zijn evenmin bruikbaar, aangezien ze ongedateerd zijn. Ter zitting heeft verweerder de stelling ingenomen dat het voor de vaststelling van de overtreding van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd reeds voldoende is dat paarden het risico lopen op ziektes als mok en rotstraal. Tot slot heeft verweerder ter zitting benadrukt dat de verwijzing naar de in de Gids voor de goede praktijken van de Sectorraad Paarden voorgeschreven afmetingen van boxen slechts een advies betrof, waaraan appellante niet gehouden is gehoor te geven.

3.1

Verweerder heeft de bestreden last onder dwangsom opgelegd omdat hij meent dat appellante artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd heeft overtreden. Deze artikelen zijn per 1 juli 2014 vervallen. Ingevolge het ter zake geldende overgangsrecht blijven deze artikelen in deze procedure evenwel toepasselijk.

3.2

Verweerder heeft zijn oordeel doen steunen op de inhoud van op ambtseed opgemaakt toezichtrapport, een her-controlerapport en een aanvullend her-controlerapport.

3.3

In dit verband roept het College – daarmee zijn vaste jurisprudentie volgend (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CBB:2007:BA1577) – in herinnering dat daarbij in beginsel mag worden afgegaan op de inhoud van in dergelijke rapporten vermelde waarnemingen van feiten. Indien de juistheid van de waarnemingen gemotiveerd wordt betwist, ligt het op de weg van verweerder om zich in het kader van zijn besluitvorming van die juistheid te vergewissen. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het proces-verbaal/toezichtrapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

3.4

Het College wijst er op dat appellante er in de bezwaarfase over heeft geklaagd dat de primaire besluiten zijn gebaseerd op (deels) onjuiste feiten, subjectieve bevindingen van de toezichthouder en ten onrechte getrokken conclusies. Zij heeft in de bezwaarfase uiteengezet welke verzorging haar paarden genieten en die verzorging geplaatst tegen de achtergrond van de door haar gevolgde , gespecialiseerde, opleiding, die mede de verzorging van paarden omvat. Voorts heeft zij haar stellingen – evenzeer in de bezwaarfase - kracht bij gezet door het overleggen van schriftelijke verklaringen van een dierenarts en een hoefsmid.

3.5

De vraag is dus of verweerders conclusie dat appellante de artikelen 36, eerste lid en artikel 37 van de Gwwd heeft overtreden berust op een deugdelijke grondslag. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

3.5.1

In de eerste plaats is appellante verweten dat zij niet heeft voorzien in een droge/zindelijke voerplaats op het betrokken perceel. Daarom is haar maatregel 1 opgelegd. Appellante heeft een en ander in bezwaar bestreden, stellende dat voer ( brok en hooi) in drie voerbakken wordt aangeboden, waarbij de bodems zijn voorzien van mazen, zodat het hooi niet wordt vervuild. Appellante heeft hieraan in haar bezwaarschrift de woorden toegevoegd: “mij is niet duidelijk wat hieraan verbeterd zou kunnen of moeten worden”. Ter zitting heeft appellante daar aan toegevoegd dat zij deze bakken al 5 jaar gebruikt. De gemachtigde van verweerder heeft daar ter zitting tegenover gesteld dat tijdens de eerste controle voer op de betonplaat lag en pas tijdens de tweede controle in bakken werd aangeboden. Op dit punt heeft het de aandacht van het College getrokken dat in de rapporten betreffende de hercontrole over het voldoen aan maatregel 1 niets wordt vermeld en deze rapporten zich beperken tot maatregel 2. Gelet op hetgeen appellante in haar bezwaarschrift van 31 januari 2014 ter zake heeft aangevoerd zou verwacht mogen worden dat in het aanvullende rapport ter zake van de hercontrole van 5 februari 2014 uitdrukkelijk zou zijn vermeld waarin dan de wijziging in de situatie ten opzichte van de eerste controle zou hebben bestaan. Aangezien dat rapport daaromtrent niets vermeldt, is, geplaatst tegen de achtergrond van hetgeen appellante in bezwaar gemotiveerd naar voren heeft gebracht, onvoldoende komen vast te staan dat appellante in het adequaat voederen van haar paarden op het betrokken perceel, ten tijde hier van belang, is tekort geschoten. Dat leidt tot de conclusie dat verweerder het opleggen van maatregel 1 niet heeft doen steunen op een deugdelijke grondslag.

