Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:266

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB 12/1040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kaderbesluit EZ-subsidies. Tijdelijke energieregeling markt en innovatie. Subsidievaststelling en terugvordering. Anticumulatiebepaling

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/1040

27376

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2015 in de zaak tussen

Twence B.V., te Hengelo, appellante

(gemachtigde: mr. R.J.H. van der Wal),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M.J. Brandenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie (Stcrt. 2008, 173; hierna: TERM) verleende subsidie vastgesteld op € 301.000,- en een bedrag van € 419.000,- van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 8 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het College heeft in het geding op 10 juli 2014 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2014:277).

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij brief van 3 september 2014 het besluit van 8 oktober 2012 voorzien van een aanvullende motivering.

Appellante heeft bij brief van 9 oktober 2014 een zienswijze ingediend naar aanleiding van het herstelbesluit.

Het College heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1. Voor de voorgeschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak.

2. In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat het standpunt van verweerder dat het bedrag dat ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kan worden verstrekt - het in artikel 3.4 van de TERM genoemde bedrag van € 800.000 - onvoldoende is onderbouwd en daardoor overtuigingskracht mist.

3. Omdat niet was uit te sluiten dat verweerder ter zake alsnog klaarheid zal kunnen bewerkstelligen heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen.

4. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 3 september 2014 het bestreden besluit gehandhaafd en de motivering aangevuld. Verweerder heeft zijn, gehandhaafde besluit, samengevat weergegeven, doen steun op de volgende overwegingen.

Verweerder betoogt dat hij sinds de inwerkingtreding van het Kaderbesluit EZ-subsidies (met ingang van 20 augustus 2014 geheten Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, hierna: Kaderbesluit) in principe voor alle EZ-subsidies die onder dat besluit vallen, dezelfde lijn hanteert, namelijk dat, inclusief de binnen een EZ-programma aangevraagde subsidie, het totale bedrag aan subsidies (dus ook van de Europese Commissie en andere bestuursorganen) niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens het Kaderbesluit kan worden verstrekt. De UKP-subsidie is door de onderbrenging van de TERM in het Kaderbesluit een subsidie krachtens dat Kaderbesluit. Verweerder verwijst naar de toelichting op artikel 6 van het Kaderbesluit waaruit blijkt dat ingevolge dit artikel de bijdragen van andere bestuursorganen en de Commissie van de Europese Unie terzake van de subsidiabele kosten op die kosten in mindering worden gebracht om te voorkomen dat voor bepaalde subsidiabele kosten twee keer subsidie wordt verstrekt. Volgens verweerder dekt deze toelichting echter niet helemaal de gevolgen van de bepaling zelf, die regelt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt. Om dat te bewerkstelligen, wordt in de uiteindelijke subsidiebeschikking van de volgens het subsidieprogramma te verlenen maximale subsidie, de eventueel verstrekte andere subsidie afgetrokken, aldus verweerder.

Verweerder stelt verder dat het gestelde onder punt 1.7 van de handleiding bij de UKP-tender waarop de aanvraag van appellante betrekking had, onjuist is, want met artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit in strijd en wijst erop dat de regelgeving prevaleert boven de handleiding. Een ervaren subsidieaanvrager als appellante kan worden geacht daarmee rekening te houden, aldus verweerder.

Het verschil in berekening van de UKR-subsidie met die van de UKP-subsidie, zoals dat blijkt uit een ter zitting door appellante overgelegde berekening van de UKR-subsidie, is volgens verweerder daarin gelegen dat de eerder door appellante ingediende UKR-subsidieaanvraag viel onder het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten, waarop het Kaderbesluit niet van toepassing is.

5. In haar zienswijze heeft appellante, eveneens samengevat weergegeven, volgende aangevoerd.

Appellante is van mening dat de brief van verweerder van 3 september 2014 geen deugdelijke motivering bevat. Volgens appellante blijkt daaruit niet dat Europese staatssteunkaders verweerder tot zijn uitleg van de anticumulatiebepaling dwingen. Verweerder laat in het midden op basis waarvan de conclusie moet worden getrokken dat er door het verstrekken van UKP subsidie meer zou worden verstrekt dan krachtens het Kaderbesluit mag worden verstrekt. Volgens appellante blijkt dit niet uit het Kaderbesluit (en de toelichting hierop), niet uit de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie (TERM) en ook niet uit de handleiding bij de UKP-tender. De handleiding bij de UKP-tender onderschrijft juist het standpunt van appellante. Appellante wijst erop dat bij de UKR-subsidie eveneens een subsidieplafond gold en dat de subsidie van de provincie bij de UKR-subsidie in mindering is gebracht op de subsidiabele kosten en niet op het subsidieplafond.

6.1

Het College is van oordeel dat verweerder met de uiteenzetting die hij in zijn brief van 3 september 2014 heeft gegeven een toereikende en thans overtuigende motivering heeft gegeven met betrekking tot de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit in dit geding. Het College overweegt daartoe als volgt.

6.2

In artikel 3.4, eerste lid, van de TERM is bepaald dat de subsidie 40% van de subsidiabele kosten bedraagt, maar niet meer dan € 800.000 per aanvraag. Met de wijziging van 15 juni 2009 (Stcrt. 2009, 113) van de TERM zijn enkele bepalingen van het Kaderbesluit van toepassing verklaard op de TERM waaronder artikel 6 van dat besluit.

Artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit zoals dat luidde tot 7 december 2012, bepaalt dat indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie, met uitzondering van subsidie aan een financier, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt wordt dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt. Per 7 december 2012 is artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit gewijzigd. Naar uit de toelichting bij deze wijziging blijkt (Stb. 2012, 612) is voor alle duidelijkheid toegevoegd de zinsnede ‘noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders’.

6.3

Het College overweegt dat verweerder in het bestreden besluit in de kern betoogt dat het maximumbedrag zoals vastgesteld in artikel 3.4, eerste lid, van de TERM het bedrag is dat bij ministeriele regeling is vastgesteld en dat dit bedrag in het kader van de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit moet worden gelezen bij de zinsnede ‘het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt’. Verweerder heeft in de brief van 3 september 2014 aangevoerd dat de TERM per 25 juni 2009 is gewijzigd in die zin dat daarop het Kaderbesluit van toepassing werd en daarbij het standpunt ingenomen dat de UKP-subsidie door de onderbrenging van de TERM in het Kaderbesluit een subsidie krachtens dat besluit is. Het College volgt verweerder hierin. Het College voegt daaraan toe dat de TERM zoals die gold tot 25 juni 2009 in artikel 1.5 een met artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit vergelijkbare anticumulatiebepaling kende. Het College neemt voorts in aanmerking dat de door verweerder voorgestane uitleg van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit strookt met de wijziging van dat artikellid per 7 december 2012 waarbij de zinsnede is toegevoegd ‘nog meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders’. Deze toevoeging zou zinledig zijn, indien, zoals door appellante is betoogd, onder ‘het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt’ de maximale steun, dus het bedrag dat volgens de Europese steunkaders is toegestaan, dient te worden begrepen en niet een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag.

6.4

Aan de overtuigingskracht van deze redenering werd afbreuk gedaan door een op de zitting van 13 februari 2014 door de gemachtigde van verweerder overgelegde “Handleiding Unieke Kansen programma verduurzaming warmte en koude”, die een passage bevat welke een aanknopingspunt biedt dat verweerder het hier toepasselijke normatieve kader in zijn uitvoeringspraktijk toch zou interpreteren zoals door appellante wordt bepleit.

Met de nadere motivering, zoals vervat in de brief van 3 september 2014, is verweerder er, naar het oordeel van het College, in geslaagd de gerezen twijfel omtrent de deugdelijkheid van de motivering ten aanzien van verweerders uitleg en toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit in het geval van appellante weg te nemen.

De tekst in de Handleiding waarop appellante zich thans beroept strookt niet met de duidelijke, in een andere richting wijzende, bewoordingen van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 3.4 van de TERM. Verweerder erkent dat het gestelde onder punt 1.7 van de handleiding bij de UKP-tender waarop de aanvraag van appellante betrekking had, onjuist is. Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in zijn uitvoeringspraktijk op dit punt in andere gevallen de door appellante voorgestane interpretatie zou hebben gevolgd. De door appellante in haar zienswijze ontvouwde argumenten tonen enerzijds het tegendeel van dit laatste niet aan en stuiten anderzijds af op de systematiek van de hier toepasselijke regelgeving. Gelet op het voorgaande ziet het College geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit niet had mogen toepassen zoals hij heeft gedaan. Ten aanzien van het ter zitting door appellante overgelegde document met een anticumulatie-berekening in een ander subsidiebesluit, overweegt het College dat de berekening ziet op een UKR-subsidie die gebaseerd was op het Besluit EOS. Verweerder heeft dienaangaande terecht in de brief van 3 september 2014 gesteld dat het Kaderbesluit op deze regeling niet van toepassing was. Dat verweerder, naar appellante heeft gesteld, bij de UKR-subsidie de subsidie van de provincie in mindering heeft gebracht op de maximale steun en niet het subsidieplafond, kan reeds daarom niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden. Het betoog van appellante faalt. Het motiveringsgebrek is dus hersteld.

7. Gelet hierop, en gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, dient het beroep tegen het bestreden besluit zoals aanvullend gemotiveerd bij brief van 3 september 2014 ongegrond te worden verklaard.

8. Het College ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het bestreden besluit, waaraan - zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld - een gebrek kleefde, welk gebrek in redelijkheid aan verweerder valt toe te rekenen.

9. Om dezelfde reden ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1225,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde van € 490,-- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,-- (zegge: driehonderdtien euro) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1225,--zegge: duizendtweehonderdvijfentwintig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. J. Schukking en mr. G.P. Kleijn, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

Aangezien de voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen, is deze ondertekend door mr. J. Schukking.

w.g. J. Schukking w.g. A. Graefe