Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:263

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Restitutie - uitvoer van runderen naar derde land - Welzijnsverordening (Verordening 817/2010) - voorschriften van Transportverordening (Verordening 1/2005) ook van toepassing op deel van het transport dat buiten het grondgebied van de EU plaatsvindt - lang transport - controle door dierenarts in derde land

Uit artikel 1 van de Welzijnsverordening blijkt dat met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer, de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening en de hierbij behorende bijlagen ook van toepassing zijn op het transport dat buiten het grondgebied van de Europese Unie plaatsvindt. Op basis van de bevindingen van de dierenarts in de verslagen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vervoerders de dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage 1 van de Transportverordening hebben vervoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/311

7200

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de door appellante aangevraagde restitutie niet toegekend en het daarmee gemoeide bedrag van € 47.698,26 afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante heeft op 1, 2 en 3 november 2010 in totaal 500 levende runderen ten uitvoer aangegeven met bestemming [land 1] en hiervoor restitutie aangevraagd.

1.2

In het journaal dat bij de in dit geding aan de orde zijnde transporten aanwezig was, is in de door appellante ondertekende afdeling 1 (planning) vermeld dat appellante organisator van de transporten is, dat Nederland het land van vertrek is en dat plaats en land van bestemming respectievelijk [plaats 2] en [land 1] zijn. Tevens is daarin opgenomen dat zij verantwoordelijk is voor de organisatie van het transport en dat zij passende voorzieningen heeft getroffen om het welzijn van de dieren te garanderen gedurende het hele transport in de zin van Verordening (EG) Nr. 1/2005 van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening). De dieren zijn vanuit Nederland per vrachtwagen naar [plaats 3] ( [land 2] ) vervoerd. De dieren zijn op 6 november 2010 vanuit [plaats 3] per boot vervoerd naar [plaats 4] ( [land 3] ), alwaar zij op
13 november 2010 zijn gelost. Vervolgens zijn de dieren op 13 november 2010 in [plaats 4] in vrachtwagens geladen waarmee de dieren naar [plaats 2] in [land 1] zijn vervoerd, alwaar de dieren op 14 november 2010 zijn gelost.

1.3

In de door de dierenarts opgemaakte en ondertekende verslagen van de controle op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming (verslagen) staat dat de dierenarts de controle op grond van artikel 3, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 817/2010 van de Commissie van 16 september 2010 tot vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer (Welzijnsverordening) op 14 november 2010 te [plaats 2] in [land 1] heeft uitgevoerd. Voorts staat in die verslagen het volgende.

“(…)

I hereby certify that I have carried out the necessary checks pursuant to Article 3(2) of regulation (EC) No 817/2010 and the results are: (…) not satisfactory.

REMARKS: The 25 trucks didn’t meet the standards of EU regulations.

For example chapter VI 1. Long Journeys

1.1

The roof wasn’t light coloured and properly insulated

For example chapter VI 3. Ventilation for means of transport by road and temperature monitoring

3.1.-3.5 There was no ventilation system on board of the truck

Animals watered at the […] borders (8hoursv waiting time at borders)

Total Transit time from [plaats 4] to receivers farm 17 hours. All animals arrived in good order.

(…)”

1.4

In de door Control Union Nederland (Control Union) opgestelde en op
21 januari 2011 ondertekende rapporten staat – kort gezegd – dat Control Union verklaart dat zij de dieren in opdracht van appellante heeft geïnspecteerd op de plaats van lossing te [plaats 2] in [land 1] , dat alle dieren in goede conditie zijn aangekomen, maar dat het transport niet is goedgekeurd en dat de trucks niet voldeden aan de EU regelgeving volgens de Transportverordening (de daken van de trucks waren niet licht gekleurd en er was geen ventilatiesysteem aan boord van de trucks).

1.5

Op 1 april 2011 heeft appellante de rapporten aan verweerder overgelegd.

