Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:299

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
11/295, 11/296, 11/297, 11/313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn - matiging - gezamenlijk procederen - delen van leed

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2015/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 11/295, 11/296, 11/297 en 11/313

25000

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2015 in de zaak tussen

1. [naam 1], te [plaats 1] ;

2. [naam 2], te [plaats 2] ;

3. [naam 3], te [plaats 3] ; en

4. [naam 4], te [plaats 4] , appellanten
(gemachtigde: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid OvRAN (OvRAN)),

en

het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA)

(gemachtigde: mr. A.M. Manshande-Nonhof).

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie; hierna Staat)(gemachtigde: mr. F.B.C. Creemer, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak).

Procesverloop

Appellanten hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen vier, aan elke appellant afzonderlijk gerichte besluiten van NBA – destijds nog diens rechtsvoorganger het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) – van 25 februari 2009.

Bij twee afzonderlijke uitspraken van 25 februari 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BQ7974 en ECLI:NL:CBB:2011:BQ7971) heeft het College de beroepen van appellanten sub 1 tot en met sub 3 gezamenlijk respectievelijk appellant sub 4 gegrond verklaard en bepaald dat NBA opnieuw zal beslissen met inachtneming van deze uitspraken.

NBA heeft bij besluiten van 11 maart 2011 opnieuw beslist. Tegen deze besluiten hebben appellanten sub 1 tot en met sub 3 gezamenlijk en appellant sub 4 afzonderlijk beroep ingesteld bij het College.

Bij uitspraak van 18 augustus 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:351) heeft het College de beroepen van appellanten ongegrond verklaard en voorts bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als de rechterlijke fase, en tevens de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Bij brief van 22 augustus 2014 heeft appellant sub 4 een uitzetting gegeven over het verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 16 september 2014 heeft NBA een reactie gegeven op het verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van hun gemachtigde van 10 oktober 2014 hebben appellanten sub 1 tot en met sub 3 hun uiteenzetting gegeven over het verzoek om schadevergoeding.

Op 11 oktober 2014 heeft appellant sub 4 ingediend zijn machtiging, waarbij OvRAN is gemachtigd om namens hem op te treden ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding, en de genoemde brief van 10 oktober 2014.

Bij brief van 22 oktober 2014 heeft de Staat een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarop het College het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. NBA stelt naar aanleiding van genoemde uitspraak van het College van 18 augustus 2014 dat haar niet is gebleken dat appellant sub 4 heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dienaangaande overweegt het College dat het in genoemde uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft vastgesteld dat ter zitting appellanten, waaronder dus ook appellant sub 4, hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek is bij genoemde uitspraak heropend uitsluitend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding. Deze stelling van NBA treft derhalve geen doel.

2. Appellanten menen onder verwijzing naar de uitspraak van 18 augustus 2014 dat de overschrijding van de redelijke termijn in hun geval twee jaar en negen maanden respectievelijk twee jaar en acht maanden bedraagt, zodat een schadevergoeding van € 3.000 per appellant is aangewezen. NBA voert aan, kort gezegd, dat de overschrijding van de redelijke termijn voor een groter deel aan de rechter is toe te rekenen. Ten aanzien van appellanten sub 1 tot en met sub 3 brengt NBA voorts naar voren dat zij in de bodemprocedure gezamenlijk hebben opgetreden en dat om die reden aan ieder van hen slechts een derde deel van de (standaard)schadevergoeding dient te worden toegekend. De Staat refereert zich aan het oordeel van het College.

Het College overweegt als volgt.

3. Zoals het College in zijn uitspraak van 18 augustus 2014 heeft overwogen moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de appellanten gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten.

Voor zaken als hier aan de orde acht het College een totale lengte van de procedure van drie jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar tegen een besluit ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep bij het College ten hoogste twee jaar mag duren, met dien verstande dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.

Volgens vaste jurisprudentie is het uitgangspunt dat een tarief voor de financiële tegemoetkoming wordt gehanteerd van € 500 per half jaar of een deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.

Eveneens is volgens vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door het College – zoals in dit geval –, de overschrijding van de redelijke termijn na de vernietiging in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

Het voorgaande leidt tot de volgende beoordeling.

4. Het College heeft in zijn uitspraak van 18 augustus 2014 vastgesteld dat sedert de ontvangst door NBA op 20 november 2008 en 8 december 2008 van de respectieve bezwaarschriften van appellanten sub 1 tot en met sub 3 en appellant sub 4 tot aan de uitspraak van het College vijf jaar en acht maanden zijn verstreken. Dat betekent in dit geval een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal twee jaar en acht maanden.

Verder staat vast dat de eerste behandeling door het College vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift, in het geval van appellanten sub 1 tot en met sub 3 op 13 maart 2009 en in het geval van appellant sub 4 op 25 maart 2009, en eindigend met de uitspraak van 15 februari 2011, een jaar en elf maanden in beslag heeft genomen. Met deze eerste behandeling heeft het College derhalve niet de behandelingsduur van twee jaar overschreden.

