Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:268

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB 13/924
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/924

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.J. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste lid en artikel 37 van de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren (Gwwd).

Bij besluit van 22 oktober 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 september 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een dwangsom ingevorderd van € 1.000,-. Het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 24 juni 2014 ongegrond verklaard (bestreden besluit 2).

Appellante heeft bij brief van 29 november 2013 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Bij besluiten van 2 juli 2014 (de primaire besluiten 3 en 4) heeft verweerder twee dwangsommen ingevorderd van ieder € 1.000,-. Appellante heeft deze beschikkingen betwist.

Ingevolge art. 5:39, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op deze invorderingsbeschikkingen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 12 maart 2009 hebben toezichthouders van de Algemene Inspectiedienst (thans Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit) een onderzoek ingesteld bij appellante ter zake de naleving van de Gwwd. Uit de naar aanleiding daarvan opgestelde bevindingenbrief blijkt dat overtredingen zijn geconstateerd van onder meer artikel 37 van de Gwwd en artikel 5, vierde lid van het Besluit welzijn productiedieren. De overtredingen zagen op het onthouden van de nodige verzorging aan runderen en de aanwezigheid van scherpe randen of uitsteeksels in de behuizing van deze dieren.

Op 26 en 27 maart 2012 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd ter zake de naleving van de Gwwd. Tijdens de controle (vastgelegd in een toezichtsrapport met nummer 68029) is geconstateerd dat onder meer sprake was van overtreding van de artikelen 36, eerste lid en 37 van de Gwwd alsmede artikel 5, vierde lid, Besluit welzijn productiedieren. De overtredingen zagen op het ontbreken van een schone en droge ligplaats, het niet voorzien van dieren van toereikende hoeveelheid voer en de aanwezigheid van prikkeldraad en andere afrastering.

Bij besluit van 3 april 2012 is door verweerder aan appellante een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de artikelen 36, eerste lid, en 37 van de Gwwd en artikel 4, vierde lid, en artikel 5, vierde lid, van het Besluit welzijn productiedieren. De in dat besluit opgelegde maatregelen hebben betrekking op de aanwezigheid van en toegankelijkheid tot gezond en geschikt voer, een schone en droge ligplek alsmede het verwijderen van prikkeldraad en andere afrastering die verwondingen bij de dieren zouden kunnen veroorzaken.

Op 13 april 2012 hebben toezichthouders van de NVWA een hercontrole uitgevoerd, welke hercontrole is vastgelegd in een toezichtsrapport met nummer 68234. Tijdens deze controle is, voor zover relevant, geconstateerd dat de runderen zich konden verwonden aan aanwezige landbouwwerktuigen met uitstekende delen.

Op 21 mei 2013 hebben toezichthouders van de NVWA een controle uitgevoerd ter zake de naleving van de Gwwd. Uit de naar aanleiding hiervan opgestelde bevindingenbrief van 21 mei 2013 volgt dat volgens de toezichthouders sprake was van overtreding van artikel 37 van de Gwwd omdat een deel van de runderen niet was voorzien van een schone en droge ligplaats, het voer van de dieren kon worden bezoedeld en in het grasland plastic aanwezig was. Aan appellante is medegedeeld dat zij voornoemde situatie uiterlijk op 27 mei 2013 ongedaan diende te maken.

Op 27 mei 2013 hebben de toezichthouders een hercontrole uitgevoerd. Tijdens deze controle is geconstateerd dat appellante aan de aanwijzingen van de toezichthouders heeft voldaan.

1.3

Bij besluit van 4 juli 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder appellante een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtredingen zoals geconstateerd tijdens de eerdere controles op het bedrijf van appelante, waarbij het welzijn van dieren was aangetast (artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd). Verweerder heeft appellante gelast de volgende drie maatregelen te nemen:

(1) Zorgdragen dat alle runderen te allen tijde over een schone en droge ligplek kunnen beschikken;

(2) Het schoonmaken van de voergang en deze zodanig in te richten dat bezoedeling van het voer door de dieren wordt uitgesloten;

(3) Zorgdragen dat de in het weiland en op het erf liggende materialen per direct worden verwijderd zodat de aanwezige dieren zich niet kunnen verwonden/beschadigen;

Appellante dient voornoemde maatregelen in de toekomst te handhaven. Indien appellante niet aan deze maatregelen voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, per controle, met een maximum van € 10.000,-.