1.6

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Verweerder heeft op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening de uitvoerrestituties niet betaald, omdat hij van oordeel is dat de vervoerders de dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage 1 van de Transportverordening hebben vervoerd zoals voorgeschreven in artikel 6, derde lid, van de Transportverordening. Hiertoe heeft verweerder gewezen op de rapporten van Control Union, waarin de bevindingen van de dierenarts zijn opgenomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder niet eenduidig heeft vastgesteld dat zij de betreffende voorschriften niet heeft nageleefd. Het is de vraag wanneer het dak van het vervoermiddel (in voldoende mate) een lichte kleur heeft, met andere woorden welke regels gelden voor het bepalen van de juiste lichte kleur. Dit geldt eveneens voor het antwoord op de vraag of sprake is van een ‘goed’ geïsoleerd dak. Ook hiervoor zouden criteria moeten zijn opgenomen om de controle objectief te kunnen toetsen. Verder is onjuist dat in paragraaf 3.1 van Hoofdstuk VI van Bijlage 1 van de Transportverordening zou zijn opgenomen dat het vervoermiddel voorzien moet zijn van een ventilatiesysteem. In dit artikel staan uitsluitend de voorwaarden (ontwerp, constructie en onderhoud) waaraan het ventilatiesysteem bij een lang transport moet voldoen. Een – niet willekeurige – toetsing aan de voorwaarden kan eerst plaatsvinden wanneer de maatregel/voorziening verplicht is gesteld, maar ook de voorwaarden waaraan de maatregel/voorziening moet voldoen in de wettelijke regelgeving is opgenomen. Het gebrek dat de dierenarts niet alleen niet deskundig is, maar ook geen bevoegdheid heeft om het vervoermiddel in de zin van artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Transportverordening te inspecteren, omdat hij niet de door de bevoegde autoriteit of lidstaat aangewezen instantie betreft, maakt dat de bevindingen van de dierenarts niet een-op-een hadden mogen worden overgenomen. Het is de

lidstaat die dient te bepalen of de voorwaarden gelden en zo ja, waarom hieraan niet is

voldaan.

4. Appellante heeft voorts aangevoerd dat in het geval de voorschriften voor het transport ook gelden in het derde land, ter zake de voorschriften voor een kort transport gelden. Dit omdat na de lossing van de dieren van het zeeschip in [plaats 4] een nieuwe transporttijd is ingegaan voor het vervoer over de weg van [plaats 4] naar [plaats 2] in [land 1] . Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft al eerder geoordeeld dat bij een neutralisatie van het voorgaande transport – door het in acht nemen van de voorgeschreven rusttijd – elk transport op zichzelf kan worden beschouwd. Aan dit oordeel legt het Hof ten grondslag dat uit het oogpunt van dierenwelzijn bij het vervoer met meerdere verschillende vervoermiddelen moet vaststaan dat de geldende rusttijden worden nageleefd. Vaststaat dat het vervoer over de weg naar de haven van uitvoer en het vervoer over zee naar [plaats 4] voldeed aan de voorschriften voor lang transport. Niet in geschil is dat het vervoer over de weg in het derde land voldeed aan de voorwaarden voor kort transport en dat de controle van de dieren door de dierenarts heeft uitgewezen dat de dieren gezond zijn aangekomen in [land 1] . Tussen de aankomst van de dieren in [plaats 3] en het inschepen zit drie dagen. De dieren zijn conform de voorwaarden voorafgaand aan het vervoer met het zeeschip gestald geweest. Weliswaar stelt verweerder in het licht van de definitie van de begrippen transport en lang transport in de Transportverordening dat de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming meegenomen moet worden en dat het transport van [plaats 4] naar [plaats 2] in [land 1] niet kan worden aangemerkt als een afzonderlijk transport maar onderdeel is van een lang transport. Maar het is aan de rechter te beoordelen of aan de vervoersvoorschriften is voldaan en appellante blijft bij haar standpunt dat sprake is van een afzonderlijk transport vanaf [plaats 4] tot aan de boerderij in [land 1] . Niet alleen is van belang dat de totale duur van

de ‘vervoersoperatie’ wordt bezien, maar ook of er feiten zijn aan te wijzen die maken

dat de plaats van vertrek opschuift gedurende het vervoer. Dit is onder andere het geval

als de dieren voldoende rust krijgen tussen het uitladen en inladen, zodat gesproken kan

worden van een nieuwe plaats van vertrek. Hiervoor zijn ook aanwijzingen te vinden in

de uitzondering op de definitie van de plaats van vertrek in de Transportverordening

(artikel 2, aanhef en onder r). Zo volgt uit dit artikel dat de plaats van vertrek de plaats is waar het dier voorafgaand 48 uur voor het vertrek gestald is geweest. In onderhavig geval zijn de dieren na drie dagen ingescheept, zodat hieraan is voldaan. Ook kan [plaats 3] als plaats van bestemming worden gezien, omdat de dieren ook 48 uur voor vertrek zijn gestald. Voor het vervoer met het zeeschip naar [plaats 4] golden geen rusttijden, omdat het schip aan de technische voorschriften voldeed. De dieren worden geacht te kunnen gaan liggen en zijn op de voorgeschreven wijze gedrenkt en gevoederd.

5. Over deze beroepsgronden overweegt het College als volgt.

6. Ingevolge artikel 168 van Verordening (EG) Nr. 1234/2007 van de Raad van
22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) wordt met betrekking tot de producten van de sector rundvlees de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.

In de considerans van de Welzijnsverordening staat het volgende.

“ (…)

(2) Overeenkomstig artikel 168 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 wordt de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Unie inzake het welzijn van dieren, en meer in het bijzonder aan Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten.

(…)

(6) Voor de toepassing van deze verordening moeten controles in derde landen worden opgelegd die worden uitgevoerd door instanties van de lidstaten of door op internationaal niveau inzake controle en toezicht gespecialiseerde firma’s, hierna „CTF’s” genoemd, die door de lidstaten zijn erkend en worden gecontroleerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten. Voor de uitvoering van controles in het kader van deze verordening moeten de CTF’s meer in het bijzonder voldoen aan de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 612/2009 vastgestelde voorwaarden voor de erkenning van en de controle op CTF’s.

(7) Krachtens artikel 168 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en krachtens deze verordening mogen de uitvoerrestituties slechts worden betaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Unie op het gebied van dierenwelzijn. Daarom moet duidelijk worden aangegeven dat, onverminderd in door het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende gevallen van overmacht, een inbreuk op die bepalingen inzake dierenwelzijn niet tot een verlaging, maar tot het verlies van de uitvoerrestitutie leidt, in evenredigheid met het aantal dieren waarvoor de dierenwelzijnseisen niet in acht werden genomen. Uit die bepalingen en uit de voorschriften inzake dierenwelzijn die zijn vastgesteld in de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin genoemde bijlagen, vloeit bovendien voort dat de restitutie voor dieren waarvoor deze dierenwelzijnsvoorschriften niet zijn nageleefd, wordt verbeurd, ongeacht de fysieke toestand van de betrokken dieren.

(…)”

Ingevolge artikel 1, eerste paragraaf, van de Welzijnsverordening wordt – kort gezegd – op grond van artikel 168 van de Transportverordening de betaling van de restituties bij uitvoer van levende runderen (dieren) afhankelijk gesteld van de naleving, tijdens het vervoer van de dieren tot de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming, van de

artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening, alsmede van de daarin genoemde bijlagen, en van de onderhavige verordening.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Welzijnsverordening moet de exporteur, nadat de dieren het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, ervoor zorgen dat de dieren een controle ondergaan op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Welzijnsverordening worden de in lid 1 bedoelde controles uitgevoerd door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die daartoe overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 23 van Verordening (EG)

nr. 612/2009 door een lidstaat is erkend en wordt gecontroleerd, of door een officiële instantie van een lidstaat.

De in lid 1 bedoelde controles worden verricht door een dierenarts die houder is van een diploma, certificaat of andere titel van dierenarts dat of die is genoemd in artikel 21 van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad. Evenwel vergewissen de lidstaten die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma’s hebben erkend, zich ervan dat die firma’s controleren of de dierenartsen die houder zijn van een niet onder die richtlijn vallende titel, op de hoogte zijn van de in Verordening (EG) nr. 1/2005 gestelde eisen. Die controles worden volgens passende procedures op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze verricht.