De hernieuwde behandeling door het College vanaf de ontvangst van het tweede beroepschrift, in het geval van appellanten sub 1 tot en met sub 3 op 7 april 2011 en in het geval van appellant sub 4 op 20 april 2011, en eindigend met de uitspraak van 18 augustus 2014, heeft drie jaar en vier maanden in beslag genomen. Met die hernieuwde behandeling heeft het College derhalve wel de behandelingsduur van twee jaar overschreden, en wel met een jaar en vier maanden. Die overschrijding behelst de helft van de totale termijnoverschrijding en betekent derhalve dat NBA en de Staat (de laatste voor het College) elk de helft van de totale schadevergoeding voor hun rekening dienen te nemen.

Het College volgt NBA niet in haar standpunt dat het College een groter deel van de termijnoverschrijding is toe te rekenen (en daarmee de Staat een groter deel van de schadevergoeding voor zijn rekening dient te nemen). De omstandigheid dat de eerste en hernieuwde behandeling door NBA van de bezwaarschriften van appellanten bij elkaar slechts vier maanden heeft geduurd, laat immers onverlet dat de eerste besluiten op bezwaar zijn vernietigd en dit heeft geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar. De hiermee gemoeide behandelingsduur moet volledig aan NBA worden toegerekend. De omstandigheid dat het College bij de hernieuwde behandeling van het beroep niet voortvarend heeft gehandeld, waarbij NBA heeft gewezen op specifieke momenten, heeft het College bij de beoordeling van het onderhavig verzoek betrokken door een behandelingsduur van twee jaar als grens te stellen.

5. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraken van 24 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:234) en 5 februari 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:BZ4277) overweegt het College ten aanzien van appellanten sub 1 tot en met sub 3 het volgende. De omstandigheid dat zij gezamenlijk hebben geprocedeerd heeft naar het oordeel van het College een zodanige matigende invloed gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die door hen is ondervonden door de te lang durende procedure, dat dit een reden vormt om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding ten aanzien van ieder van hen afzonderlijk gelijkelijk te matigen. Hierbij acht het College met name relevant dat deze appellanten bij gezamenlijke brieven bezwaar en beroep hebben ingesteld, dat zij een gelijk belang hebben en dat zij zich ook ter zitting gezamenlijk hebben laten vertegenwoordigen. Door deze wijze van procederen hebben zij gezamenlijk de voor- en nadelen van de bodemprocedure kunnen dragen.

6. Ten aanzien van appellant sub 4 bestaat aanleiding de schadevergoeding in dezelfde mate te matigen. Zoals blijkt uit genoemde uitspraken van het College van 25 februari 2011 en 18 augustus 2014 heeft appellant sub 4 vrijwel gelijktijdig met appellanten sub 1 tot en met sub 3 op deels vergelijkbare gronden geprocedeerd tegen vergelijkbare besluiten van NBA. Naar aanleiding van de, vrijwel gelijkluidende, uitspraken van het College van 25 februari 2011 heeft appellant sub 4 samen met OvRAN en de andere appellanten op 12 augustus 2011 een klacht ingediend bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, houdt het College het ervoor dat appellant sub 4 de periode van stress, ongemak en onzekerheid, die bij alle appellanten vrijwel gelijktijdig is ontstaan als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn – op 20 november 2011 bij appellanten sub 1 tot en met sub 3 en op 8 december 2011 bij appellant sub 4 –, met de andere appellanten heeft kunnen delen. In dit verband is niet zonder betekenis dat appellant sub 4 de door appellanten sub 1 tot en met sub 3 aangevoerde gronden van het verzoek om schadevergoeding tot de zijne heeft gemaakt en zich ook laat vertegenwoordigen door OvRAN, waarvan (onder meer) appellanten sub 1 en sub 3 bestuurders zijn.

7. De termijnoverschrijding bedraagt in dit geval meer dan twee jaar en zes maanden, doch minder dan drie jaar, hetgeen, uitgaande van het standaardtarief, correspondeert met een schadevergoedingsbedrag van (6 x € 500 =) € 3.000. Aangezien appellanten sub 1 tot en met sub 3 gezamenlijk en appellant sub 4 afzonderlijk beroep hebben ingesteld, zou genoemd bedrag met een factor twee worden vermenigvuldigd, aldus neerkomend op een totaal schadevergoedingsbedrag van € 6.000. Mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is overwogen, zal het College de schadevergoeding vaststellen op € 1.500 per appellant. Verder dienen NBA en de Staat ieder voor de helft van de schadevergoeding voor hun rekening nemen. Dit betekent dat zij aan elk van de appellanten afzonderlijk € 750 dienen te vergoeden.

8. Het College komt tot de slotsom dat de Staat en NBA elk dienen te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 750 per appellant.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- veroordeelt de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants en de Staat der Nederlanden elk tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 750 (zegge: zevenhonderdvijftig euro) per appellant.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. C.J. Waterbolk en mr. T.L. de Vries, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. S.D.M. Michael