Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:245

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/262
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

te late aanvraag, overmacht

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2015-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/262

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2015 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. J. Voets),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2013 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 21 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2015. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante is landbouwer en heeft met de Gecombineerde Opgave 2013 de uitbetaling aangevraagd van haar toeslagrechten. Appellante voert dit bedrijf per 1 januari 2012 in de vorm van een vennootschap onder firma. Tot die datum exploiteerde een van de twee vennoten het landbouwbedrijf als eenmanszaak. Op 17 april 2013 heeft appellante de wijziging van de rechtsvorm van het bedrijf aan de Kamer van Koophandel (KvK) gemeld. Naar aanleiding van een melding van de KvK over de uitschrijving van genoemde eenmanszaak uit het handelsregister heeft verweerder de toegang tot het account van het bedrijf op de website van verweerder geblokkeerd. Op 10 mei 2013 heeft verweerder dit per brief aan appellante medegedeeld. Op 13 mei 2013 heeft appellante met een adviseur geprobeerd de digitale Gecombineerde Opgave 2013 in te dienen, maar dit mislukte omdat de inlogcodes niet werkten. Appellante heeft toen een papieren versie van de Gecombineerde Opgave aangevraagd en heeft deze ontvangen op 17 mei 2013. Verweerder heeft deze op 22 mei 2013 ondertekende opgave ontvangen op 27 mei 2013. In het primaire besluit heeft verweerder een korting van 7% toegepast op de uitbetaling van de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2013 wegens te late indiening.

2. In geschil is of verweerder terecht heeft besloten deze korting toe te passen op de bedrijfstoeslag van appellante wegens het overschrijden van de indieningstermijn van de Gecombineerde Opgave 2013.

3. Appellante stelt dat zij al het mogelijke heeft gedaan om de aanvraag bedrijfstoeslag tijdig in te dienen. Dit zou moeten leiden tot enige coulance van verweerder. Dit te meer nu verweerder in 2014 wel een gelegenheid tot uitstel heeft geboden voor het indienen van de Gecombineerde Opgave 2014. Daarnaast stelt appellante dat de blokkering van haar account op 10 mei 2013 ervoor zorgde dat een tijdige indiening onmogelijk was. Het aanvragen van een nieuw wachtwoord ging immers gepaard met een wachttijd van 5 dagen en de uiterste datum van indiening was 15 mei 2013. Appellante stelt ten slotte dat verweerder de toegang tot haar account niet binnen de indieningsperiode voor de Gecombineerde Opgave 2013 en zonder aankondiging had mogen blokkeren.

4. Verweerder bevestigt dat hij de toegang tot ‘Mijn dossier’ van appellante heeft geblokkeerd na een melding van appellante bij de KvK met betrekking tot de bedrijfsoverdracht per 1 januari 2012. Dit resulteerde in de uitschrijving van het KvK-nummer van de eenmanszaak uit het handelsregister van de KvK. Uit veiligheidsoverwegingen heeft verweerder de toegang van appellante tot ‘Mijn dossier’ vervolgens geblokkeerd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het hier gaat om geautomatiseerde processen. De bedrijfsoverdracht is bij verweerder op 23 mei 2013 gemeld.

Verweerder heeft de Gecombineerde Opgave 2013 van appellante niet tijdig ontvangen en een korting van 7% toegepast. De enige mogelijkheid voor verweerder om van de korting af te zien, is een geslaagd beroep op overmacht. Nu appellante heeft verzuimd om de gestelde overmachtssituatie te melden binnen de daarvoor geldende termijn van 10 werkdagen vanaf de dag waarop dit mogelijk was, kan dit beroep niet slagen.

5.1

Het College stelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 november 2014

(ECLI:NL:CBB:2014:449) voorop, dat het de verantwoordelijkheid is van appellante, als

aanvrager van de subsidie, om tijdig haar aanvraag in te dienen. Het risico dat de aanvraag

verweerder niet tijdig bereikt ligt bij appellante.

5.2

Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 november

2004 (ECLI:EU:C:2004:714) is een aanvraag slechts tijdig ingediend indien zij voor de afloop

van de termijn door de bevoegde instantie is ontvangen. De termijn voor de indiening van de

Gecombineerde Opgave 2013 eindigde op 15 mei 2013. Op grond van artikel 23, eerste lid

van Verordening (EG) 1122/2009 is verweerder, behoudens overmacht en uitzonderlijke

omstandigheden, gehouden bij de indiening van een steunaanvraag na de desbetreffende

uiterste datum een verlaging van 1% per werkdag toe te passen op de bedragen waarop de

landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. Verweerder heeft

de aanvraag van appellante ontvangen op 27 mei 2013. Dit is zeven werkdagen te laat, wat

leidt tot een korting van 7%.

5.3

Appellantes betoog houdt in dat hierop een uitzondering zou moeten worden gemaakt,

omdat het niet tijdig aanvragen van uitbetaling van haar toeslagrechten het gevolg is van een

situatie van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Dit betoog slaagt niet. Hiertoe

overweegt het College dat appellante zich pas in haar bezwaarschrift van 3 februari 2014

heeft beroepen op de omstandigheden die de te late indiening van de aanvraag zouden hebben

veroorzaakt. Zij heeft daarom verzuimd om de gestelde overmachtssituatie te melden binnen

tien werkdagen vanaf de dag waarop dit mogelijk was, zoals is voorgeschreven in artikel 75,

tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Alleen al om die reden kan het beroep op

overmacht niet slagen.

5.4

Afgezien hiervan heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de

criteria van overmacht zoals gehanteerd op grond van de vaste rechtspraak van het Hof van

Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei

Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, C-210/00, Jur. I-6453, punt 79). De

omstandigheden dat appellante de wijziging van haar bedrijfsvorm laat heeft gemeld bij de

KvK en verweerder en dat zij na ontvangst van de reeds genoemde brief van verweerder van

11 mei 2013 niet direct contact heeft opgenomen met verweerder om te bewerkstelligen dat

zij haar aanvraag tijdig zou kunnen indienen, dienen voor rekening en risico van appellante te

blijven. Dat de adviseur van appellante het druk had, neemt bovendien niet weg dat appellante

zelf contact had kunnen opnemen met verweerder.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. W.M.J.A. Duret