Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:279

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
13/805
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang, Regeling LNV-subsidies, Verlenging uitvoeringstermijn

Wetsverwijzingen
Regeling LNV-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/805

27810/27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 augustus 2015 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma Firma [naam 1] , te Zevenhuizen, appellante

(gemachtigde: mr. L. van Schie-Kooman),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om verlenging van de uitvoeringstermijn van de subsidie die haar is verleend op grond van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Marktintroductie energie-innovaties (de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Appellante is verschenen, vertegenwoordigd door haar vennoot [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft een aanvraag om verlening van subsidie op grond van de Regeling ingediend. De aanvraag heeft betrekking op een investering ten behoeve van een aardwarmteproject. Bij besluit van 26 februari 2010 heeft verweerder aan appellante het maximale bedrag aan subsidie verleend ter hoogte van € 1.500.000,00. Het besluit vermeldt dat het project binnen twee jaar na 26 februari moet zijn afgerond.

1.2

Bij brief van 16 maart 2012 heeft appellante verzocht om verlenging van de uitvoeringstermijn van het project met twee jaar tot 26 februari 2014. Bij besluit van 9 mei 2012 heeft verweerder uitstel verleend tot uiterlijk 26 februari 2013.

1.3

Appellante heeft op 21 februari 2013 verzocht om de uitvoeringstermijn van het project te verlengen tot 26 februari 2014. Verweerder heeft appellante hierop verzocht om aanvullende informatie met betrekking tot haar verzoek.

1.4

Appellante heeft het project tot op heden niet uitgevoerd.

1.5

Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek van appellante afgewezen, omdat hij de gevraagde informatie niet heeft ontvangen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

3. De Regeling luidde ten tijde en voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1:13. Verplichtingen subsidieontvanger bij projecten

(…)

3. De Minister kan goedkeuring verlenen aan een tussentijdse wijziging van een projectplan, tenzij de wijziging:

a. de doelstellingen, omschreven in het projectplan, betreft;

b. verhoging van het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld, tot gevolg heeft.

4. Bij een goedkeuring als bedoeld in het derde lid kan de Minister de beschikking tot subsidieverlening alsmede de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen wijzigen.

(…)

Artikel 2:37. Subsidiabele activiteiten

De Minister kan voor een investering als bedoeld in bijlage 2 bij deze regeling subsidie verstrekken aan landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, genoemd bij die investering, voor zover die investering leidt tot:

(…)

d. de instandhouding en verbetering van het natuurlijk milieu, de hygiënische omstandigheden, dierenwelzijn, voedselveiligheid of duurzaam gebruik van energiebronnen;

(…).

Artikel 2:39. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voldoet in voorkomend geval aan de verplichtingen die in bijlage 2 bij deze regeling zijn genoemd bij de investering waarop de subsidie betrekking heeft.

Bijlage 2. Bijlage bij de artikelen 2:37, eerste lid, 2:38 en 2:40, vierde lid

Hoofdstuk 2. Marktintroductie energieinnovaties

E. Verplichtingen van de subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2:39.

Het energiesysteem is uiterlijk 2 jaar na subsidieverlening geïnstalleerd, dan wel uiterlijk 3 jaar na subsidieverlening indien installatie binnen 2 jaar niet haalbaar is vanwege onvoorziene omstandigheden die aantoonbaar buiten de invloedssfeer liggen van de subsidieaanvrager, dan wel uiterlijk 4 jaar na subsidieverlening indien installatie binnen 3 jaar niet haalbaar is vanwege onvoorziene omstandigheden die aantoonbaar buiten de invloedssfeer liggen van de subsidieaanvrager en geen betrekking hebben op de financiering en de opdrachtverstrekking van het project.

Energiesystemen, niet zijnde semi-gesloten kassystemen, die in het kader van een aardwarmte- of aardwarmte-opslagproject worden geïnstalleerd en waarvoor subsidie is verleend vóór 31 december 2013, zijn uiterlijk 5 jaar na subsidieverlening geïnstalleerd indien installatie binnen 4 jaar niet haalbaar is vanwege onvoorziene omstandigheden die aantoonbaar buiten de invloedssfeer liggen van de subsidieaanvrager.

(…)”

4.1

Ambtshalve overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat de datum waarop de aanvraag tot verlenging van de uitvoeringstermijn van het project ziet in het verleden ligt. Voorts stelt het College vast dat de Regeling voor aardwarmteprojecten voorziet in een verlenging van de uitvoeringstermijn tot maximaal een vijfde jaar na subsidieverlening. In het geval van appellante zou dit, mits zij aan de gestelde voorwaarden voldoet, leiden tot een maximale verlenging van de uitvoeringstermijn tot 26 februari 2015. Deze datum is inmiddels gepasseerd zonder dat het aardwarmteproject is uitgevoerd.

4.2

Appellante heeft zich ter zitting van het College op het standpunt gesteld dat zij desondanks nog procesbelang heeft bij onderhavige beroepsprocedure. In dit verband heeft ze erop gewezen dat zij bij verweerder een derde verzoek tot verlenging van de uitvoeringstermijn van het project heeft ingediend tot 26 februari 2017 en dat verweerder deze aanvraag heeft afgewezen. Appellantes heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de behandeling van het bezwaarschrift is aangehouden tot de uitspraak van het College. Het College begrijpt het standpunt van appellante aldus dat zij de uitkomst van onderhavige beroepsprocedure van belang acht voor de uitkomst van de bezwaarprocedure, omdat verlenging van de uitvoeringstermijn tot 26 februari 2017 pas kan worden gehonoreerd indien verweerder ook het verzoek om verlenging dat in onderhavige beroepsprocedure aan de orde is honoreert en verweerder in zijn besluitvorming gehouden is rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Dit standpunt miskent dat de Regeling niet voorziet in een verlenging van de uitvoeringstermijn tot een zevende jaar, zodat de uitkomst van onderhavige beroepsprocedure niet van belang is voor de uitkomst van de bezwaarprocedure en daarin dus geen procesbelang kan zijn gelegen voor de onderhavige beroepsprocedure. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het beroep.

5. Het voorgaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de behandeling van de beroepsgronden van appellante komt het College daarom niet toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. A. Venekamp en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. W.M.J.A. Duret