De dierenarts moet van elke door hem overeenkomstig lid 1 verrichte controle een verslag opstellen volgens de modellen in de bijlagen III en IV bij deze verordening.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening wordt de totale som van de uitvoerrestitutie per dier, berekend overeenkomstig de tweede alinea, niet betaald voor dieren waarvoor de bevoegde autoriteit op grond van de in artikel 4, lid 2, bedoelde documenten en/of andere gegevens over de naleving van deze verordening waarover zij beschikt, van oordeel is dat de artikelen 3 tot en met 9 van Verordening (EG) nr. 1/2005, alsmede de daarin genoemde bijlagen niet in acht zijn genomen.

Artikel 2 van de Transportverordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a) „dieren”: levende gewervelde dieren;

(…)

j) „transport”: de gehele vervoersoperatie van de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming, met inbegrip van het lossen, het stallen en het laden tijdens tussenstops;

(…)

m) „lang transport”: een transport van meer dan 8 uur, gerekend vanaf het tijdstip waarop het eerste dier van de partij verplaatst wordt;

w) „vervoer”: de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen;

(…)

x) „vervoerder”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor eigen rekening of voor rekening van een derde dieren vervoert;

(…)”

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Transportverordening vervoeren de vervoerders de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.

In Hoofdstuk VI van Bijlage 1 van de Transportverordening is het volgende bepaald.

“1. Alle lange transporten

Dak

1.1

Het vervoermiddel moet uitgerust zijn met een dak in een lichte kleur en moet goed geïsoleerd zijn.

(…)

3. Ventilatie bij wegvervoermiddelen en temperatuurbewaking

3.1

De ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen moeten zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport, ongeacht of het vervoermiddel stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5 °C en 30 °C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5 °C, afhankelijk van de buitentemperatuur.

(…)”

7. Naar het oordeel van het College blijkt uit artikel 1 van de Welzijnsverordening dat met betrekking tot de voor de toekenning van uitvoerrestituties te vervullen voorwaarden in verband met het welzijn van levende runderen tijdens het vervoer, de voorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 3 tot en met 9 van de Transportverordening en de hierbij behorende bijlagen ook van toepassing zijn op het transport dat buiten het grondgebied van de Europese Unie plaatsvindt. Uit het arrest van het Hof van 23 april 2015 (Zuchtvieh-Export,
C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259) blijkt dat de Transportverordening zich daartegen ook niet verzet. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat in dit geval [plaats 2] in [land 1] de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming in de zin van artikel 1 van de Welzijnsverordening is. In het midden kan worden gelaten of Nederland als plaats van vertrek moet worden aangemerkt, zoals verweerder aanvoert, dan wel [plaats 4] in [land 3] , zoals appellante aanvoert, omdat, zelfs indien [plaats 4] als plaats van vertrek moet worden aangemerkt, voor het College vaststaat dat het transport van die plaats naar [plaats 2] in [land 1] meer dan acht uur bedraagt en aldus sprake is van een lang transport in de zin van artikel 2, aanhef en onder m, van de Transportverordening. In dit verband is van belang dat blijkens de door de dierenarts in [plaats 2] opgemaakte verslagen de totale transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] zeventien uur is en dat appellante ook in de door haar opgestelde afdeling 1 van de journalen heeft vermeld dat de transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] meer is dan acht uur. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat die transporttijd minder is dan acht uur. Verweerder heeft in het verweerschrift gemotiveerd uiteengezet dat en waarom geen waarde kan worden toegekend aan de tweede verklaring van [naam 3] , waarin deze heeft verklaard dat de totale transporttijd per vrachtwagen acht uur of korter was. Het College volgt verweerder hierin om de volgende redenen. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt strookt de tweede verklaring van [naam 3] niet met diens eerdere verklaring waarin hij heeft verklaard dat de totale transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] 17 uur bedraagt en evenmin met de verklaring van de dierenarts in de verslagen. Dat, zoals appellante aanvoert, de dierenarts de tweede verklaring van [naam 3] heeft bevestigd door middel van een handtekening en een stempel onder die verklaring, is niet aannemelijk geworden, reeds omdat niet duidelijk is dat die handtekening en stempel van de dierenarts zijn, terwijl, zonder nadere motivering, die ontbreekt, evenmin valt in te zien op grond waarvan de dierenarts zou zijn teruggekomen op zijn verklaring in de verslagen.

8. Uit het voorgaande volgt dat, nu sprake is van een lang transport, de dieren ingevolge artikel 1 van de Welzijnsverordening, gelezen in samenhang met artikel 6, derde lid, van de Transportverordening in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage 1 hoofdstuk VI moeten worden vervoerd. Dit betekent dat het vervoermiddel moet zijn uitgerust met een dak in een lichte kleur en goed geïsoleerd moet zijn (punt 1.1 van Hoofdstuk VI) en dat de ventilatiesystemen op wegvervoermiddelen – kort gezegd – zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5 °C en 30 °C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5 °C, afhankelijk van de buitentemperatuur (punt 3.1 van Hoofdstuk VI). Met de ondertekening van afdeling 1 (planning) van de journalen heeft appellante verklaard dat het voorgenomen vervoer in overeenstemming zal zijn met die voorschriften. In het bezwaarschrift (punt 33) heeft appellante ook uiteengezet dat zij een vervoerder heeft ingeschakeld die appellante heeft verzekerd dat alle voorzieningen aan de voertuigen adequaat waren. Wat het voorschrift over de kleur en isolatie van het dak betreft, heeft appellante weliswaar gesteld dat onduidelijk is wanneer sprake is van een lichte kleur en een goed geïsoleerd dak, maar omdat zij zelf geen enkele informatie heeft verstrekt over de kleur en isolatie van de betreffende voertuigen, heeft zij, in het licht van genoemde verklaring in de journalen en vermelde uiteenzetting in het bezwaarschrift, niet aannemelijk gemaakt dat zij de betekenis van dat voorschrift verkeerd heeft begrepen. Wat het voorschrift over het ventilatiesysteem betreft, moet worden opgemerkt dat uit de redactie van die bepaling reeds volgt dat het wegvervoermiddel ook moet zijn voorzien van een ventilatiesysteem, omdat een andere, door appellante voorgestane lezing van dat voorschrift het voorschrift zinledig maakt.

9. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder niet mocht uitgaan van de bevindingen van de dierenarts in de verslagen. Gelet op artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Welzijnsverordening, gelezen in samenhang met artikel 6, derde lid, van de Transportverordening, moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever ervoor heeft gekozen dat de dierenarts op de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming moet controleren of voldaan is aan de hier aan de orde zijnde voorschriften. Anders dan appellante ter zitting van het College heeft aangevoerd, bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de verslagen van de dierenarts tegenstrijdig zijn met de verslagen zoals de dierenarts die op 13 november 2010 heeft opgemaakt in [plaats 4] ( [land 3] ).

10. Op basis van de bevindingen van de dierenarts in de verslagen, die zijn overgenomen in de rapporten van Control Union, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vervoerders de dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage 1 van de Transportverordening hebben vervoerd zoals voorgeschreven in artikel 6, derde lid, van de Transportverordening. Verweerder heeft dus op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening de uitvoerrestituties terecht niet betaald. Dat de dieren blijkens de verslagen van de dierenarts in goede conditie zijn aangekomen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerder, gelet op de bewoordingen van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Welzijnsverordening, niet hoeft aan te tonen dat er sprake was van concrete schade voor de dieren tijdens het vervoer (vergelijk het arrest van het Hof van
30 juni 2011, Viamex Agrar Handel, C-485/09, ECLI:EU:C:2011:440, punt 39).

11. Het betoog van appellante ter zitting van het College dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het verbod op willekeur, het recht op toepassing van de meerderheidsregel en het rechtszekerheidsbeginsel, mist feitelijke onderbouwing en faalt reeds hierom.

12. De conclusie is dat de beroepsgronden falen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. S.C. Stuldreher en mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

w.g. A. Venekamp w.g. J.W.E. Pinckaers