Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:265

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/147
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Appellant klaagt over gedragingen die al eerder voorwerp waren van inhoudelijke beoordeling door de tuchtrechter (zie ECLI:CBB:NL:2014:68), terwijl het feiten en omstandigheden betreft die de klager ten tijde van de eerdere tuchtprocedure bekend waren of hadden kunnen zijn. De accountantskamer heeft de klacht terecht niet-ontvankelijk verklaard op gronden ontleend aan de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/147

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. A.B. Maaten),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 27 januari 2014, gegeven op een klacht, op 17 februari 2012 door appellant ingediend tegen [betrokkene] (betrokkene)

(gemachtigde van betrokkene: mr. D.F. Berkhout).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
27 januari 2014, met nummer 12/1343 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2014:11).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015.

Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. J.B.S. Hijink.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene was ten tijde van belang bestuursvoorzitter van [naam 2] te [plaats 2] . Appellant was via zijn praktijkvennootschap sinds 1993 verbonden aan [naam 2] , zulks per 1 januari 2000 op grond van een maatschapsovereenkomst. Hij is sinds 1 april 2004 volledig arbeidsongeschikt. Tussen partijen zijn vervolgens geschillen ontstaan met meerdere juridische procedures als gevolg. Dit heeft onder meer geresulteerd in het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 april 2009 (ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1184).

1.3

Op 22 mei 2009 verscheen in het Financieele Dagblad (FD) een publicatie met als koptekst “ [naam 2] verwijt partner bedrog”. Voor zover hier van belang hield deze publicatie onder meer in:

“ [naam 2] bestuursvoorzitter [betrokkene] zegt dat de facturen die ten onrechte de deur uit

zijn gegaan, zijn rechtgezet. ‘Geen enkele klant heeft betaald voor werk dat niet is verricht’.
Er is geen winstdeel teruggevorderd bij de partner, zegt [betrokkene] , omdat de winstuitkering losstaat van de omzet. Iedere partner heeft er recht op. ‘ook als hij door omstandigheden niet kon werken’. Ook de betwiste onkosten zijn niet teruggevorderd, aldus [betrokkene] , omdat je dan eindeloos in debat raakt over de vraag wat zakelijk is en privé.”

1.4

Op 8 juli 2011 heeft het FD een artikel gepubliceerd waarin de benoeming van betrokkene tot bestuursvoorzitter van de internationale tak van [naam 2] kenbaar wordt gemaakt. In die publicatie is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende opgenomen:

“ [betrokkene] ontpopte zich als een pragmatisch leider toen [naam 2] Nederland 2009 in het nieuws

kwam door een rechtszaak tegen een van zijn partners die zijn omzet zou hebben opgeklopt en

valse facturen de deur uit zou hebben gedaan. Hoewel de betrokken partner ontkende, was hij

volgens de rechter terecht ontslagen. Nadat [betrokkene] had vastgesteld dat klanten niet te veel

hebben moeten betalen, vorderde hij de schade niet terug om een welles-nietes-situatie te vermijden.”

1.5

Bij brief van 1 augustus 2011 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij de inhoud van de artikelen van 22 mei 2009 en 8 juli 2011 onjuist en suggestief acht. Hij heeft betrokkene gesommeerd om binnen 14 dagen na 1 augustus 2011 zorg te dragen voor rectificatie van de in strijd met de waarheid gepubliceerde informatie en de suggestieve uitlatingen in genoemde krantenartikelen.

1.6

Eveneens op 1 augustus 2011 heeft appellant een klacht (nr.11/1615 Wtra AK ) tegen betrokkene ingediend bij de accountantskamer. Onder verwijzing naar het krantenartikel in het FD van 22 mei 2009 heeft appellant erover geklaagd dat betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter aan een journalist onjuiste informatie heeft verschaft omtrent een door de rechtbank Utrecht tussen [naam 2] en appellant op 15 april 2009 gewezen vonnis. In de publicatie op 8 juli 2011 is opnieuw gerefereerd aan deze procedure en wederom gesuggereerd dat hij valse facturen heeft gestuurd.
Deze klacht is behandeld ter zitting van de accountantskamer van 28 november 2011. Bij uitspraak van 5 maart 2012 (ECLI:NL:TACKN:2012:YH0245) heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. Het door appellant daartegen ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van het College van 20 februari 2014, (ECLI:NL:CBB:2014:68).

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht houdt in dat appellant betrokkene verwijt dat hij heeft nagelaten het FD te verzoeken de publicaties van 22 mei 2009 en 8 juli 2011 te rectificeren. Door dit niet te doen heeft betrokkene gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit, deskundigheid en zorgvuldigheid als genoemd in artikel A-100.4 onder a en c van de Verordening Gedragscode RA’s (VGC).

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Naar zijn oordeel brengen de eisen van een goede tuchtprocesorde met zich dat een klager zijn klachten tegen een betrokken accountant zo veel mogelijk tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig dient te maken. Te meer indien de klachten, zoals in het onderhavige geval, betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex. Appellant is, naar het oordeel van de accountantskamer, in staat geweest zijn klacht ruimschoots voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de hiervoor onder 1.6 vermelde procedure 11/1616 Wtra AK aan te vullen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant betwist in hoger beroep het oordeel van de accountantskamer dat de klacht niet-ontvankelijk is. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het gaat om twee verschillende zaken, te weten de klacht van 1 augustus 2011, nr. 11/1615Wtra AK, waarbij betrokkene is verweten onjuiste informatie te hebben verschaft aan een journalist van het FD en de onderhavige klacht waarbij betrokkene is verweten geen afstand te nemen van de onjuist verstrekte informatie. Appellant ging er in augustus 2011 nog van uit dat betrokkene naar aanleiding van zijn verzoek over zou gaan tot rectificatie. Voorts achtte hij de kans groot dat, indien de klacht als een aanvulling op de klacht van 1 augustus 2011 zou worden aangemerkt, deze aanvulling als niet tijdig ook niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat betrokkene zich niet voldoende had kunnen voorbereiden op de aanvullende klacht. Daarbij heeft appellant verwezen naar rechtsoverweging 4.6 van de uitspraak van 5 maart 2012 nr. 11/1615 Wtra waarin de accountantskamer heeft overwogen:

