Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:236

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/524 ea
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid van de beroepen wegens het ontbreken van procesbelang

Wetsverwijzingen
Winkeltijdenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14/524 tot en met 14/529, 14/572, 14/607, 14/608, 14/616 tot en met 14/619 en 14/638

12500

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2015 in de zaak tussen

1. [naam 1] V.O.F., appellante in zaak 14/524,

2. [naam 2] , appellante in zaak 14/525,

3. [naam 3] V.O.F., appellante in zaak 14/526,

4. Firma [naam 4] , appellante in zaak 14/527,

5. [naam 5] B.V., appellante in zaak 14/528,

6. [naam 6] V.O.F., appellante in zaak 14/529,

7. [naam 7] , appellante in zaak 14/572,

8. [naam 8] V.O.F., appellante in zaak 14/607,

9. [naam 9] , appellante in zaak 14/608,

10. [naam 10] V.O.F., appellante in zaak 14/616,

11. [naam 11] , appellante in zaak 14/617,

12. [naam 12] V.O.F., appellante in zaak 14/618,

13. [naam 13] , appellante in zaak 14/619,

14. [naam 14] , appellante in zaak 14/638,

alle te [plaats] , tezamen appellanten

(gemachtigde: F. van der Tempel Jr. ),

en

burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, verweerders

(gemachtigden: mr. H.E. Jansen en A. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 (het primaire besluit) hebben verweerders op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening winkeltijden Bodegraven-Reeuwijk 2014 (Verordening 2014) voor het kalenderjaar 2014 een achttal zon- en feestdagen aangewezen waarop winkels open mogen zijn.

Bij besluiten van 21 juli 2014 (de bestreden besluiten) hebben verweerders het bezwaar van appellante 12 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van de overige appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op
15 juni 2015. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk op 25 juni 2015 uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het College stelt voorop dat de werking van het primaire besluit is uitgewerkt. Appellanten kunnen derhalve niet meer bewerkstelligen wat zij met het instellen van hun beroep beogen, te weten het terugdringen van het aantal koopfeestdagen en -zondagen voor het jaar 2014. Bij brief van 8 januari 2015 heeft het College, gelet op het feit dat de zon- en feestdagen waarop verweerders openstelling van winkels hebben toegestaan alle zijn gelegen in 2014, appellanten in de gelegenheid gesteld nader toe lichten of zij een resterend belang hebben bij hun beroep, en zo ja, dit belang nader te motiveren. Bij brief van 9 januari 2015 hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat zij belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. Zij hebben dit standpunt ter zitting nader toegelicht. Samengevat weergegeven hebben zij aangevoerd dat een inhoudelijk oordeel van het College kan worden betrokken bij het aanvechten van het koopzondagenbesluit voor het kalenderjaar 2015.

3.
Het is vaste jurisprudentie van het College dat er alleen sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de belanghebbende met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk met het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor deze belanghebbende een feitelijke betekenis kan hebben en niet alleen een hypothetische (zie onder meer de uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:110). Het is tevens vaste jurisprudentie dat het belang van een oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel bij toekomstige (terugkerende) besluiten kan worden betrokken (zie onder meer de uitspraak van 19 juni 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0699).

4. Het College stelt vast dat de beroepen van appellanten zijn gericht tegen het in bij de bestreden besluiten gehandhaafde aanwijzingsbesluit van 21 januari 2014 dat verweerder heeft vastgesteld op grond van de inmiddels ingetrokken Verordening 2014. Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening winkeltijden Bodegraven-Reeuwijk 2015 (Verordening 2015) met ingang van 1 januari 2015 is de winkelopenstelling gewijzigd. Op grond van de Verordening 2014 konden verweerders maximaal acht koopzon- en -feestdagen per jaar aanwijzen. Op grond van de Verordening 2015 geldt een algemene vrijstelling op ten hoogste acht zondagen per jaar tussen 12.00 en 17.00 uur, die jaarlijks worden aangewezen door burgemeester en wethouders. Voorts geldt een vrijstelling op de in de Verordening 2015 genoemde feestdagen, voor zover deze feestdagen niet op zondag vallen, tussen 9.00 en 17.00 uur. Bij besluit van 16 december 2014 hebben verweerders op grond van artikel 2, derde lid, van de Verordening 2015 voor het kalenderjaar 2015 vier zondagen aangewezen waarop winkels in de gehele gemeente Bodegraven-Reeuwijk open mogen zijn en nog vier koopzondagen per gebied binnen de gemeente. Gelet op het gewijzigde koopzon- en feestdagenregime in de Verordening 2015 en het op deze verordening gebaseerde aanwijzingsbesluit van 16 december 2014, kan het belang van een oordeel over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten naar het oordeel van het College niet zijn gelegen in de omstandigheid dat dit rechterlijk oordeel kan worden betrokken bij het aanvechten van het aanwijzingsbesluit van 16 december 2014. Hierbij is nog van belang dat bij het College beroepen aanhangig zijn tegen de handhaving in bezwaar van dit aanwijzingsbesluit en de rechtmatigheid van dit besluit in die procedures ten volle aan de orde kan komen.

5. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van appellanten niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Onder deze omstandigheden bestaat reeds hierom geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en
mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai