Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:296

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
15/183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bezwaar ten onrechte ontvankelijk geacht, algemeen verzoek om handhaving

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2015/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/183

13950

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. I.L. Haverkate),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigde: mr. M. de Leeuw).

Procesverloop

Bij brief van 15 juli 2014 heeft appellant verzocht om handhavend op te treden tegen orthodontisten die in afwijking van de tariefbeschikking Orthodontische zorg (TB/CU‑7081‑01) bij het plaatsen van bijzondere brackets extra kosten in rekening brengen, die niet specifiek zijn toe te rekenen aan die betreffende prestatie. Tevens heeft appellant verzocht om een bestuurlijk rechtsoordeel.

Bij besluit van 8 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerster een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven en appellant geïnformeerd dat verweerster geen mededelingen doet over de wijze waarop zij het signaal van appellant, dat orthodontisten in afwijking van de tariefbeschikking bij het plaatsen van bijzondere brackets extra kosten in rekening brengen, afhandelt.

Bij besluit van 28 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij opgemerkt dat haar bestuurlijk rechtsoordeel in dit geval geen besluit in de zin van de Awb is zodat het bezwaar op dit punt niet-ontvankelijk is. Verweerster heeft het verzoek tot handhaving toegewezen voor zover het verzoek ziet op het in het algemeen aanpakken van orthodontisten die in strijd handelen met de tariefbeschikking.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant heeft verzocht om handhavend op te treden tegen orthodontisten die in afwijking van de tariefbeschikking bij het plaatsen van bijzondere brackets extra kosten in rekening brengen, die niet specifiek zijn toe te rekenen aan die betreffende prestatie. Daarbij heeft appellant ter illustratie drie namen genoemd van orthodontisten die volgens hem meer declareren dan volgens de tariefbeschikking is toegestaan. Het gaat hem echter om het landelijke probleem waarmee volgens hem jaarlijks € 12,5 miljoen is gemoeid. Tevens heeft appellant in zijn brief van 15 juli 2014 verzocht om een bestuurlijk rechtsoordeel. Appellant heeft in het beroepschrift verklaard dat het verzoek om een bestuurlijk rechtsoordeel geen deel meer uitmaakt van de onderhavige procedure. Volgens appellant resteert alleen de vraag of verweerster op de juiste wijze heeft beslist op zijn verzoek tot handhaving. Hij is sinds 1 januari 2015 niet meer als orthodontist in loondienst werkzaam maar op freelancebasis in de praktijken van Orthocenter.

2. In het primaire besluit heeft verweerster over het verzoek tot handhaving opgemerkt dat zij veel signalen over mogelijk onrechtmatige gedragingen ontvangt. Verweerster weegt dergelijke signalen zorgvuldig, rekening houdend met haar handhavingsbeleid. Verweerster heeft een apart project waarbinnen signalen over de mondzorg worden afgewogen. Daarbij maakt zij een afweging welke signalen ook daadwerkelijk opvolging krijgen. Over de eventuele opvolging van een signaal doet verweerster in principe geen mededelingen in het belang van een eventueel onderzoek.

In het bestreden besluit heeft verweerster gesteld dat zij op basis van de door appellant aangeleverde informatie geen directe aanknopingspunten ziet om handhavend op te treden tegen de drie met naam genoemde orthodontisten. Wel ziet verweerster aanleiding om het declaratiegedrag binnen de gehele mondzorg te onderzoeken en zo nodig handhavend op te treden. Als zij voldoende informatie verzameld heeft, beslist verweerster met welke aanpak zij het beste effect kan bewerkstelligen, te weten het zo goed mogelijk naleven van de regelgeving door zoveel mogelijk orthodontisten. Verweerster is reeds een handhavingstraject gestart bij enkele aanbieders van mondzorg waarvan zij het vermoeden heeft dat deze declaraties hebben ingediend die in strijd zijn met de tariefbeschikking. Daarom heeft verweerster het verzoek tot handhaving toegewezen, voor zover het verzoek ziet op het in het algemeen aanpakken van orthodontisten die in strijd handelen met de tariefbeschikking. Verweerster heeft daarom het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

In het verweerschrift heeft verweerster betoogd dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor de ontvankelijkheid van het beroep moet voldaan zijn aan twee vereisten: appellant moet aangemerkt kunnen worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht en appellant moet voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Verweerster stelt dat aan deze eisen niet is voldaan. Appellant heeft volgens verweerster geen procesbelang meer omdat het doel dat hij met zijn beroep voor ogen had al is bereikt. Immers, verweerster heeft in het bestreden besluit het verzoek van appellant om in het algemeen op te treden tegen orthodontisten die in strijd handelen met de tariefbeschikking toegewezen en verweerster heeft conform deze toewijzing opgetreden. Verder heeft verweerster in het verweerschrift gesteld dat appellant geen belanghebbende meer is omdat appellant niet meer als orthodontist werkzaam is. Ter zitting heeft verweerster verklaard dat zij niet wist dat appellant nog als freelance orthodontist werkzaam was en dat deze stelling daarom wordt ingetrokken.

3. Het College stelt vast dat appellant geen verzoek heeft gedaan om jegens drie met name genoemde orthodontisten handhavend op te treden maar uitsluitend om handhaving in algemene zin heeft verzocht. Verweerster heeft in het primaire besluit ten aanzien van het algemene handhavingsverzoek zich in feite onthouden van een antwoord op dat verzoek. Appellant heeft dit geïnterpreteerd als een weigering om tot handhaving over te gaan.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant nader aangegeven er wel begrip voor te hebben, dat verweerster niet speciaal tegen de drie door hem genoemde overtreders optreedt omdat het immers om een landelijk probleem gaat. Hij vraagt wel om nadere informatie over de door verweerster voorgenomen handhavingsactiviteiten.

4. Het College overweegt dat het verzoek van appellant er in het algemeen toe strekte op te treden tegen orthodontisten, die een bepaalde, door appellant aangeduide overtreding plegen, waarbij hij heeft aangegeven, dat deze overtreding veelvuldig voorkomt. Daarmee heeft appellant niet om een of meer handhavingsbesluiten in concrete zaken gevraagd, maar om een bijstelling van verweersters handhavingspraktijk. Naar het oordeel van het College levert een beslissing van verweerster om al dan niet op dat verzoek in te gaan geen bestuursrechtelijke rechtshandeling op, maar een uitspraak over (voorgenomen) feitelijk handelen. Er is dus geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1.3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Dit betekent dat verweerster het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. In plaats daarvan heeft zij het bezwaar ten onrechte gedeeltelijk gegrond verklaard.

5. Het beroep is derhalve gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaren.

6. Het College veroordeelt verweerster in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 167 aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder