Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:30

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
AWB 12/104
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag 2010, C-485/12, korting, geen schuld

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/104

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2015 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

(gemachtigde: ing. W. van de Geest)

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken,

(gemachtigden: bc. R. Weltevreden en mr. C.E.B. Haazen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld.

Bij besluit van 14 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen dit besluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant, zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder waren daar aanwezig.

Bij beslissing van 26 maart 2013 heeft het College het onderzoek heropend.

Het College heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 april 2014 in de zaak C-485/12 (ECLI:EU:C:2014:250).

Bij brief van 17 juli 2014 heeft appellant een reactie in het geding gebracht.

Beide partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting.

Overwegingen

1. Met het formulier “Gecombineerde opgave 2010” heeft appellant onder meer om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht en hiervoor 16 percelen met een totale oppervlakte van 27.65 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de oppervlakte van de percelen vastgesteld aan de hand van een administratieve kruiscontrole via de AAN-laag - het systeem van referentiepercelen - en daarbij ook de onderliggende luchtfoto's geraadpleegd. Het aan appellant toegekende bedrag is € 19.359,93. Bij die vaststelling is verweerder uitgegaan van 27,00 beschikbare toeslagrechten. Van de opgegeven oppervlakte is 0.69 ha afgekeurd. Aan appellant is in verband daarmee een korting ter hoogte van € 540,48 opgelegd.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten hiertegen gedeeltelijk gegrond verklaard, de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen gewijzigd vastgesteld, het kortingsbedrag verlaagd naar € 493,48 en het primaire besluit voor het overige gehandhaafd.

2. Appellant voert – voor zover thans relevant – aan dat de Algemene inspectiedienst (AID) op 3 augustus 2009 een veldinspectie heeft uitgevoerd in het kader van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN). Zo’n veldinspectie geeft een beter en betrouwbaarder beeld dan een luchtfoto. Mede op basis van informatie uit de veldinspectie heeft appellant zijn percelen voor de bedrijfstoeslag 2010 opgegeven. Hoewel de feitelijke oppervlakte van de veenweidepercelen niet is gewijzigd na 2009 - behalve perceel 3 dat kleiner is opgegeven in 2010 vanwege de bouw van een nieuwe stal - heeft verweerder de oppervlakte van alle percelen kleiner geconstateerd. De meting uit 2009 was in 2010 nog actueel. Daar komt bij dat verweerder niet heeft aangetoond dat de meetmethode van de AID niet meer correct zou zijn.
Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 22 juni 2011 (ECLI:NL:CBB:2011: BQ9737) voert appellant tot slot aan dat, ook al zou hij zijn uitgegaan van onjuiste oppervlakten, dit hem niet kan worden verweten.

3.1

Met betrekking tot de meting van de AID uit 2009 stelt verweerder zich op het volgende standpunt. De meting is uitgevoerd in het kader van de SAN. Daarbij worden beheerseenheden opgegeven die meerdere percelen of één perceel of een onderdeel daarvan omvatten. Het hoeft niet hetzelfde stuk grond te zijn dat voor de bedrijfstoeslag als één perceel wordt opgegeven. Daarom hoeft de meting van de beheerseenheid niet ook de meting van de oppervlakte van een perceel voor de bedrijfstoeslag te zijn. In de meeste gevallen is bij appellant geen meting gedaan van de afzonderlijke percelen zoals deze zijn opgegeven in de Gecombineerde opgave 2010. De bedrijfstoeslag 2010 is gebaseerd op de subsidiabele oppervlakte in 2010 welke wordt vastgesteld door de door appellant opgegeven oppervlakte te vergelijken met de bij verweerder in het systeem voor referentiepercelen geregistreerde oppervlakte. Verweerder heeft luchtfoto's die betrekking hebben op toeslagjaar 2010 gebruikt, terwijl de fysieke controle waarnaar appellant verwijst in 2009 is verricht. Het is niet mogelijk om de registratie van percelen die is gebaseerd op actuele informatie te wijzigen op grond van minder actuele resultaten uit een ander jaar.

