Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:298

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
14/760
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jonge landbouwers

Wetsverwijzingen
Kaderwet LNV-subsidies
Algemene wet bestuursrecht 4:35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/760

27810/27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. A.P.W.M. Kocken),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. den Haan).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel jonge landbouwers 2012, (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 13/476. Bij uitspraak van 16 juli 2014 heeft het College het beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 mei 2013 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak het bezwaar van appellante bij besluit van 17 oktober 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Partijen waren vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de uitspraak van 16 juli 2014 heeft het College onder meer het volgende overwogen:

“(…)

6. Het College is van oordeel dat artikel 2:1 van de Regeling geen grondslag biedt voor het besluit om de door appellante gevraagde subsidie te weigeren. Het vestigen van een opstalrecht wordt hierin niet expliciet als voorwaarde voor subsidieverlening genoemd. Anders dan verweerder stelt kan noch uit artikel 2:1, noch uit andere bepalingen van de Regeling worden afgeleid dat reeds ten tijde van de aanvraag of in de bezwaarfase een opstalrecht dient te zijn gevestigd om voor subsidie in het kader van de Regeling in aanmerking te komen. De Regeling laat verweerder evenmin ruimte om die nadere eis te stellen. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van appellante niet kon afwijzen met als reden dat zij niet tijdig een opstalrecht heeft gevestigd voor haar stal. Tevens wijst het College erop dat ter zitting is gebleken dat het bestreden besluit is gebaseerd op onjuiste feiten. Anders dan verweerder meende zal de nieuwe stal niet worden gebouwd op grond die appellante pacht van een derde, maar op grond die eigendom is van de vennootschap van appellante en haar man. Het besluit berust, gelet op het voorgaande, in strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op een deugdelijke motivering en dient reeds hierom te worden vernietigd. (…)”

2. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen en de bezwaren van appellante wederom ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder uiteengezet dat appellante heeft aangegeven dat zij de investering wil gebruiken voor haar eigen onderneming, maar dat verweerder, gelet op de investering waarvoor appellante de subsidie heeft aangevraagd en het gegeven dat appellante enkel een klein perceel gepachte grond binnen haar onderneming tot haar beschikking heeft, gegronde reden heeft om aan te nemen dat appellante niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Tijdens de eerdere zitting van het College is vast komen te staan dat de nieuwe stal niet zal worden gebouwd op de grond die appellante pacht van een derde, maar op grond die eigendom is van de maatschap die zij samen met haar man voert. Daarmee voldoet de investering niet aan het bepaalde in artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1:12 van de Regeling. Op het tijdstip van indiening en beoordeling van de aanvraag kwam de investering namelijk niet ten goede aan de onderneming van appellante, maar aan de onderneming waarvan de man van appellante bedrijfshoofd en bedrijfsleider is en waarvan hij het feitelijk beheer heeft. Deze laatste onderneming, aldus verweerder, profiteert door de eigendomsverkrijging van de omstandigheid dat de nieuw te bouwen stal op haar grond wordt gebouwd en zou bij het verlenen van de subsidie voor de stal aan appellante onrechtvaardig worden verrijkt. Relevant hierbij is dat de subsidie specifiek is bedoeld voor de landbouwonderneming die de jonge landbouwer is gestart en waarin hij gaat investeren en niet voor andere activiteiten. Met de omstandigheid dat appellante de grond waarop zij de stal gaat bouwen inmiddels in eigendom heeft verkregen kon op het tijdstip van beoordeling van de aanvraag geen rekening worden gehouden, omdat die informatie op dat moment nog niet beschikbaar was en de aanvraag moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden die gelden op het tijdstip van de beoordeling van de aanvraag. Dit geldt temeer nu voor het onderdeel jonge landbouwers van de Regeling in 2012 sprake was van een subsidieplafond.

3.1

Appellante heeft aangevoerd dat het betreffende geregistreerde gepachte perceel grond de ondergrond en het erf van een jongveestal betreft. De omvang van het areaal zegt niet of wel of niet aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan. De kernactiviteit van de onderneming van appellante is het opfokken van jongvee. Hiervoor dient een jongveestal ter beschikking te staan . Het in gebruik hebben van cultuurgrond is geen vereiste. Ook het feit dat op een later tijdstip daadwerkelijk is geïnvesteerd in de grond in eigendom en de nieuwe jongveestal geeft aan dat het argument van verweerder niet juist is. Voor het College was bij het doen van de uitspraak duidelijk wat de omvang van het areaal was en dat geïnvesteerd wordt in een jongveestal. Het areaal is expliciet aan de orde gekomen tijdens de eerdere zitting. Verweerder heeft niet, althans onvoldoende rekening gehouden met de uitspraak van het College.

3.2

Appellante heeft voorts aangevoerd dat niet relevant is wie op het moment van de subsidieaanvraag eigenaar is van de grond waarop zij de jongveestal gaat bouwen. Appellante beheerde op het moment van de aanvraag een landbouwonderneming in pacht en voldeed op het moment van de aanvraag aan de definitie van jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2:1 van de Regeling. Het afwijzen van de aanvraag omdat er op het moment van de aanvraag geen eigendom was, beschouwt appellante als een extra voorwaarde die niet volgt uit de Regeling. In de Regeling staat niet als voorwaarde dat op het moment van aanvraag bij de aanvrager grond in eigendom dient te zijn. Dat een aanvrager op het moment van de aanvraag de grond waarop de stal gebouwd gaat worden niet volledig in eigendom heeft, betekent niet dat de aanvrager op het moment dat de stal zal worden gebouwd en op het moment van subsidievaststelling die grond niet volledig in eigendom heeft. Verweerder heeft de aanvraag slechts afgewezen op basis van het vermoeden dat appellante later in het traject niet aan de voorwaarden zal voldoen; op het moment van de aanvraag voldeed zij wel aan de voorwaarden van de Regeling. Appellante heeft de eigendom van het perceel grond, gelegen nabij het [adres] te [plaats] , verkregen per 23 mei 2014. Zij stelt dat de investering dus wel degelijk ten goede zal komen aan de onderneming van de jonge landbouwer, te weten de onderneming van appellante. Op het moment van de subsidievaststelling voldoet appellante aan alle eisen van de Regeling.

3.3

Tot slot heeft appellante aangevoerd dat indien de regelgever vanwege het tendersysteem met subsidieplafond pacht op het moment van de subsidieaanvraag onvoldoende acht om aan de voorwaarden te voldoen, de regelgever dit in de Regeling kunnen had moeten opnemen. Nu moet appellante dit achteraf constateren. Dat is niet redelijk.

4. Over deze drie beroepsgronden, die zich lenen voor een gezamenlijk bespreking, overweegt het College als volgt.

4.1

Ingevolge artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 1:12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling voert de subsidieontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verleend uit met inachtneming van bij of krachtens deze regeling gestelde vereisten voor of voorwaarden bij subsidieverlening.

Artikel 2:1 van de Regeling bepaalt dat onder jonge landbouwer wordt verstaan een natuurlijke persoon die ten hoogste 39 jaar oud is en sinds ten hoogste drie jaar voor het eerst voor eigen rekening en risico een landbouwonderneming beheert die hij a) alleen in eigendom, pacht of erfpacht heeft, of b) volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft met een andere natuurlijke persoon die niet eerder een landbouwonderneming volledig in eigendom, pacht of erfpacht heeft gehad.

Ingevolge artikel 2:37, eerste lid, van de Regeling kan subsidie worden verstrekt aan landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a van dat artikel komt een landbouwonderneming voor subsidie in aanmerking indien door de investering de algehele prestatie van de landbouwonderneming wordt verbeterd.

4.2

Eerst naar aanleiding van de eerdere zitting van het College is voor verweerder duidelijk geworden dat appellante de nieuw te bouwen stal waarvoor appellante onderhavige aanvraag heeft ingediend zal bouwen op grond die appellante voor 10% en haar man voor 90% in eigendom heeft. Verweerder heeft zich vervolgens in het bestreden besluit, zoals in het verweerschrift en ter zitting van het College nader is toegelicht, op het standpunt gesteld en, in het licht van voormelde feiten en omstandigheden, naar het oordeel van het College, in redelijkheid ook heeft kunnen stellen, dat appellante weliswaar voldoet aan de definitie van jonge landbouwer, maar dat een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de subsidie ten goede zal komen aan de landbouwonderneming van haar man die eerder subsidie heeft ontvangen onder de Regeling en dat de subsidie derhalve niet zal worden geïnvesteerd in de onderneming van appellante zoals artikel 2:37 van de Regeling voorschrijft. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, achteraf blijkt dat zij de betreffende grond per 23 mei 2014 in eigendom heeft verkregen doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat ingevolge het bepaalde bij artikel 2:42, eerste lid van de Regeling de aanvraag moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden die golden op het moment van ontvangst van de aanvraag. Uitgaande daarvan bestond, naar blijkt, gegronde reden om aan te nemen dat de aanvrager niet zou voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.3

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden falen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. W.M.J.A. Duret