1.5

Op 16 augustus 2013 is door de toezichthouders een hercontrole uitgevoerd. De bevindingen zijn vastgelegd in het toezichtsrapport met nummer 74889. Geconstateerd is dat de afrastering tussen de percelen in zeer slechte staat van onderhoud verkeerde en de dieren zich konden verwonden aan de afrastering en aan andere op het perceel aanwezige materialen.

Bij beschikking van 25 september 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat een dwangsom is verbeurd van € 1.000,- wegens de aanwezigheid van (scherpe) materialen en plastic waaraan de dieren zich konden verwonden/beschadigen en heeft verweerder de dwangsom ingevorderd.

1.6

Op 17 maart 2014 heeft een hercontrole plaatsgevonden, vastgelegd in een toezichtsrapport met nummer 78192. Geconstateerd is dat sprake is van het ontbreken van een schone en droge ligplaats, hetgeen een overtreding is van artikel 37 van de Gwwd. Op 16 juni 2014 heeft een nieuwe hercontrole plaatsgevonden door toezichthouders vastgelegd in een toezichtsrapport met nummer 79916. Er is een overtreding geconstateerd van artikel 37 van de Gwwd, te weten de aanwezigheid van machines waaraan dieren zich konden verwonden en het gebrek aan een schone en droge ligplaats.

Bij beschikkingen van 2 juli 2014 (de primaire besluiten 3 en 4) is aan appellante medegedeeld dat twee dwangsommen van ieder € 1.000,- zijn verbeurd vanwege de aanwezigheid van materialen en scherpe delen op het erf en het ontbreken van een schone en droge ligplek en heeft verweerder deze dwangsommen ingevorderd.

2.1

Bij het eerste bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen de last onder dwangsom, ongegrond verklaard. Verweerder heeft in dit bestreden besluit maatregel 2 uit de last onder dwangsom van 4 juli 2013 (het primaire besluit 1) als volgt gewijzigd: “U dient er voor te zorgen dat dieren niet loslopen daar waar bezoedeling van het voer kan plaatsvinden”. Daarnaast heeft verweerder, een formeel gebrek herstellende, aan de last onder dwangsom alsnog een termijn verbonden gedurende welke de opgelegde last van toepassing is. Verweerder heeft de termijn waarop de last onder dwangsom ziet gesteld: “op één jaar na bekendmaking van deze beslissing op bezwaar”.

Verweerder acht zich, gelet op de bevindingen bij de eerdere controles op 12 maart 2009, 26 en 27 maart 2012 en 21 mei 2013 bevoegd om aan appellante een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van de eerdere overtredingen. Voor zover appellante de bevindingen uit het toezichtrapport betwist, stelt verweerder, onder verwijzing naar jurisprudentie van het College (uitspraak van 13 augustus 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BN4891) dat hij mag afgaan op de inhoud van de door een toezichthouder in het toezichtrapport vermelde waarneming.

2.2

Bij het tweede bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gericht tegen de invorderingsbeschikking van 25 september 2013 (het primaire besluit 2) ongegrond verklaard. Uit de bevindingen van het toezichtsrapport van 30 augustus 2013 volgt dat appellante in strijd handelt met de bepalingen van de Gwwd en dat sprake is van soortgelijke overtredingen waarvoor aan appellante bij besluit van 4 juli 2013 een last onder dwangsom tot voorkoming van herhaling was opgelegd.

2.3

Bij de primaire besluiten 3 en 4 van 2 juli 2014 heeft verweerder vervolgens bij appellante opnieuw dwangsommen ingevorderd van ieder € 1.000,-, naar aanleiding van controles op 17 maart 2014 en 16 augustus 2014, waarbij opnieuw overtredingen zijn geconstateerd.

3.1

Appellante betoogt dat ten onrechte aan haar een last onder dwangsom is opgelegd. Appellante verwijst daarbij naar de bevindingenbrief van 21 mei 2013 waarin verweerder aan appellante het volgende heeft medegedeeld: “Als bij de hercontrole op 27 mei 2013 blijkt dat u niet aan voornoemde heeft voldaan, moet u er rekening mee houden dat er bestuurlijke en/of strafrechtelijke maatregelen getroffen zullen worden. Dit kan kosten met zich meebrengen die op u kunnen worden verhaald.”

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij tijdig aan de aanwijzingen van de toezichthouders heeft voldaan en dat haar, gelet op de gedane mededeling, geen last onder dwangsom meer had mogen worden opgelegd.

Appellante betoogt voorts dat sprake is geweest van een bijzondere omstandigheid voorafgaand aan de controle van 21 mei 2013. Als gevolg van een onverwachte daling van het waterpeil kwamen dieren vast te zitten in de zachte slootbodem. Omdat de dieren steeds terug wilden naar de sloot, zijn deze tijdelijk in de stal ondergebracht. Hierdoor ontstond een ongewenste huisvestingssituatie en is appellante niet toegekomen aan de reguliere (schoonmaak)werkzaamheden in de stallen. Volgens appellante heeft verweerder bij de last onder dwangsom hiermee ten onrechte geen rekening gehouden.

Appellante betwist de verbeurte van de dwangsommen en de invorderingsbesluiten van 25 september 2013 en 2 juli 2014.

De invorderingsbeschikking van 25 september 2013 is gebaseerd op de controle op 16 augustus 2013. Ten aanzien van dat besluit stelt appellante zich op het standpunt dat uit bestreden besluit 1 (beslissing op bezwaar tegen de last onder dwangsom van 4 juli 2013) en de daarin opgenomen termijn, volgt dat de last onder dwangsom pas met ingang van de beslissing op bezwaar is gaan gelden. te weten vanaf 22 oktober 2013. De last is volgens appellante vanaf moment gedurende een jaar van toepassing is. Nu de geconstateerde overtreding dateert van 16 augustus 2013 kan volgens appellante geen dwangsom zijn verbeurd. Appellante stelt bovendien dat het dierenwelzijn niet in het geding was.

Ten aanzien van de invorderingsbeschikkingen van 2 juli 2014 betwist appellante dat op 17 maart 2014 en 16 juni 2014 sprake is geweest van overtredingen van de Gwwd. Appellante stelt dat de toezichtsrapporten een onjuiste weergave bevatten van de feitelijke situatie.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geconstateerde overtredingen geen incidenten betreffen. Verweerder heeft in 2009 en 2012 dezelfde overtredingen geconstateerd te weten, geen droge/schone ligplaatsen, gevaarlijke objecten in de wei, de mogelijkheid tot het bevuilen van voedsel en de afwezigheid van voldoende geschikt voedsel. In 2009 en 2013 heeft appellante daarover ook bevindingenbrieven ontvangen. In 2012 is aan appellante bovendien een last onder bestuursdwang opgelegd. Ook in 2013 heeft verweerder overtredingen geconstateerd. Om te voorkomen dat appellante in de toekomst dezelfde overtredingen opnieuw begaat, heeft verweerder de last onder dwangsom opgelegd. Gezien het verleden van appellante is verweerder van mening hiertoe bevoegd te zijn. Dat appellante de overtredingen heeft beëindigd, zoals geconstateerd op 27 mei 2013, laat die bevoegdheid onverlet.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het dwangsombesluit op 4 juli 2013 in werking is getreden en niet eerst bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2013. De invorderingsbeschikking van 25 september 2013 is dan ook terecht genomen. Ten aanzien van de invorderingsbesluiten van 2 juli 2014 handhaaft verweerder het standpunt dat sprake was van een overtreding en derhalve dwangsommen zijn verbeurd.

Ten aanzien van de last onder dwangsom

4.1

De Gwwd luidde, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.”

Het Besluit welzijn productiedieren luidde, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 5

(…)

4. Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.”

4.2

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden aan appellante een last onder dwangsom heeft opgelegd die ertoe strekt om een herhaling van eerdere overtredingen te voorkomen als bedoeld in artikel 5:2, aanhef en onder b, Awb. Het College beantwoordt die vraag bevestigend.

4.3

Zoals het College onder meer heeft geoordeeld in de uitspraak van 22 maart 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP9342) dient, wil er een bevoegdheid zijn om een last onder dwangsom op te leggen die er toe strekt een overtreding te voorkomen, sprake te zijn van klaarblijkelijk gevaar dat de in de last omschreven overtreding zal plaatsvinden. Dit is anders indien de last strekt ter voorkoming van een overtreding die is aan te merken als een herhaling van een eerdere overtreding en waarbij gevaar voor herhaling voor de hand ligt. In dat geval is voor het aannemen van de bevoegdheid om de last op te leggen niet vereist dat klaarblijkelijk gevaar voor overtreding bestaat, maar volstaat – voor het aannemen van die bevoegdheid – dat de eerdere overtreding heeft plaatsgevonden.

Zoals het College ook eerder in de uitspraak van 27 oktober 2009 (AWB 08/525, LJN: BK1424) heeft overwogen spelen bij de beantwoording van de vraag of een last strekt ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding, verschillende omstandigheden op zichzelf of in onderlinge samenhang bezien een rol. Het gaat hier om omstandigheden die een beeld geven van de mate van continuïteit in de aan de orde zijnde overtredingen, zoals de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst – bijvoorbeeld wat betreft de plaats ervan – met de eerder geconstateerde overtreding en het tijdsverloop sinds die overtreding. Voor de aard van de overtreding is onder meer van belang dat het gaat om overtredingen van hetzelfde voorschrift met dezelfde strekking, wil gesproken kunnen worden van een herhaling. Om tot de conclusie te komen dat de last strekt ter voorkoming van een herhaling, is vereist dat de omstandigheden ten tijde van het opleggen van de last op één lijn gesteld kunnen worden met de omstandigheden ten tijde van de eerdere.

4.4.1

Het College stelt vast dat verweerder bij appellante op verschillende momenten controles heeft uitgevoerd waarbij overtredingen van de Gwwd zijn geconstateerd. Verweerder heeft de last onder dwangsom opgelegd vanwege overtredingen die zijn begaan in 2012 en 2013. De tijdens deze controles door verweerder geconstateerde overtredingen betreffen steeds overtredingen van dezelfde aard en inhoud, te weten overtredingen van de artikel 36 en 37 van de Gwwd. Verweerder heeft onder andere geconstateerd dat een schone en droge ligplaats telkenmale ontbrak en dat de dieren zich herhaaldelijk konden verwonden aan de op het perceel aanwezige materialen waardoor het dierenwelzijn in het geding was. Naar het oordeel van het College heeft verweerder daarin een structureel patroon van overtredingen in een beperkte tijdsspanne kunnen afleiden en zulks terecht als grond gezien om een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van nieuwe overtredingen.

4.4.2

Het College volgt appellante niet in de stelling dat verweerder ten aanzien van de op 21 mei 2013 geconstateerde overtreding niet bevoegd zou zijn om een last onder dwangsom op te leggen omdat zij de overtredingen op 27 mei 2013 had beëindigd. Voor zover appellante zich heeft beroepen op de passage in de door de toezichthouders opgestelde bevindingenbrief van 21 mei 2013, zoals onder 3.1 van deze uitspraak geciteerd, is het College van oordeel dat deze mededeling niet afdoet aan de bevoegdheid van verweerder om aan appellante een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling op te leggen. De last onder dwangsom is, zoals het College hiervoor heeft overwogen, opgelegd vanwege een reeks van eerder geconstateerde overtredingen van dezelfde aard en inhoud. De omstandigheid dat op 27 mei 2013 de op 21 mei 2013 geconstateerde overtredingen waren beëindigd, maakt dit niet anders. Verweerder was dan ook bevoegd om op 4 juli 2013 een last onder dwangsom op te leggen aan appellante.

4.5.1

Volgens vaste jurisprudentie van het College is verweerder slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden gehouden af te zien van handhavend optreden ter beëindiging van een onwettige situatie.

4.5.2

Met betrekking tot het betoog van appellante dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken nu het niet kunnen uitvoeren van de reguliere werkzaamheden in de stallen een gevolg was van de onverwachte daling van het waterpeil voorafgaand aan de controle op 21 mei 2013, overweegt het College het volgende. Naar het oordeel van het College levert de onverwachte daling van het waterpeil geen bijzondere omstandigheid op zoals hiervoor bedoeld nu – zoals het College onder overweging 4.2.1 heeft geoordeeld – de last opgelegd is op grond van meerdere door appellante begane overtredingen gedurende een langere periode, niet slechts op grond van de op 21 mei 2013 geconstateerde overtredingen. Daarbij komt dat het schoonhouden van de stallen en ontbreken van schone en droge ligplekken herhaaldelijk geconstateerde overtredingen betreffen en derhalve niet uitsluitend samenhangen met het verlaagde waterpeil – wat daar ook van zij – op één bepaald moment. Het betoog faalt.

4.6

Het College dient voorts de vraag te beantwoorden gedurende welke termijn de last onder dwangsom geldt. Vaststaat dat de last is opgelegd en aan appellante is toegezonden op 4 juli 2013, zodat vanaf dat moment de last onder dwangsom in werking is getreden. In de beslissing op bezwaar tegen deze last (bestreden besluit 1) heeft verweerder met inachtneming van de bepaling van 5:32a, lid 2 Awb, een formeel gebrek hersteld en alsnog een termijn opgenomen gedurende welke de last geldt, te weten een jaar na bekendmaking van dat besluit. Hoewel verweerder beter in de beslissing op bezwaar had kunnen verwoorden dat de geldigheid van de last, die reeds in werking was getreden op 4 juli 2013, alsnog een einddatum krijgt – namelijk een jaar na de datum van de beslissing op bezwaar, derhalve een jaar na 22 oktober 2013 – kan de door verweerder gekozen formulering in de beslissing op bezwaar niet tot de conclusie leiden dat de last eerst vanaf de datum van deze beslissing is gaan gelden. Appellante diende reeds vanaf 4 juli 2013, de datum van de last onder dwangsom, rekening te houden met controles die tot invorderingsbeschikkingen konden leiden. Het College stelt vast dat alle controles – zoals ook de controle van 16 augustus 2013 op basis waarvan de invorderingsbeschikking van 25 september 2013 is genomen – binnen de looptijd van de last onder dwangsom zijn genomen. Dit betoog van appellante slaagt evenmin.

Ten aanzien van de invorderingsbeschikkingen

5.1

Het College stelt vast dat verweerder de invorderingsbeschikkingen van 2 juli 2014 hangende het beroep van appellante heeft genomen en appellate deze invorderingsbeschikkingen betwist. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep daarom mede betrekking op deze invorderingsbeschikkingen.

5.2

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder bij besluiten van 25 september 2013 en

2 juli 2014 terecht heeft vastgesteld dat appellante drie dwangsommen van ieder € 1.000,- heeft verbeurd omdat zij niet heeft voldaan aan de in de last onder dwangsom opgenomen maatregelen.

5.3

Het College is van oordeel dat verweerder op basis van de bevindingen op 16 augustus 2013 en 16 juni 2014 terecht heeft vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de last om ervoor zorg te dragen dat de in het weiland en op het erf liggende materialen per direct worden verwijderd zodat de aanwezige dieren zich niet kunnen verwonden/beschadigen (maatregel 3).

In het toezichtsrapport van de hercontrole op 16 augustus 2013 (rapport 74889) is vermeld dat de afrastering tussen de percelen in zeer slechte staat van onderhoud verkeerde en de dieren over de afrastering liepen en zich hieraan konden verwonden. Voorts is geconstateerd dat er betonnen buizen en prikkeldraad met uitsteeksels op het perceel aanwezig waren. De dieren schuurden zich bovendien aan het aanwezige betonnet. Bij de hercontrole op 16 juni 2014 (rapport 79916) is geconstateerd dat in het weiland machines met scherpe delen stonden, dat er een stuk ijzer met opstaande punten lag en er plasticresten aanwezig waren. Verder is geconstateerd dat een rund een stuk plastic in zijn bek had en er op kauwde.

Appellante heeft niet betwist dat prikkeldraad, machines en andere materialen op het perceel aanwezig waren. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de dieren zich niet konden verwonden aan de aanwezige materialen, maar zij heeft dit onvoldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dan ook terecht geconstateerd dat dwangsommen zijn verbeurd.

5.4

Tijdens de hercontrole op 17 maart 2014 (rapport 78192) is door de toezichthouders geconstateerd dat niet is voldaan aan de maatregel dat appellante dient zorg te dragen dat de runderen te allen tijde over een droge en schone ligplek kunnen beschikken. Geconstateerd is dat de vloer waarop de dieren liepen en moesten liggen bevuild was met dierlijke mest. Verder is geconstateerd dat nagenoeg geen droog strooisel in de stal lag. De bevindingen zijn tevens vastgelegd op de bij het rapport gevoegde foto’s. Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht geconcludeerd dat opnieuw een dwangsom is verbeurd. De door appellante aangevoerde stelling dat de door de toezichthouders geconstateerde situatie een incident betrof, wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af.

5.5

Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Appellante heeft naar het oordeel van het College geen omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van invordering van de verbeurde dwangsommen af te zien.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van

mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. M.S. van den Berg