Daarnaast heeft verweerder gesteld dat de resultaten van een GPS-meting niet zonder meer worden overgenomen omdat een GPS-meting niet bruikbaar is om percelen of perceelsgrenzen in te tekenen in het percelenregister. Een GPS-meting kan wel aanleiding zijn om een AAN-perceel nader te bezien en aan de hand van de luchtfoto te beoordelen of de perceelsgrenzen nauwkeuriger kunnen worden gelegd. Dat dit niet per se leidt tot dezelfde oppervlakten als de gemeten oppervlakten houdt verband met de meetonnauwkeurigheid die zich bij een GPS-meting voordoet.

3.2

Hoewel wijzigingen in het register van referentiepercelen hebben plaatsgevonden die voor appellant verwarrend kunnen zijn geweest, is verweerder van mening dat de oppervlaktes die uiteindelijk voor appellant zijn geconstateerd in het kader van de bedrijfstoeslag 2010, zijn vastgesteld op basis van de referentiepercelen met de juiste oppervlakte.

3.3

Wat de verwijtbaarheid van de onjuiste opgave betreft stelt verweerder dat de situatie van appellant niet gelijk kan worden gesteld met de situatie in de door hem genoemde uitspraak. De verkleiningen van de aangegeven oppervlakten, zoals appellant deze zelf had moeten aangeven naar aanleiding van verweerders brief van 27 augustus 2010, hebben niet plaatsgevonden. Appellant heeft aan deze zogeheten “e-bopbrief” kennelijk geen gevolg gegeven. Het is echter niet aan verweerder om de opgave van landbouwers aan te passen maar aan appellant, nu hij verantwoordelijk blijft voor de juistheid van zijn opgave.

4.1

Het College overweegt als volgt. In het arrest in de zaak C-485/12 (ECLI:EU:C:2014: 250) heeft het Hof overwogen dat artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 (dit is de voorloper van Verordening (EG) nr. 1122/2009) bepaalt dat de constatering van onjuistheden in de aangifte van de landbouwer aanleiding geeft tot een vervolgactie in de vorm van enige passende administratieve procedure en zo nodig een controle ter plaatse. Dit geldt - ingevolge de doelstelling van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 - ook als die onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen door een vergelijking tussen opgegeven percelen landbouwgrond en recente luchtbeelden die worden gebruikt voor actualisering van het systeem voor identificatie van de landbouwpercelen. Wordt een onregelmatigheid geconstateerd dan is het aan de bevoegde autoriteit om te beoordelen welke maatregelen dienen te worden genomen. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegde autoriteit die geen enkele twijfel koestert over de meetgegevens die zij heeft ontleend aan de luchtbeelden waarover zij beschikt, in elk geval niet verplicht is om de betrokken percelen ter plaatse op te meten. Zou de bevoegde autoriteit in het geval zij een onregelmatigheid constateert altijd de percelen ter plaatse moeten meten, dan zou de beoordelingsruimte betekenisloos zijn, aldus het Hof.

4.2

In het licht van het voorgaande overweegt het College dat verweerder, gelet op de hogere nauwkeurigheid van de bepaling van oppervlaktes op basis van luchtfoto’s, daarvan in deze zaak heeft kunnen uitgaan. Appellant heeft geen concrete argumenten aangedragen die een duidelijke aanwijzing zouden kunnen opleveren dat de vaststelling van de referentiepercelen op basis van nauwkeurige luchtfoto’s tot onjuiste of in ieder geval onbetrouwbare resultaten heeft geleid, en dat een controle ter plaatse het geëigende middel zou zijn om tot een (nog) meer gedegen oppervlaktevaststelling te komen. Daarom ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde oppervlakte van de in geding zijnde percelen. Hetgeen door appellant is aangevoerd slaagt daarom niet.

4.3

Met betrekking tot het standpunt van appellant dat hem gelet op artikel 73 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 geen korting behoorde worden opgelegd omdat hem geen schuld treft aan de onjuiste opgave overweegt het College het volgende. Voorwaarde voor de eventuele toepassing van artikel 73 is dat er sprake is van verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/22009. Daarvan is in het geval van appellant echter geen sprake. Verweerder heeft slechts op grond van artikel 57, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2209 de steun berekend op basis van een kleinere (geconstateerde) oppervlakte dan de opgegeven oppervlakte. De verminderde uitbetaling van toeslagrechten is geen verlaging of uitsluiting als bedoeld in artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2209. Onder deze omstandigheden kan de vraag of appellant schuld treft aan de onjuiste opgave niet aan de orde komen. Hetgeen door appellant op dit punt is aangevoerd slaagt daarom niet.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2015.


w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven