Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:281

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
13/727
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling innoveren, Subsidievaststelling, en terugvordering onverschuldigd betaalde voorschotten, Samenwerkingsverband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/727

27304

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2015 in de zaak tussen

AIMgen Lab B.V., appellante

(gemachtigde: drs. J.G. Waldorp),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K.H. Klaver).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie voor het IPC project met de titel ‘IPC Smart Sharing’ voor de deelnemers van het project vastgesteld. De aan appellante verleende subsidie heeft verweerder bij dit besluit vastgesteld op € 2.450,-. Verweerder heeft bij dit besluit tevens het door appellante te veel ontvangen voorschot vastgesteld op € 37.550,- en dit bedrag van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 20 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft ter voorbereiding op de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4.12, eerste lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling innoveren (hoofdstuk 4: Innovatieprestatiecontracten; Stcrt. 2008 nr. 243), zoals die luidde tot 4 maart 2011, bedraagt de subsidie 50 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 50.000 per IPC-deelnemer.

Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, wordt het in het eerste lid genoemd subsidiepercentage van 50 verlaagd indien minder dan 60 procent van de maximaal voor subsidie in aanmerking komende subsidiabele kosten is verschuldigd aan derden, die niet met de deelnemer in een groep verbonden zijn dan wel, voor zover betrekking hebbend op collectieve activiteiten, geen IPC-deelnemer zijn met wie die collectieve activiteiten gezamenlijk worden uitgevoerd noch met die deelnemer in een groep verbonden zijn.

Ingevolge het tweede lid, onderdeel b, wordt voorgenoemd subsidiepercentage van 50 verlaagd indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het percentage subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten minder bedraagt dan 20 procent van de maximaal voor subsidie in aanmerking komende subsidiabele kosten.

Ingevolge het derde lid wordt het subsidiepercentage in de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde gevallen met hetzelfde aantal procenten verlaagd als het aantal procentpunten bedraagt dat zich bevindt tussen het bij de vaststelling van de subsidie gebleken percentage en het percentage van 60 onderscheidenlijk 20.

2. Appellante is deelnemer (IPC-deelnemer) van een samenwerkingsverband (IPC-verband) dat gebruik maakt van de Subsidieregeling innoveren, hoofdstuk 4: Innovatieprestatiecontracten. Het IPC-traject bestaat uit een overkoepelend plan en de innovatieplannen van de verschillende deelnemende ondernemers (IPC-deelnemers).

Bij besluit van 19 april 2011, gericht aan de IPC-penvoerder Stichting Zelforganisatie van het IPC-verband, heeft verweerder voor het project ‘IPC Smart Sharing’ subsidie verleend. De subsidie is verleend voor het overkoepelend plan en de innovatieplannen van de verschillende, in totaal 24, deelnemers, waaronder het innovatieplan van appellante. In dit besluit is bepaald dat het IPC-traject dient te worden uitgevoerd in de periode vanaf 11 januari 2010 tot 11 januari 2013 en dat alleen kosten die zijn gemaakt in deze periode subsidiabel zijn.

Bij email van 6 december 2012 heeft de penvoerder aan verweerder meegedeeld dat appellante problemen voorziet met de tijdige afronding van het project. Bij email van 14 december 2012 heeft verweerder aan de penvoerder meegedeeld dat hij in de IPC-regeling het “samen in samen uit” principe hanteert waardoor het niet mogelijk is om appellante extra uitstel te geven.

Op 1 februari 2013 heeft de penvoerder de aanvraag voor de vaststelling van de subsidie voor het project Smart Sharing met de eindrapportage aan verweerder toegezonden. Ten aanzien van appellante is in de eindrapportage, onder meer, het volgende gerapporteerd:

“ Het achterblijven van een daadwerkelijk ontwikkeld MatchMyMission is, naast bovenstaande, te wijten aan enkele onduidelijkheden omtrent de IPC subsidie die bij deze deelnemer heerste. De deelnemer was ervan overtuigd drie jaar de tijd te hebben voor afronding van het project, maar door de late toekenning heeft de deelnemer anderhalf jaar de tijd gehad. Daarnaast was de deelnemer niet bekend met de collectiviteitseis. De deelnemer kon naar eigen zeggen geen natuurlijk aansluiting vinden bij de andere SMART sharing deelnemers.

Na contact met [naam] heeft Stichting Zelforganisatie AIMgen erop gewezen dat verlenging van de IPC looptijd niet mogelijk is en dat het, voor het vast te stellen subsidie bedrag, van belang is om MatchMyMission zoveel mogelijk voor 10 januari 2013 te ontwikkelen. Desalniettemin is AIMgen niet in staat geweest om dit te doen en blijft het aandringen op een verlenging van de IPC looptijd.

Interne kosten: € 24.500 – Externe kosten € 0 – Vast te stellen subsidie: € 2.450.”

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. De subsidie aan appellante is gekort vanwege niet behaalde 60% externe kosten en gekort vanwege niet behaalde 20% collectieve kosten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire beluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de subsidie is vastgesteld conform de aanvraag die is ingediend door de penvoerder en dat appellante in bezwaar heeft bevestigd dat het bedrag van € 24.500,- aan subsidiabele kosten waarop de vaststelling is gebaseerd, correct is. Een verzoek tot verlenging kan in de bezwaarfase na de vaststelling van het project niet meer in behandeling worden genomen, aldus verweerder.

4. Appellante is van mening dat verweerder de subsidie ten onrechte heeft gekort. Zij voert, samengevat weergegeven, aan dat zij tijdens de looptijd van het project diverse knelpunten heeft ondervonden waardoor de genoemde eisen van minimaal 20% collectieve kosten en 60% externe kosten, geheel buiten haar schuld, niet konden worden behaald. Appellante stelt dat het voor haar onmogelijk is gebleken om de knelpunten op te lossen. Volgens de penvoerder diende appellante zich voor overleg direct tot het Agentschap NL (thans: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) te richten, terwijl zij door het Agentschap NL werd verwezen naar de penvoerder. Het was appellante door deze doorverwijsprocedure in principe onmogelijk om een reactie te krijgen op de door haar ondervonden knelpunten en deze op een redelijke manier op te lossen ten einde het project te kunnen voortzetten en af te ronden. Appellante voert aan dat zij voor de uitvoering van het project geen 3 jaar tijd had, maar slechts 1,5 jaar. Haar verzoek tot verlenging van het project is ten onrechte niet gehonoreerd. Appellante voert voorts aan dat de informatie over de voorwaarden en inhoud van het IPC zoals zij deze op de website van het Agentschap NL heeft kunnen vinden en in 2011 van de penvoerder heeft ontvangen niet eenduidig was en daardoor misleidend. Het door verweerder genoemde ‘samen-uit-samen-thuis’ beleid heeft zij nergens kunnen vinden. De penvoerder had aangegeven dat samenwerking met een andere partij (collectief project) een optie was, maar geen verplichting. Indien dit voorafgaand aan deelname van het project bekend zou zijn geweest, dan zou appellante niet hebben deelgenomen. Appellante is een klein bedrijf met destijds drie mensen waardoor geen tijd en resources beschikbaar waren om naast het eigen project nog een extra project met een van de andere partijen op te starten waarmee bovendien geen aansluiting was. Appellante wijst er op dat haar bij verplichte terugbetaling een faillissement dreigt. Appellante is van mening dat de beslissing op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd. Zij stelt dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden en geen inzage heeft gegeven in de achterliggende stukken.

5.1

Ter beoordeling van het College staat in de vraag of verweerder de aan appellante verleende subsidie terecht heeft vastgesteld op € 2.450,- en een voorschot ter hoogte van € 37.550,- van appellante heeft teruggevorderd.

5.2

Het College stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante in het kader van het IPC-traject subsidiabele kosten ten bedrage van € 24.500,- heeft gemaakt en dat zij niet heeft voldaan aan de in artikel 4.12, tweede lid, onderdelen a en b, van de Regeling genoemde verplichtingen van 60% kosten derden en 20% collectieve activiteiten. Voorts is niet in geschil dat verweerder het subsidiepercentage heeft verlaagd overeenkomstig de in het derde lid van artikel 4.12, van de Regeling genoemde berekeningsmethodiek. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de hoogte van de subsidie van appellante in overstemming met artikel 4.12 van de Regeling heeft vastgesteld op € 2.450,-.

5.3

Het College stelt met betrekking tot het betoog van appellante over de, volgens haar, te korte looptijd van het project vast dat de looptijd van het project in het subsidieverleningsbesluit van 19 april 2011 is vastgelegd. In dat besluit is onder de kop ‘Verplichtingen’ bepaald dat het IPC dient te worden uitgevoerd in de periode 11 januari 2010 tot 11 januari 2013 en dat alleen kosten die in deze periode zijn gemaakt subsidiabel zijn. Niet in geschil is dat appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 19 april 2011, zodat deze beslissing in rechte vaststaat.

Op grond van het bepaalde in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb moet de subsidie na een besluit tot subsidieverlening overeenkomstig de subsidieverlening worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat bezwaren die in wezen zijn gericht tegen de subsidieverlening, niet meer kunnen worden ingebracht tegen de vaststelling van de subsidie. Het College verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 18 april 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA1512). Aan bespreking van de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd over de, volgens haar, te korte looptijd van het IPC en voor zo ver die in wezen zien op de termijn zoals die in voornoemd besluit tot subsidieverlening is bepaald komt het College derhalve niet toe.

5.4

Met betrekking tot het betoog van appellante dat verweerder haar verzoek om verlenging van de looptijd van het project niet had mogen afwijzen, stelt het College voorop dat in deze procedure niet een besluit tot afwijzing van een verzoek om verlenging van de looptijd van het subsidietraject voorligt, maar het besluit tot vaststelling van de subsidie. Aan de orde is dan ook de vraag of verweerder uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding tot vaststelling van de subsidie heeft kunnen besluiten. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken in dit geding blijkt dat de penvoerder begin december 2012 via de email contact heeft gehad met het Agentschap NL over een verzoek tot verlenging van appellante. Bij e-mailbericht van 6 december 2012 heeft de penvoerder aan het Agentschap NL meegedeeld dat appellante problemen voorziet met de tijdige afronding van het project en om een reactie verzocht. Bij e-mailbericht van 14 december 2012 heeft het Agentschap NL aan de penvoerder meegedeeld dat hij in de IPC-regeling het “samen in samen uit” principe hanteert waardoor het niet mogelijk is om appellante extra uitstel te geven. Dit bericht van het Agentschap NL heeft de penvoerder op 17 december 2012 aan appellante doorgezonden.

Uit de stukken blijkt voorts dat de penvoerder op 1 februari 2013 de aanvraag voor de vaststelling van de IPC subsidie voor alle deelnemers bij het Agentschap NL heeft ingediend, samen met de inhoudelijke en financiële rapportages van de deelnemers. Uit de tussen penvoerder en appellante gesloten ‘Samenwerkingsovereenkomst Innovatie Prestatiecontract’ welke overeenkomst deel uitmaakt van de aanvraag tot subsidie, blijkt dat appellante de penvoerder heeft gemachtigd tot het indienen van, onder meer, het vaststellingsverzoek.

Het College ziet in het voorgaande geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij het nemen en voorbereiden van zijn beslissing tot vaststelling van de subsidie niet de te betrachten zorgvuldigheid heeft getoond. Het College neemt hierbij in aanmerking dat verweerder bij e-mailbericht van 14 december 2012 heeft geantwoord op de vraag van de penvoerder of de deadline voor appellante kan worden verlengd en gemotiveerd heeft meegedeeld waarom een verlenging van de deadline niet mogelijk is. Van de zijde van appellante is daar toen niet direct op gereageerd. Vervolgens is anderhalve maand later het vaststellingsverzoek door de penvoerder als gemachtigde van appellante ingediend. Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij bij brief van 3 april 2013, dus nog vóór vaststelling van de subsidie, verweerder schriftelijk om een verlenging van de termijn voor de afronding van haar project heeft verzocht, overweegt het College dat verweerder daar tegenover heeft gesteld dat hij deze brief niet heeft ontvangen. Aangezien door appellante het tegendeel niet is aangetoond, moet het ervoor worden gehouden dat appellante vóór vaststelling van de subsidie geen verzoek om verlenging van de termijn bij verweerder heeft ingediend.

Naar het oordeel van het College is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden die in het kader van de heroverweging van verweerder in bezwaar tot het oordeel zouden moeten leiden dat verweerder de subsidie van appellante op dat moment niet had mogen vaststellen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat na de vaststelling geen verzoek tot verlenging van de looptijd van de subsidie meer in behandeling kan worden genomen, omdat het innovatietraject dan al is afgerond. Gezien de structuur van de Regeling bestaat er een grote samenhang tussen de projecten. Een verlenging van één innovatieplan zou volgens verweerder tot gevolg hebben dat hij de vaststelling van het IPC-traject als geheel zou moeten verlengen hetgeen de vaststelling van de activiteiten van de andere deelnemers onmogelijk zou maken. Het College kan verweerder hierin volgen. Deze beroepsgrond faalt.

5.5

Het betoog van appellante dat de bezwaarprocedure niet conform de regels van de Algemene wet bestuursrecht zou zijn verlopen slaagt niet. Uit de stukken blijkt dat appellante door verweerder is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat appellante aan het einde van een telefoongesprek op 16 augustus 2013 met een medewerker van het Agentschap NL, naar blijkt uit een door de medewerker opgestelde telefoonnotitie, heeft verklaard dat geen hoorzitting meer nodig is. Het College heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze telefoonnotitie te twijfelen. De stelling dat appellante niet in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaren in een hoorzitting toe te lichten, mist derhalve feitelijke grondslag. Met betrekking tot het betoog van appellante dat zij geen inzage heeft gekregen in de achterliggende stukken, stelt het College vast dat uit de gedingstukken blijkt dat aan appellante op 12 juli 2013 de stukken zijn toegezonden die bij het vaststellingsverzoek zijn aangetroffen. Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen voor belanghebbenden ter inzage legt. Ingevolge het vierde lid kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen. Het College is, gelet op hetgeen appellante hierover heeft aangevoerd, niet gebleken dat verweerder in strijd met voornoemde bepalingen heeft gehandeld. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het besluit op voorhand lijkt te hebben vastgestaan nu verweerder al op 20 augustus 2013 op het bezwaar heeft beslist. Ook dit betoog baat appellante niet. Het College ziet in de enkele omstandigheid dat verweerder uiteindelijk binnen enkele dagen na het telefoongesprek op het bezwaar van appellante heeft beslist, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat er aan de zijde van verweerder sprake zou zijn van vooringenomenheid.

5.6

Met betrekking tot de grond van appellante dat de informatie over de voorwaarden en inhoud van de subsidie op de website van verweerder niet eenduidig en helder en daardoor misleidend is geweest, overweegt het College het volgende. De verplichtingen en voorwaarden die gelden bij een IPC zijn vastgelegd in de Subsidieregeling Innoveren. In de subsidieverleningsbeschikking wordt onder de kop ‘Verplichtingen’ naar deze regeling op de website van het Agentschap NL verwezen en expliciet gewezen op de verplichting van iedere deelnemer om 20% van de aan hem verleende subsidie te gebruiken in collectieve projecten. In de door verweerder overgelegde informatiefolder wordt ook op de verplichting van minimaal 60% externe kosten gewezen. Niet is gebleken dat verweerder hiervan afwijkende informatie heeft verstrekt. Uit de stukken volgt voorts dat de punten betreffende samenwerking met andere partijen en externe kosten tussen appellante en de penvoerder aan de orde zijn geweest. Verwezen zij naar een e-mailbericht van 26 april 2012 van de penvoerder aan het Agentschap naar aanleiding van de betaling van het tweede voorschot aan appellante. Ook deze grond faalt dus.

5.7

Met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten van € 37.550,- heeft appellante gesteld dat de verplichte terugbetaling van dat bedrag tot haar faillissement zou leiden. Het College stelt vast dat appellante haar stelling niet met financiële gegevens heeft onderbouwd. Haar stelling kan reeds daarom niet tot het oordeel leiden dat verweerder niet tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten had mogen overgaan.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

R.R. Winter A. Graefe