“4.6 Hoewel daarover niet (althans eerst ter zitting en dus niet tijdig) is geklaagd, is het wel de opvatting van de Accountantskamer dat het in het algemeen voor accountants - gelet op hun gehoudenheid voldoende waarborgen te treffen bij het ontstaan van bedreigingen voor de naleving van de fundamentele beginselen van de VGC - is aan te bevelen goed voorbereid te zijn op het te woord staan van journalisten, alsmede dat het in het onderhavige geval verstandiger van betrokkene zou zijn geweest indien hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel in het FD van 22 mei 2009 inzage in de tekst ervan zou hebben gevraagd, dan wel na publicatie ervan zou hebben aangedrongen op rectificatie van in elk geval de in dat artikel vermelde zin: “ [naam 2] -bestuursvoorzitter [betrokkene] zegt dat de facturen die ten onrechte de deur uit zijn gegaan, zijn rechtgezet”.”

3.2

Het College is van oordeel dat de gedragingen van betrokkene die appellant ten grondslag heeft gelegd aan zijn klacht die in de zaak 11/1615 Wtra AK aan de orde was, betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als de gedragingen die ten grondslag liggen aan de klacht die in de thans bestreden uitspraak aan de orde is. Beide klachten zien op gestelde gedragingen van betrokkene met betrekking tot de publicatie van de artikelen in het FD van 22 mei 2009 en 8 juli 2011. Zoals blijkt uit de weergave in de overwegingen 1.5 en 1.6, hierboven, heeft appellant dit verband zelf al gelegd in zijn sommatiebrief van 1 augustus 2011 en zijn op dezelfde datum ingediende klacht. Gelet op de in de brief van 1 augustus 2011 gestelde termijn waarbinnen betrokkene had moeten reageren op de sommatie van appellant, beschikte appellant, toen na twee weken een reactie van betrokkene uitbleef, over voldoende tijd om vóór de mondelinge behandeling op 28 november 2011 de reeds ingediende klacht aan te vullen met een klachtonderdeel omtrent het achterwege blijven van een rectificatie. De stelling van appellant dat hij toen nog meende dat betrokkene wel tot rectificatie zou overgaan kan niet als verklaring dienen waarom hij dit heeft nagelaten. Uit de

omstandigheid dat betrokkene niet had gereageerd op de sommatie in de brief van 1 augustus 2011 volgde immers al dat hij niet bereid was daartoe over te gaan, temeer nu het gelet op de voorgeschiedenis ook bepaald niet in de rede lag dat betrokkene dat zou gaan doen. Dat had voor appellant juist een reden temeer moeten zijn om het niet-reageren op deze sommatie in de reeds lopende klachtprocedure te betrekken nu hij betrokkene tuchtrechtelijk wel tot rectificatie gehouden achtte, zoals hij ook in de onderhavige klachtprocedure steeds heeft betoogd. Op grond van artikel 14, derde lid, van het Procesreglement Accountantskamer 2010, zoals dat luidde in 2011, kunnen nadere stukken tot 10 dagen voor de zitting worden ingediend en kan de (voorzitter van de) accountantskamer onder bijzondere omstandigheden beslissen dat buiten deze termijn ingediende stukken tot de gedingstukken worden toegelaten. Appellant had dus tussen half augustus 2011 en 28 november 2011 voldoende tijd om zijn klacht aan te vullen.

De omstandigheid dat tijdens de mondelinge behandeling op 28 november 2011 het achterwege blijven van rectificatie aan de orde is gesteld, maar dat daarover volgens de accountantskamer niet tijdig was geklaagd, zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde overweging 4.6, maakt dat niet anders. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat, zoals het in de uitspraak van 20 februari 2014 heeft overwogen, de opmerking in overweging 4.6 een overweging ten overvloede is die appellant niet in zijn procesmogelijkheden beperkt. Daaruit volgt dus niet, anders dan appellant meent, dat een voorafgaand aan deze mondelinge behandeling tijdig gedane aanvulling buiten beoordeling zou zijn gebleven. Bovendien had appellant in dat geval in het hoger beroep tegen de uitspraak van 5 maart 2012 op kunnen komen tegen een dergelijke beslissing. Appellant heeft er evenwel voor gekozen om te wachten met het indienen van een klacht tot 17 februari 2012 en deze klacht, desgevraagd door de accountantskamer, uitdrukkelijk als een zelfstandige nieuwe klacht aangemerkt.

3.3

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat in de onderhavige tuchtprocedure wordt geklaagd over gedragingen welke reeds eerder voorwerp waren van inhoudelijke beoordeling door de tuchtrechter, terwijl het feiten en omstandigheden betreft die de klager ten tijde van de eerdere tuchtprocedure bekend waren of hadden kunnen zijn. De accountantskamer heeft de klacht dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard op gronden ontleend aan de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure. Het hoger beroep is ongegrond.

3.4

De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.M. Okyay-Bloem