Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:227

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/652 AWB 14/578
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, brijvoer, vers water aan volwassen varkens, artikel 13, tweede lid, Varkensbesluit

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 13/652 en 14/578

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2015 in de zaken tussen

De vennootschap onder firma [naam], te [plaats], appellante,

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mrs. C.J.M. Daniels en M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 20% op de aan appellante voor het jaar 2012 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 29 juli 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer 13/652.

Bij besluit van 28 mei 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder de subsidie voor de premie brede weersverzekering 2012 van appellante herzien en hierop de hiervoor genoemde randvoorwaardenkorting van 20% toegepast.

Bij besluit van 8 augustus 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer 14/578.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Partijen zijn hierbij vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft voor 2012 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. Op 3 december 2012 vond een controle plaats op haar bedrijf door de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). Volgens het van de controle opgemaakte rapport werd aan 747 varkens niet onbeperkt drinkwater verstrekt. In het overgelegde aanvullend rapport van 27 februari 2013 heeft de controleur verklaard dat naar zijn mening hierbij sprake was van een bewust en opzettelijk handelen. Op alle afdelingen van stal 3 waren de waterkranen dichtgezet vanwege lekkende drinknippels. De controleurs zagen dat de drinknippels waren bevuild met voerresten. [naam] heeft verklaard dat de varkens in stal 3 geen permanente beschikking over water hadden omdat veel drinknippels lekten. Hierdoor gaan de varkens meer knoeien en komt er extra water in de mestput, hetgeen tot extra kosten leidt voor mestafvoer. Tevens heeft hij verklaard dat de varkens drie maal per dag brijvoer krijgen en hierdoor beschikken over voldoende water.

Het beroep 13/652

2. Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan appellante op grond van de bevindingen bij de controle een korting van 20% opgelegd wegens de opzettelijke niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 13, tweede lid, van het Varkensbesluit. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3.1

Het College stelt voorop dat op grond van de in de bijlage bij het bestreden besluit genoemde communautaire en nationale bepalingen de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk is gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

3.2

De randvoorwaarde in artikel 13, tweede lid, van het Varkensbesluit verplicht ertoe dat varkens ouder dan twee weken permanent beschikken over voldoende vers water.

4. Niet in geschil is dat ten tijde van de controle op 3 december 2012 747 varkens op het bedrijf van appellante niet permanent beschikten over voldoende vers water. Op alle afdelingen van stal 3 waren de waterkranen dichtgezet vanwege lekkende drinknippels. Voor zover appellante betoogt dat zij desondanks aan de betreffende randvoorwaarde voldeed doordat de varkens beschikten over brijvoer en dit voer ook vocht bevat, slaagt dit betoog niet. Het College verwijst in dit kader naar zijn uitspraak van 27 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:102) waarin reeds is geoordeeld dat genoemde verplichting – die sinds de wijziging van het Varkensbesluit in 2003 geldt en door verweerder aan de landbouwers is medegedeeld – inhoudt dat vers drinkwater aan de varkens moet worden verstrekt, terwijl brijvoer niet langer voldoet om in de waterbehoefte van de dieren te voorzien. Nu vaststaat dat de varkens niet de beschikking hadden over vers drinkwater, komt het College tot de conclusie dat verweerder aan appellante terecht een randvoorwaardenkorting heeft opgelegd op grond van de niet-naleving van genoemde verplichting. Dat de dierenarts van appellante heeft verklaard dat het welzijn van de varkens niet in geding is geweest doet aan de door de randvoorwaarde gestelde verplichting niet af.

5.1

Ten aanzien van de vraag of verweerder hiervoor terecht en op goede gronden een randvoorwaardenkorting van 20% heeft opgelegd vanwege de constatering dat appellante de betreffende randvoorwaarde opzettelijk niet heeft nageleefd overweegt het College als volgt.

5.2

Voor de beoordeling of sprake is van opzet hanteerde verweerder ten tijde hier van belang de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Beleidsregels).
Artikel 5 van de Beleidsregels luidt, voor zover van belang:

“Opzet wordt beoordeeld aan de hand van in ieder geval één of meer van de volgende criteria:
a. in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd;
b. de mate van complexiteit van de randvoorwaarde;
c. de aanwezigheid van langdurig bestendig beleid;
d. de niet-naleving veronderstelt een actieve handeling dan wel het bewust nalaten van een handeling;
e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de randvoorwaarde, en
f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd.”

5.3

Verweerder heeft zijn standpunt dat sprake is van opzettelijk handelen gemotiveerd door erop te wijzen dat de randvoorwaarde inzake het permanent ter beschikking stellen van vers water aan varkens ouder dan twee weken langdurig bestendig beleid betreft. Bovendien gaat het om een duidelijke norm en is het onthouden van permanent vers water een bewust nalaten van een handeling. Verweerder acht hierbij van belang dat de problemen met de waterleiding al een maand duurden. Verder betreft het een aanzienlijke overtreding, nu aan een groot aantal varkens vers water is onthouden. Gelet op het voorgaande is voor de betreffende niet-naleving terecht een korting van 20% vastgesteld, aldus verweerder.