3.5.2

Ten aanzien van het opleggen van maatregel 2 overweegt het College als volgt. In de eerste plaats is ter zitting komen vast te staan dat de controlerapporten een fout bevatten waar het de oppervlakte betreft van het schuilstalletje bij het betrokken perceel. In deze rapporten wordt telkenmale melding gemaakt van een stalletje van 2.50 m. bij 1.80 m. Gelet op het tot de gedingstukken behorende fotomateriaal en naar door verweerder ter zitting ook is toegegeven, is de oppervlakte van dit stalletje aanmerkelijk groter. Na aftrek van een aan de achterzijde afgezet gedeelte voor de opslag van een zadel en paardenverzorgingsmiddelen, resteert, naar is komen vast te staan, een oppervlakte van 8,75 m2 (3,50 m. bij 2,50), tegen 4,50 m2 volgens de controlerapporten. Ter zitting is van de zijde van verweerder aangegeven dat met het oppervlak zoals dat in de toezichtrapporten is genoemd, waarschijnlijk alleen het achterste gedeelte in het stalletje is bedoeld, wat bij de controle droog en opgestrooid was. De conclusie die hieraan door het College wordt verbonden is dat de rapporten op een voor de daarop gebaseerde besluiten essentieel punt een – minst genomen, versluierende – vermenging bevatten van feit en waardering, waardoor de betrouwbaarheid van die rapporten om op dit punt nog als grondslag voor de conclusie van verweerder te kunnen dienen, in in aanmerking te nemen mate wordt aangetast. Hier komt nog het volgende bij. Gemeenlijk zal het niet kunnen beschikken over een droge/zindelijke ligplaats in omstandigheden als hier aan de orde een aanwijzing kunnen zijn dat aan een dier de nodige verzorging wordt onthouden dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier wordt benadeeld. Uit de stukken blijkt evenwel dat voor het stalletje een betonplaat ligt van ongeveer 20 m2 die, naar door verweerder niet is bestreden, door appellante twee keer per dag wordt schoongemaakt. Weliswaar is de rest van het terrein modderig, waardoor aannemelijk is dat deze plaat en het stalletje na schoon en droog gemaakt te zijn allengs weer vochtig worden, maar daaruit volgt, in het licht van hetgeen appellante heeft aangevoerd, niet zonder meer dat aan de paarden de nodige verzorging wordt onthouden dan wel de gezondheid of het welzijn van deze dieren wordt benadeeld. Aldus rijst twijfel of hier sprake is van overtreding van de hiervoor genoemde artikelen van de Gwwd. Die twijfel wordt nog gevoed door de inhoud van de door appellante reeds in de bezwaarfase in het geding gebrachte verklaringen. Verweerder of de inspectie had, gelet op de gemotiveerde bezwaren van appellante, hier meer fundament aan zijn standpunt dat appellante de overtreding heeft gepleegd, ten grondslag moeten trachten te leggen, bijvoorbeeld door, zoals in dit soort zaken niet ongebruikelijk is, ter zake mede het oordeel van een dierenarts in te winnen. Dat is niet gebeurd, terwijl het plegen van een overtreding hier, gelet op het voren overwogene, niet zo evident was dat het inwinnen van een zodanig oordeel als overbodig zou moeten worden bestempeld. Al het voorgaande leidt het College tot het oordeel dat verweerder ook het opleggen van maatregel 2 niet heeft doen steunen op een deugdelijke grondslag. Dat betekent dat, nu niet genoegzaam is aangetoond dat appellante de haar verweten overtredingen heeft gepleegd, aan verweerder niet de bevoegdheid toekwam haar ter zake een last onder dwangsom op te leggen. Daarmee gaat ook het besluit de dwangsom in te vorderen ten onder.

4. Het beroep van appellante is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en de primaire besluiten herroepen.

5. Het College ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 735,- (0,5 punt voor het indienen van nadere stukken en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 490,- per punt en een wegingsfactor 1). De appellante gevraagde reiskosten worden vastgesteld op € 41,86 (€ 31,60 voor een treinretour en € 10,26 voor het deel van de reis dat zij met de auto heeft afgelegd). De door appellante gevraagde verletkosten worden begroot op € 42,-. Daarbij is uitgegaan van zes uur en een (forfaitair) bedrag van €7,-- per uur nu een onderbouwing van de door appellante gestelde verletkosten ter hoogte van €100,- ontbreekt.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten en bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 735,- aan appellante te betalen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de reis- en verletkosten tot een bedrag van € 52,26 aan appellante te betalen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. X.M. Born