Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:234

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

schorsing taxivergunning, Amsterdamse opstapmarkt, bewijsvoering, belangenafweging

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000, geldigheid: 2015-07-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/521

[14914]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.C. Spil),

en

Burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerders

(gemachtigde: mr. J. van Westing).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de Taxxxivergunning (taxivergunning) van verzoeker per direct geschorst.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aannemelijk is dat het bestreden besluit voor verzoeker ingrijpende gevolgen met zich brengt, nu hij zijn werkzaamheden in belangrijke mate richt op de Amsterdamse opstapmarkt (taxivervoer vanaf standplaatsen en via aanhouden op straat). De schorsing van zijn taxivergunning betekent voor verzoeker dat hij deze werkzaamheden niet meer mag uitvoeren. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.

3. De voorzieningenrechter gaat bij zijn voorlopig oordeel uit van de volgende feiten.

3.1

Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en biedt zijn diensten hoofdzakelijk aan op de Amsterdamse opstapmarkt.

3.2

Op 25 juni 2015 heeft de Politie, eenheid Amsterdam, bij verweerders gemeld dat verzoeker wordt verdacht van aanranding en stalking. Volgens deze melding heeft verzoeker op 27 april 2015 een vrouwelijke passagier naar huis gebracht en haar vervolgens aangerand. Nadien zou verzoeker, volgens de melding, de passagier in ieder geval nog twee keer op haar huisadres hebben lastig gevallen.

3.3

Bij het bestreden besluit hebben verweerders per direct de taxivergunning van verzoeker, hangende het onderzoek van de politie, voor onbepaalde tijd geschorst. Verweerders hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat de kwaliteit van het taxivervoer in Amsterdam in ernstige mate wordt aangetast, nu verzoeker wordt verdacht van aanranding en stalking. Volgens verweerders is de verdenking van aanranding en stalking zodanig ernstig dat direct handhavend optreden gerechtvaardigd is. Verweerder hebben bij de besluitvorming tevens gewicht toegekend aan de informatie van de politie dat in 2007 een soortgelijke zaak heeft gespeeld, die echter niet tot vervolging heeft geleid.

3.4

Verzoeker voert in zijn bezwaarschrift en verzoek om voorziening aan dat verweerders niet enkel hebben mogen afgaan op de melding van de politie, maar zelf onderzoek hadden moeten verrichten naar de relevante feiten en omstandigheden. Nu verweerders dat niet hebben gedaan is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Verweerders hebben verzoeker ten onrechte niet eerst gehoord alvorens tot schorsing van de taxivergunning over te gaan. Verzoeker ontkent dat hij de passagier heeft aangerand of heeft gestalkt. Verzoeker heeft – kort samengevat – gesteld dat hij de passagier op 27 april 2015 naar huis heeft gebracht, dat zij niet kon betalen en dat hij ermee heeft ingestemd op een later moment terug te komen om het geld op te halen. Verzoeker is daartoe tweemaal bij de passagier thuis langsgegaan maar heeft haar niet thuis getroffen. Verzoeker stelt dat de schorsing bovendien onevenredig is omdat daardoor het voortbestaan van zijn onderneming wordt bedreigd. Verzoeker kan nu alleen nog werken in Amsterdam op de bel- en contractmarkt en daarmee is hij niet in staat voldoende inkomsten te generen voor het levensonderhoud van zijn gezin. Omdat uit het besluit niet blijkt hoe lang de schorsing zal duren, is het besluit tevens in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, aldus verzoeker.

4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1

Verweerders hebben ter zitting toegelicht dat zij de taxivergunning hebben geschorst op grond van artikel 2.17, vierde lid van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (hierna: Taxiverordening). In dit artikel is bepaald dat een taxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze waardoor naar het oordeel van het college [verweerders] de kwaliteit van het taxivervoer wordt aangetast.

4.2

Verweerders hebben desgevraagd ter zitting bevestigd dat voornoemd artikel, of een ander artikel in de Taxiverordening, niet voorziet in een bevoegdheid tot schorsing of intrekking van een taxivergunning op grond van een verdenking van strafbaar feit. Bovendien moet verzoeker, zolang in strafrechtelijke zin slechts sprake is van een verdenking, voor onschuldig worden gehouden aan de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht totdat het Openbaar Ministerie (OM) heeft beslist omtrent vervolging en, indien het daartoe komt, totdat door de strafrechter daarover is geoordeeld. In zoverre kan de motivering het bestreden besluit niet dragen.

4.3

Verweerders hebben, subsidiair, gesteld dat de gedragingen van verzoeker op 27 april 2015 en daarna grondslag bieden voor de schorsing van de taxivergunning omdat door dit gedrag de kwaliteit van het taxivervoer is aangetast als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Taxiverordening. Passagiers, en met name vrouwelijke passagiers, moeten er volgens verweerders op kunnen vertrouwen dat zij op een veilige en betrouwbare manier worden vervoerd.

4.4

Een schorsing van een taxivergunning betreft een voor de burger belastend besluit. Dat betekent dat het aan verweerders is om aannemelijk te maken dat er gegronde redenen bestaan om tot schorsing van de taxivergunning over te gaan.

4.4.1

Als bewijs voor de conclusie van verweerders dat verzoeker gedrag heeft vertoond dat de kwaliteit van taxivervoer heeft aangetast hebben verweerders in eerste instantie de melding van de politie van 25 juni 2015 door middel van het mutatierapport ingebracht. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 2 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:41, is deze melding als bewijs ontoereikend.

4.4.2

Uit het bestreden besluit volgt dat verweerders tevens bij de besluitvorming hebben betrokken de mededeling van de politie dat in 2007 ‘een soortgelijke zaak’ heeft gespeeld die niet tot vervolging heeft geleid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verweerders deze mededeling van de politie niet (mede) ten grondslag kunnen leggen aan de schorsing van de taxivergunning. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat van de feiten en omstandigheden van deze ‘zaak’ uit 2007 niets bekend is. Het enige dat wel bekend is dat verzoeker destijds niet strafrechtelijk is vervolgd. Ter zitting hebben verweerders desgevraagd verklaard ook niet over onderliggende stukken ten aanzien van deze zaak te beschikken.

4.4.3

Eerst ter zitting hebben verweerders, met instemming van verzoeker, het proces-verbaal van de aangifte van 26 mei 2015 overgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden uit het proces-verbaal van 26 mei 2015 afgeleid dat verzoeker zich op een wijze heeft gedragen die de kwaliteit van het taxivervoer aantast. Daarbij is dus, zoals hiervoor al aangegeven, niet van belang of verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, maar gaat het erom of de feitelijke gedragingen van verzoeker zoals die uit het proces-verbaal naar voren komen, een schorsing van zijn taxivergunning kunnen rechtvaardigen. De voorzieningenrechter acht de verklaringen van de passagier over de gedragingen van verzoeker zoals opgenomen in het proces-verbaal voldoende geloofwaardig. Daarbij is van belang dat de verklaringen gedetailleerd en innerlijk op hoofdlijnen consistent zijn. Er zijn ook geloofwaardige redenen gegeven waarom zij niet meteen aangifte heeft gedaan en waarom zij na één van de ongevraagde bezoeken van verzoeker aan haar woning niet direct met de politie contact heeft opgenomen. De verklaringen worden verder ondersteund door het gegeven dat de taxirit waarmee de gebeurtenissen zijn aangevangen verifieerbaar (aan de hand van de rittenadministratie van de taxi) is gemaakt. Verzoeker heeft dit zelf bevestigd en heeft ook bevestigd dat hij nadien de passagier thuis heeft opgezocht. De uitleg die verzoeker aan de gebeurtenissen geeft is niet op voorhand ongeloofwaardig, maar mist overtuigingskracht afgezet tegen het relaas van de passagier. Dat geldt met name voor zijn verklaring dat hij nog tweemaal de passagier heeft opgezocht om betaling voor de taxirit te verkrijgen, aangezien het om een ritprijs van € 12,49 ging en ook zijn daaraan ten grondslag liggende verklaring dat de passagier de rit niet zou hebben kunnen betalen niet overtuigt in het licht van haar verklaring. Daarbij komt dat verzoeker zich kennelijk ook nog enige moeite heeft moeten getroosten om vast te stellen waar de passagier precies woonde. Dat draagt er in sterke mate aan bij dat het relaas van de passagier aannemelijker moet worden geacht en daarmee ook haar verklaringen omtrent de gebeurtenissen tijdens en na de taxirit. Daarmee is voldoende aannemelijk dat verzoeker het beschreven gedrag heeft vertoond.

4.4.4

De voorzieningenrechter gaat er daarom op grond van het proces-verbaal van uit dat verzoeker na de rit op 27 april 2015 de passagier ongevraagd heeft omhelsd en op de mond heeft gekust en dat de passagier heeft aangegeven dat zij dit niet wilde. Uit de verklaring van de passagier volgt dat verzoeker haar op 19 en 22 mei 2015 op haar huisadres heeft bezocht, zonder dat hij daartoe was uitgenodigd, en dat de passagier deze bezoeken als opdringerig en bedreigend heeft ervaren.

4.5

Verweerders hebben zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht bevoegd geacht om handhavend op te treden door middel van schorsing van de taxivergunning. Zoals eerder overwogen, in de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:28, dient aan de uitoefening van deze bevoegdheid een kenbare belangenafweging ten grondslag te liggen. Verweerders hebben, gelet op het door hen ingeroepen belang van de veiligheid en kwaliteit van het taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt, in dit geval niet af hoeven zien van handhavend optreden vanwege het belang van verzoeker bij gebruik van zijn taxivergunning. Daarbij hebben zij terecht betrokken dat verzoeker door schorsing van zijn taxivergunning weliswaar wordt uitgesloten van de Amsterdamse opstapmarkt, maar dat het verwerven van inkomsten als taxichauffeur voor hem daarmee niet onmogelijk is geworden. Zoals ter zitting duidelijk is geworden kan verzoeker met zijn landelijke taxivergunning nog steeds werkzaamheden verrichten als taxichauffeur in Amsterdam op de bel- en contractmarkt, op Schiphol en op andere plaatsen in het land. Dat verzoeker er tot op heden voor heeft gekozen om zich te blijven richten op Amsterdam is een keuze die voor zijn rekening en risico moet komen.

4.6

Ten aanzien van de onbepaalde duur van de schorsing overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 4.17, vierde lid van de Taxiverordening niet in de weg staat aan een schorsing voor onbepaalde tijd. Een schorsing van de vergunning – in plaats van een intrekking – komt de voorzieningenrechter ook niet onjuist voor nu door het OM nog geen beslissing is genomen omtrent vervolging en er nog geen oordeel is van de strafrechter. Ter zitting is bekend geworden dat de politie het onderzoek inmiddels heeft afgerond en dat het dossier op 14 juli 2015 is overgedragen aan het OM. Voor zover in het bestreden besluit is bepaald dat de schorsing duurt hangende het politie-onderzoek, begrijpt de voorzieningenrechter het standpunt van verweerders zo dat zij thans beogen de schorsing te laten voortduren hangende besluitvorming van het OM. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar, die ter zitting is aangekondigd ongeveer een week na de voor 30 juli 2015 geplande hoorzitting, zullen verweerders ook dit bij hun heroverweging dienen te betrekken. In dit verband wordt opgemerkt dat verweerders ter zitting hebben aangegeven dat verzoeker te allen tijde voor de schorsing relevante feiten en omstandigheden – bijvoorbeeld een sepot van het OM – bij verweerder kan melden en kan verzoeken tot opheffing van de schorsing.

4.7

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal de schorsing van de taxivergunning, met de nodige verduidelijking en aanvulling van de motivering, met name gelet op overwegingen 4.2 en 4.6, in bezwaar naar verwachting stand kunnen houden.

4.8

Dat verweerders verzoeker niet eerst hebben gehoord alvorens over te gaan tot schorsing van de taxivergunning leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter begrijpt de standpunt van verweerders dat zij vanwege de ernst van de zaak met spoed zijn overgegaan tot handhavend optreden, zo dat verweerders kennelijk hebben bedoeld met toepassing van artikel 4:11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te zien van het horen van verzoeker. Dit komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor.

5. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015.

J.L.Verbeek J.M.T. Plouvier