5.4

Appellante stelt dat zij de betreffende randvoorwaarde niet opzettelijk niet heeft nageleefd. De problemen met de waternippels waren recent ontstaan en appellante werkte al aan de reparatie hiervan. De reparatie was echter nog niet geheel afgerond ten tijde van de controle.

5.5

Het College is van oordeel dat verweerder, gelet op de hiervoor op grond van de Beleidsregels gehanteerde criteria, terecht heeft aangenomen dat appellante opzettelijk de betreffende randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Dat appellante ten tijde van de controle de reparatie van de waterleiding al was begonnen doet hieraan niet af. De waterleiding was minimaal een maand kapot, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld. Dat appellante ten tijde van de controle met spoed de leiding repareerde om de niet-naleving met spoed te beëindigen is daarom niet gebleken noch door appellante aannemelijk gemaakt.

6.1

Appellante betwijfelt voorts of het controlerapport voldoet aan het bepaalde in artikel 54, eerste lid, onder a, b en c van Verordening (EG) nr. 1122/2009 en ten grondslag kan worden gelegd aan de opgelegde subsidiekorting van 20%.

6.2

Het College overweegt dat uit artikel 54, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 volgt dat een controlerapport een evaluatiegedeelte bevat waarin het belang van de niet-naleving voor elk besluit en/of elke norm in kwestie overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt beoordeeld aan de hand van de criteria ‘ernst’, ‘omvang’, ‘permanent karakter’ en ‘herhaling’, met vermelding van welke factoren ook die tot een opwaartse of neerwaartse bijstelling van de toe te passen verlaging zouden moeten leiden. Het College is van oordeel dat in het aanvullend controlerapport in voldoende mate is weergegeven welk belang verweerder hecht aan de niet-naleving. De controleur vermeldt in dit rapport dat sprake is van “de norm standaard en opzet”, hetgeen impliceert dat er geen reden is om van het standaardpercentage van 20% voor de opzettelijke niet-naleving af te wijken.

7. Op grond van artikel 71 en 72 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dient verweerder in het geval van een opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde een korting vast te stellen van in beginsel 20%. Voor zover appellante zich beroept op het evenredigheids-beginsel slaagt dit beroep niet. Op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. In dit geval vloeit die beperking voort uit artikel 72, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, waarin is voorgeschreven dat de korting in beginsel 20% bedraagt. Zoals reeds uiteengezet onder 6.2 bevat het controleverslag in dit geval bovendien geen aanwijzingen voor verweerder dat een uitzondering zou moeten worden gemaakt op genoemd kortingspercentage.

8. Voor zover appellante zich erop beroept dat het bestreden besluit I niet is voorzien van een deugdelijke en zorgvuldige motivering, heeft zij dit betoog niet onderbouwd en slaagt dit daarom niet. Appellantes betoog dat het bestreden besluit niet juist zou zijn getoetst aan de Beleidsregels omdat het constateren van opzet niet zou stroken met het normenkader randvoorwaarden volgt het College evenmin.

9. Appellante stelt tot slot dat zij ten onrechte niet is gehoord door verweerder in de bezwaarprocedure. Verweerder stelt hiertegenover dat appellante in het telefoongesprek met verweerder dat plaatsvond op 19 juli 2013 zelf heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om het bezwaar mondeling toe te lichten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verweerder ter zitting een telefoonnotitie getoond van dit gesprek. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het College acht hierdoor aannemelijk dat appellante ervan heeft afgezien gehoord te worden over haar bezwaar. Verweerder heeft dan ook terecht van het horen van appellante afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College tot slot geen aanleiding.

Het beroep 13/652

11. Bij het primaire besluit II heeft verweerder de subsidie voor de premie brede weersverzekering 2012 van appellante herzien en hierop de hiervoor genoemde randvoorwaardenkorting van 20% toegepast. In het bestreden besluit is dat besluit gehandhaafd.

12.1

Appellante stelt dat de toepassing van de randvoorwaardenkorting op haar premie brede weersverzekering 2012 prematuur is. Deze randvoorwaardenkorting staat immers nog niet in rechte vast, gelet op de beroepsprocedure die zij hiertegen voert. De afloop van deze procedure dient volgens appellante te worden afgewacht voordat de randvoorwaardenkorting mag worden toegepast op de rechtstreekse betalingen aan appellante.

12.2

Het College is van oordeel dat deze grond niet slaagt, nu – zoals verweerder terecht stelt – gelet op artikel 6:16 van de Awb de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I geen schorsende werking had en hierdoor geen beletsel vormde voor verweerder om de premie brede weersverzekering 2012 te herzien. Andere beletselen zijn gesteld noch gebleken.

13. Voor zover appellante zich erop beroept dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging en dat dit besluit niet is voorzien van een deugdelijke en zorgvuldige motivering, heeft zij dit betoog niet onderbouwd en slaagt dit daarom niet.

14. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord door verweerder over haar bezwaar. Het College overweegt hieromtrent als volgt.
Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure, waarvan slechts bij wijze van uitzondering kan worden afgezien. In aanmerking nemende wat in rechtsoverweging 12.2 is overwogen, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder mocht daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van horen afzien.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld