Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:290

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
AWB 14/443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

last onder bestuursdwang; schadevergoeding

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36 en 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2015/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/443

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant een last onder bestuursdwang opgelegd omdat de gezondheid en het welzijn van drie paarden was aangetast.

Bij besluit van 23 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Appellant is verschenen en heeft zich laten vergezellen door [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder waren tevens aanwezig T.N.R.L. Daniël, M. De Groot, ing. A.G. Verwaaijen en R. Velders.

Overwegingen

1. De volgende feiten zijn niet betwist en staan ook voor het College vast.

1.1

Appellant hield samen met zijn echtgenote vijf paarden in [plaats 2] (het College spreekt gemakshalve van paarden, hoewel er ook een aantal pony’s zijn). Naar aanleiding van een melding heeft een medewerker van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), die tevens toezichthouder is, wat betreft de naleving van onder meer de artikelen 35 tot en met 39 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd), samen met twee agenten van de dierenpolitie daar op 2 februari 2014 onderzoek ingesteld naar de verzorgingssituatie van deze paarden.

1.2

De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouder neergelegd in het toezichtsrapport van 13 februari 2014 (toezichtsrapport). Bij de controle waren appellant en zijn zoon aanwezig. De toezichthouder heeft in zijn rapport geconcludeerd dat onder andere appellant ervan wordt verdacht dat hij zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is bij drie paarden de gezondheid of het welzijn heeft benadeeld en dat hij ook de nodige verzorging aan deze dieren heeft onthouden.

Het toezichtsrapport vermeldt omtrent de melding, de gesprekken ter plaatste en de situatie van de paarden het volgende.

“(…)

Vijf paarden zouden in een slechte conditie verkeren, waarvan er een ernstig aan de diarree zou zijn en ook twee ernstig hoefbevangen zouden zijn. De eigenaren van de dieren zouden geen dierenarts consulteren voor de dieren.

(…)

Bevindingen Dierenpolitie:

Ter plaatse gesproken met [appellant] en zoon [van appellant]. Deze waren erg boos dat iemand een melding had gedaan. Ze vonden het erg laf. Het was moeilijk een gesprek met ze aan te gaan. Ze bleven in de aanvalmodes hangen. Het was erg lastig om de juiste informatie te geven. Op onze bevindingen werd gereageerd dat het de leeftijd is van de paarden en met de hoefbevangenheid kan je niks tegen doen. Op een gegeven moment reageerde [appellant] met bedreigingen naar melder. Duidelijkheid gegeven dat als het zo doorgaat hij aangehouden kon worden.

Rapp’s hebben alle paarden bekeken het waren er vijf. [naam 4] is een paardje van ongeveer 14 jaar. Eigenaar weet niet hoe oud deze is. Deze is chronisch hoefbevangen en zoals het er nu naar uitziet is ze weer hoefbevangen. [naam 5] is een merrie van 22 jaar oud. Deze is erg mager. Ontlasting is ook erg dun. Dan is er nog een oud paardje van ongeveer 35 jaar oud. Deze is aan de diarree. Haar achterwerk zit ook onder de stront. De andere twee zagen er goed uit.

Rapp’s hebben duidelijk gemaakt dat voor deze drie een dierenarts moet komen. Deze moet van de week komen. Dat wij de melding doorzetten naar de LID.

(…)”

1.3

Verweerder heeft bij het primaire besluit appellant een last onder bestuursdwang opgelegd om ervoor te zorgen dat de gezondheid en het welzijn van de paarden niet langer wordt benadeeld. Appellant is gelast om vóór 21 februari 2014 voor de drie paarden een dierenarts in te schakelen en het behandelplan uit te voeren.

1.4

De dierenarts van appellant heeft op 21 februari 2014 de paarden onderzocht en op
22 februari 2014 schriftelijk verklaard dat [naam 4] goed liep, geen scheuren had in de hoeven, geen tekenen van hoefbevangenheid vertoonde en op dat moment metacam kreeg. Ten aanzien van [naam 4] adviseerde de dierenarts de hoeven te laten bekappen. [naam 5] is volgens de verklaring erg mager, maar maakt verder geen zieke indruk, ze had geen koorts, liep goed en was niet ziek. Ze had wel dunne waterige mest. Dit probleem speelt al een jaar, ze heeft hiervoor al meerdere consulten gehad zonder resultaat. Zijn advies is om voedingsadvies in te winnen en te proberen om de dunne mest te laten verdwijnen. [naam 6] was volgens de dierenarts in goede conditie, liep goed, had geen diarree, heeft een slecht gebit waarvoor twee keer per jaar de “tandarts” komt. Tot slot benadrukt de dierenarts dat de dieren verder een gezonde indruk maken.

1.5

Aan het toezichtsrapport is de nota van de dierenarts van 28 februari 2014 gehecht. Deze nota is gericht aan appellant en bedraagt € 165,45. Voor een visite, het onderzoek van drie paarden en het opstellen van een verslag is € 127,96 in rekening gebracht. Voorts zijn administratiekosten en ontwormingsgel in rekening gebracht.

1.6

Op 6 maart 2014 heeft een hercontrole plaatsgevonden. Tijdens het telefoongesprek dat aan de hercontrole voorafging heeft de echtgenote van appellant verklaard dat zij de eigenaresse van de paarden was. Haar paarden waren volgens haar onder behandeling van een dierenarts. Na het opleggen van de last onder bestuursdwang heeft zij opnieuw een dierenarts ingeschakeld om de dieren ter plekke te onderzoeken. Deze heeft verklaard dat alles in orde was. De bevindingen van de hercontrole zijn neergelegd in het toezichtsrapport hercontrole van 7 maart 2014.

1.7

Op 11 april 2014 is de echtgenote van appellante gehoord naar aanleiding van het bezwaarschrift.

1.8

Bij brief van 1 juli 2014 heeft verweerder de echtgenote van appellant bericht dat op grond van de resultaten van het onderzoek op 4 maart 2014 en 9 mei 2014 is geconcludeerd dat aan de last is voldaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder baseert zich in het bestreden besluit op de bevindingen van de toezichthouders die specifiek zijn opgeleid om dergelijke controles uit te voeren. Appellant heeft haar twijfels hieraan niet met bewijs gestaafd, terwijl de bevindingen volgens verweerder worden ondersteund door de verklaring van de dierenarts van appellant. Verweerder concludeert dat appellant heeft nagelaten de dieren door een dierenarts te laten nakijken terwijl er gezondheidsproblemen waren. Tijdens de controle op 8 februari 2014 heeft de toezichthouder geconstateerd dat het paard [naam 4] slecht ter been was ten gevolge van (chronische) hoefbevangenheid. De omstandigheid dat appellant [naam 4] voor de controle reeds metacam zou hebben gegeven en het feit dat de pony tijdens de hercontrole op
6 maart 2014 beter liep, doet daar niets aan af. Bepalend zijn immers de constateringen zoals die door de toezichthouders ten tijde van de eerste controle zijn gedaan en die ten grondslag hebben gelegen aan de opgelegde last. De toezichthouders hebben met betrekking tot het paard [naam 5] waargenomen dat [naam 5] tijdens de eerste controle zeer dun was en waterige mest had. De dierenarts heeft deze toestand bevestigd en heeft appellant als advies meegegeven dat hij moet proberen de dunne mest te laten verdwijnen. Ten aanzien van het paard [naam 6] is op
8 februari 2014 waargenomen dat het paard diarree had en dat haar achterwerk onder de stront zat. Appellante heeft hiertegen niets ingebracht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant aldus de artikelen 36, eerste lid, en 37 van de Gwwd heeft overtreden.

3. Het College deelt niet het standpunt van verweerder dat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep, nu verweerder heeft vastgesteld dat aan de last is voldaan. Appellant heeft aan de last onder bestuursdwang voldaan door een dierenarts te consulteren. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij voor het dierenartsconsult kosten heeft gemaakt. Gelet daarop is het mogelijk dat appellant door het bestreden besluit schade heeft geleden. Reeds hieruit volgt dat appellant belang heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het bestreden besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BO9785).

4. De beroepsgrond van appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 juli 2007 (ECLI:RBDOR:1997:AH6416), dat verweerder de door het College geboden termijnen voor het indienen van een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overschreden en dat die termijn een fatale termijn is, treft geen doel. De termijnen die het College stelt voor het indienen van stukken zijn termijnen van orde en geen fatale termijnen. Het is aan het College om te bepalen welke gevolgen hij verbindt aan het niet tijdig voldoen door verweerder aan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Het overschrijden van deze termijnen door verweerder, hoewel ongewenst en veelvuldig, levert in dit geval geen schending van de procesorde op.

5. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de last ten onrechte heeft opgelegd. De echtgenote van appellant heeft altijd goed voor haar paarden gezorgd en tijdig een dierenarts ingeschakeld. Hiertoe is ook een verklaring overgelegd van een voormalige eigenaar van een pensionstal waar de paarden waren gestald. [naam 4] staat al jaren onder toezicht van een dierenarts en hoefsmid. Het paard is regelmatig hoefbevangen. Als oorzaak wordt het eten van eiwitrijk voedsel genoemd. De hoefsmid bekapt haar periodiek op een speciale wijze vanwege de hoefbevangenheid. De schriftelijke verklaring van de hoefsmid bevestigt dit. Ook wordt melding gemaakt van periodieke bekapbeurten van de andere dieren. [naam 5] is gedurende de laatste twee jaren mager en heeft af en toe dunne ontlasting. Zij is gedurende veertien dagen onderzocht in de dierenkliniek in Utrecht waar men niet kon vinden wat de oorzaak is. Tijdens de controle waren diarreepillen aanwezig om de dunne ontlasting te begeleiden. Zij wijst op de verklaring van de dierenarts, waarin deze verklaart dat dit paard mager is maar gezond. Volgens appellant is het mager worden een symptoom van ouderdom en werd het niet veroorzaakt door een gebrek aan voedsel. Er was een grote hoeveelheid voedsel aanwezig. Appellant probeert steeds door aanpassing van het hooi dunne ontlasting te voorkomen. De darmen van [naam 6] werken ten gevolge van ouderdom minder goed waardoor haar ontlasting weliswaar goed is, maar als laatste wat darmvocht wegloopt. Dit is geen diarree volgens appellant. Appellant twijfelt aan de deskundigheid van de toezichthouders en agenten, omdat aan de constateringen de verkeerde conclusies werden verbonden. Dit wordt ondersteund door de dierenarts die appellant heeft ingeschakeld die tot andere conclusies komt omtrent de gezondheid van de paarden.

6. Over deze beroepsgrond overweegt het College als volgt.

7. Artikel 36, eerste lid, van de Gwwd, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, bepaalt dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Ingevolge artikel 37 van de Gwwd, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, is het de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

8. Het College stelt vast dat het toezichtsrapport over de gezondheid en verzorging van de paarden feitelijk niet meer vermeldt dan de constateringen van de dierenpolitie dat het paard [naam 4] hoefbevangen is, dat het paard [naam 5] erg mager is en dunne ontlasting heeft en dat het paard [naam 6] diarree heeft. Deze constateringen zijn op zich zelf genomen onvoldoende voor de conclusie dat – kort gezegd – appellant aan die paarden de nodige zorg heeft onthouden dan wel hun gezondheid of welzijn heeft benadeeld. Nader onderzoek naar de verzorging of gezondheid van de paarden heeft verweerder niet verricht. Aldus valt niet uit te sluiten dat, zoals appellant ook heeft aangevoerd, het paard [naam 4] ten tijde van de controle reeds medicatie kreeg voor de hoefbevangenheid maar dat deze medicatie nog niet het gewenste effect had zodat het paard ten tijde van de controle nog slecht ter been was en dat aan de andere paarden – kort gezegd – de benodigde zorg werd verleend om de dunne ontlasting en diarree te bestrijden. Dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, communicatie met appellant ten tijde van de controle niet mogelijk was, doet daaraan, wat daar ook van zij, niet af, omdat verweerder dient aan te tonen dat appellant ten tijde van het opleggen van de last onder bestuursdwang de paarden de nodige zorg heeft onthouden dan wel hun gezondheid of welzijn heeft benadeeld. De twijfel die verweerder heeft of het paard [naam 4] op het moment van controle daadwerkelijk metacam kreeg omdat het tijdens de hercontrole beter liep dan tijdens de controle, is in dit licht bezien onvoldoende. Aan de omstandigheid dat, zoals verweerder onder verwijzing naar het toezichtsrapport hercontrole heeft aangevoerd, het paard [naam 5] een jaar lang niet is onderzocht door een dierenarts voor de dunne mest, hetgeen appellant bestrijdt, komt in de gegeven omstandigheden geen doorslaggevende betekenis toe. De dierenarts heeft verklaard dat het paard [naam 5] geen zieke indruk maakt en het probleem van de dunne mest al langer speelt, waarvoor het paard verschillende consulten heeft gehad, zonder resultaat. De dierenarts heeft ook niet meer dan een voedingsadvies gegeven om te proberen de dunne mest te laten verdwijnen.

9. Uit het voorgaande vloeit voort dat niet is komen vast te staan dat appellant de artikelen 36, eerste lid, en 37 van de Gwwd heeft overtreden, zodat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt.

10. Gelet op het voorgaande kunnen de overige beroepsgronden onbesproken blijven.

11. Het beroep is dus gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de last onder bestuursdwang ten onrechte is opgelegd, zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12. Appellant heeft om schadevergoeding verzocht die bestaat uit materiële en immateriële schade (vanwege het aantasten van de goede naam). Deze schade wordt door appellant begroot op € 10.000,-. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van deze schade overweegt het College dat met uitzondering van de factuur van de dierenartspraktijk de schade niet is gespecificeerd en reeds hierom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de factuur van de dierenartspraktijk blijkt dat de kosten voor het vereiste onderzoek en het opstellen van de verklaring € 127,96 bedragen. Vaststaat dat deze kosten ten gevolge van het primaire besluit zijn ontstaan en om die reden voor vergoeding in aanmerking komen. Het College zal verweerder dan ook opdragen om een bedrag van € 127,96 als schadevergoeding te betalen aan appellant.

13. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder om aan appellant als schadevergoeding een bedrag van
    € 127, 96 te betalen;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan appellant te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.

w.g. A. Venekamp w.g. G.J.P. Leuverink