Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:28

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2015
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
AWB 15/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo, taxivergunning Amsterdam, kenbare belangenafweging

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/1

14914

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Kintou),

en

Burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerders

(gemachtigden: mr. A. Pieters en mr. J. van Westing).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2014 (het bestreden besluit) hebben verweerders de taxivergunning van appellant voor de Amsterdamse opstapmarkt (taxivergunning) ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat het bestreden besluit voor verzoeker ingrijpende gevolgen met zich brengt nu zijn werkzaamheden zich – naar tussen partijen niet in geschil is – in belangrijke mate richten op de Amsterdamse opstapmarkt (taxivervoer vanaf standplaatsen en via aanhouden op straat). De intrekking van zijn taxivergunning brengt met zich dat hij deze werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.

3.1

De voorzieningenrechter neemt bij zijn voorlopig oordeel de volgende, niet betwiste feiten als vaststaand aan. Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en biedt zijn diensten (hoofdzakelijk) in Amsterdam aan op de opstapmarkt. Verzoeker beschikte over de hiervoor vereiste taxivergunning.

3.2

Op 26 augustus 2014 heeft de Politie eenheid Amsterdam ten aanzien van verzoeker twee processen verbaal opgemaakt. Verzoeker heeft volgens deze processen verbaal op die dag door rood licht gereden en mobiel gebeld in zijn taxi. Verzoeker heeft voorts tegenover de politie verklaard dat hij het rode licht niet heeft gezien en dat hij met zijn Nokia belde. Het mutatierapport van de Politie eenheid Amsterdam vermeldt tevens dat hij daarbij geen richting aangaf bij het naar rechts afslaan.

3.3

Op 2 september 2014 heeft de Politie eenheid Amsterdam een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) gedaan aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) omdat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarlijk en risicovol rijgedrag op 26 augustus 2014.

3.4

Het CBR heeft verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG-maatregel) opgelegd. Verzoeker heeft een oproep voor een te volgen cursus ontvangen en de daaraan verbonden kosten betaald.

4.1

Op 10 november 2012 hebben verweerders verzoekers taxivergunning ingetrokken omdat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 2.14, eerste lid onder d, van de Taxiverordening in combinatie met artikel 1, vierde lid, van de Besluit Nadere regels eisen chauffeurs (Besluit Nadere regels) nu de politie Amsterdam-Amstelland een mededeling heeft opgemaakt voor een EMG-maatregel wegens gevaarlijk rijgedrag. Volgens verweerders heeft verzoeker de kwaliteit van het taxivervoer onevenredig aangetast. Verweerders hebben bij hun besluit om de taxivergunning in te trekken zwaar laten wegen dat verzoeker met zijn gedrag niet alleen de veiligheid van zichzelf maar ook van andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht. Ten aanzien van de financiële gevolgen die aan de intrekking zijn verbonden, wijzen verweerders erop dat verzoeker weliswaar niet meer op de Amsterdamse opstapmarkt werkzaam mag zijn, maar wel op de bel- of contractmarkt in Amsterdam en bovendien in andere gemeenten werkzaam mag zijn als taxichauffeur. Ten aanzien van de stelling van verzoeker zoals verwoord in zijn zienswijze ingediend naar aanleiding van het voornemen van verweerders om de taxivergunning in te trekken, namelijk dat hij de afgelopen vijf jaar geen bekeuringen had gehad, is in het bestreden besluit vermeld dat dit gegeven het standpunt van verweerders niet wijzigt.

4.2

De gemachtigden van verweerders verwijzen ter zitting naar de Nota Handhavingsbeleid Taxiverordening waarin het handhavingsbeleid van verweerders is neergelegd. Op grond hiervan trekken verweerders een taxivergunning in indien de Politie eenheid Amsterdam ten aanzien van de chauffeur een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 130 Wvw.

5.1

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de besluitvorming van verweerders over de intrekking van zijn taxivergunning onzorgvuldig en disproportioneel is. Het besluit is feitelijk uitsluitend gebaseerd op een gebrekkig proces verbaal van een politieambtenaar over vermeende overtredingen van de Wegenverkeerswet en op de Nota Handhavingsbeleid Taxiverordening. Die Nota kent een stringent beleid dat geen rekening houdt met de omstandigheden van het geval. Verzoeker wijst erop dat hij in de afgelopen vijf jaren geen bekeuringen heeft gekregen. Tegelijk heeft het besluit zeer vergaande financiële gevolgen voor verzoeker en zijn bedrijf. Hij kan zijn bedrijf slechts beperkt voortzetten door te hopen op belwerk nu hij geen gebruik meer mag maken van de door de gemeente aangewezen opstapplekken, terwijl hij hiermee juist een aanzienlijk deel van zijn omzet genereerde. Verzoeker mag door de intrekking van de taxivergunning ook geen gebruik maken van de vrije tram-/lijnbusbaan waardoor zijn taxiwerkzaamheden in Amsterdam verder worden beperkt. Hij heeft op dit moment zeer beperkte inkomsten.

5.2

Verzoeker, die ten tijde van het onderhavige verzoek een andere gemachtigde heeft dan ten tijde van de ingediende zienswijze, stelt zich ter zitting op het standpunt - in tegenstelling tot zijn zienswijze ingediend tegen het voornemen van de intrekking - dat het proces-verbaal onjuist is en dat hij – achteraf gezien - niet degene kan zijn geweest die de door de verbalisanten geconstateerde overtreding heeft begaan. Hij doet dit gemotiveerd onder overlegging van diverse stukken, waaronder foto’s en ritregistraties op het moment van de geconstateerde overtreding. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde EMG-maatregel omdat zijn toenmalige gemachtigde hem adviseerde geen bezwaar in te dienen.

5.3

Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure weer zijn taxiwerkzaamheden kan hervatten met gebruik van de taxivergunning.

6. De Wet personenvervoer 2000 luidt voor zover hier van belang:

" Artikel 82

1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.

2. De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.

Artikel 82a

1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld over:

a. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden;

b. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een in onderdeel a bedoelde auto;

[…]

2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen verschillen al naar gelang de locatie waar taxivervoer wordt verricht.

[…]”

De Wvw luidt voor zover hier van belang:

" Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid […], doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. [..]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

(...) "

De Taxiverordening Amsterdam 2012 luidt voor zover hier van belang:

“Artikel 2.3 Taxxxivergunning en TTO-vergunning

1. Het is een chauffeur verboden om zonder geldige vergunning van het

college (Taxxxivergunning) op de in bijlage I bij deze verordening

aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.”

“Artikel 2.14 Verplichtingen voor een chauffeur met een Taxxxivergunning

1. De chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning:

[…]

d. neemt de veiligheid van de consument en overige personen in acht;

[…]

2. Het college bepaalt in nadere regels welke gedragingen en verplichtingen

in ieder geval onder de in het eerste lid gestelde eisen vallen.

3. Het college kan in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, nadere

eisen stellen aan gedragingen of verplichtingen van een chauffeur in het

bezit van een Taxxxivergunning.”

“Artikel 2.17 Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking

Taxxxivergunning

[…]

4. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien de

chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar oordeel van het college de

kwaliteit van taxivervoer wordt aangetast.”

“Artikel 3.3 Bestuursrechtelijke maatregelen en sancties aan chauffeurs

1. Het college kan overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen

2.12

en 2.14 sanctioneren met:

a. schorsing van de Taxxxivergunning;

b. intrekking van de Taxxxivergunning.

[…]

3. Bij toepassing van de in het eerste lid genoemde sancties kan het college

onder meer rekening houden met:

a. het soort en totaal aantal overtredingen door de chauffeur;

b. de mate van herhaling van het aantal overtredingen binnen een

periode van één jaar.”

Besluit Nadere regels luidt voor zover hier van belang:

Artikel 1, vierde lid :

" De minimale eisen aan de chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning, als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel d, bepalen in ieder geval dat de chauffeur:

[...]

d. in het verkeer geen ernstig gevaarzettend of asociaal gedrag heeft vertoond, waaronder in ieder geval begrepen wordt dat de politie Amsterdam-Amstelland ten aanzien van de chauffeur geen mededeling heeft opgemaakt voor een (...) Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer;

[...] "

De Nota Handhavingsbeleid Taxiverordening vermeldt onder1.2 onder andere:

“In het handhavingsbeleid wordt beschreven op welke wijze de gemeente zal handhaven in het geval van concrete overtredingen en de toepassing van verschillende sancties en maatregelen. Tevens is in het beleid een stappenplan opgenomen dat er toe dient inzichtelijk te maken welke stappen doorlopen kunnen worden in het geval er sprake is van een overtreding.”

In paragraaf 7.2.1. van deze Nota is – voor zover hier van belang – een stappenplan opgenomen waarin schematisch wordt weergegeven welke sanctie bij bepaald gedrag van toepassing is.

7.1

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Indien verweerders op grond van de mededeling als bedoeld in artikel 130 Wvw (en het onderliggende proces-verbaal) concluderen dat een chauffeur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 2.14, eerste lid, onder d van de Taxiverordening in combinatie met artikel 1, vierde lid, van het Besluit Nadere regels of dat de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar het oordeel van verweerders de kwaliteit van het taxivervoer wordt aangetast, hebben verweerders de bevoegdheid om zijn taxivergunning in te trekken. Van deze bevoegdheid op grond van artikel 2.17, vierde lid, en artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening hebben verweerders gebruik gemaakt. Verweerders hebben ter zitting gesteld dat de intrekking van de taxivergunning rechtstreeks volgt uit de Nota Handhavingsbeleid Taxiverordening. Hiervan is reeds sprake wanneer – zoals in dit geval - de Politie eenheid Amsterdam een mededeling voor een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer heeft opgemaakt. Verweerders volgen dat beleid.

7.2

Noch artikel 2.17, vierde lid, noch artikel 3.3, eerste lid, van de Taxiverordening noch het handhavingsbeleid waarnaar verweerders ter zitting verwijzen, dwingen verweerders er evenwel toe om zonder meer tot intrekking van de taxivergunning over te gaan, maar dwingen hen daarentegen om in het kader van de voorbereiding van het nemen van een besluit tot intrekking van een taxivergunning aandacht te besteden aan de vraag of er ondanks de mededeling voor een EMG-maatregel niettemin, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, redenen zijn om niet tot intrekking over te gaan.

7.3

Het College stelt vast dat uit het bestreden besluit geen kenbare belangenafweging blijkt. Verzoeker heeft er reeds in zijn zienswijze naar aanleiding van het voornemen van verweerders om de taxivergunning in te trekken, op gewezen dat hij in de afgelopen vijf jaar dat hij taxichauffeur was geen bekeuringen heeft gehad. In het bestreden besluit heeft verweerder slechts vermeld dat ‘het feit dat u stelt dat het om een eenmalige gebeurtenis gaat, mijn standpunt niet wijzigt’.

Voor zover verweerders ter zitting hebben verwezen naar de voornoemde Nota Handhavingsbeleid, merkt de voorzieningenrechter op dat deze nota op dit punt geen enkel afwegingskader bevat. Evenmin wordt daarin gemotiveerd waarom in alle gevallen waarin een mededeling is gedaan voor een EMG – ongeacht de zwaarte van de overtreding die daar ten grondslag aan ligt en de omstandigheden van het geval – als enige sanctie de intrekking van de taxivergunning kan worden opgelegd.

Het bepaalde in deze nota ontslaat verweerders dan ook niet van hun verplichting om alvorens tot een dergelijke vergaande maatregel zoals de intrekking van een taxivergunning over te gaan, zich rekenschap te geven van alle omstandigheden van het geval en de betrokken belangen kenbaar af te wegen. In dat kader dienen te worden afgewogen het algemeen belang dat het taxivervoer in Amsterdam van goede kwaliteit is en anderzijds het belang van verzoeker bij het behouden van zijn taxivergunning en de daaruit voortvloeiende inkomsten. De mededeling voor een EMG staat duidelijk in verband met de kwaliteit van het taxivervoer. Anderzijds is de staat van dienst die verzoeker als taxichauffeur heeft aangevoerd relevant alsmede het feit dat de (inmiddels betwiste) verkeersovertreding relatief licht is, terwijl de opgelegde sanctie met zich brengt dat verzoeker twee jaar lang geen taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt kan verrichten.

Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom in geval van verzoeker verweerders uit de door verzoeker gestelde staat van dienst zonder bekeuringen, niet het vertrouwen hadden kunnen putten dat de rijvaardigheid van verzoeker, ondanks de mededeling van de inmiddels opgelegde EMG, in het licht van de voor taxichauffeurs geldende eisen van voldoende niveau is en dat derhalve de kwaliteit van taxivervoer niet wordt aangetast. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit waarom in dit geval niet met een lichtere sanctie had kunnen worden volstaan en waarom de intrekking van de taxivergunning in dit geval een proportionele sanctiemaatregel is.

Nu op dit punt iedere belangenafweging ontbreekt, voldoet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet aan de daaraan op het vlak van de motivering te stellen eisen.

7.4

De voorzieningenrechter merkt voorts op dat verweerders in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Verzoeker heeft – in verband met zijn wisseling van gemachtigde – eerst ter zitting van de voorzieningenrechter de inhoud van het proces-verbaal en de daarin beschreven verkeersovertreding gemotiveerd betwist, onder overlegging van specifieke stukken. Nu verweerders verzoeker in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het bestreden besluit nog gaan horen, ligt het enerzijds op de weg van verzoeker in dat kader tevens deze betwisting van die feiten aan de orde te stellen, en anderzijds op de weg van verweerders in het nieuw te nemen besluit daar aandacht aan te besteden.

8. Het vorenstaande betekent dat verweerders, naar voorlopig oordeel, bij het voorbereiden en nemen van het besluit ten aanzien waarvan om een voorlopige voorziening is verzocht, in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het voren overwogene, mede gezien de belangen van verzoeker, zal het verzoek worden toegewezen als hierna te melden.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 10 november 2014 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerders in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerders op het betaalde griffierecht van € 167,- aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoeker tot een
bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
19 februari 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. G.J.P. Leuverink