Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:22

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
AWB 13/46
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

erkenning moederstamboek paarden, erkenning dochterstamboek paarden

Wetsverwijzingen
Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/46

7801

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2015 in de zaak tussen

Vereniging Gypsy Cob and Drum Horse Association-Nederland, te Borger-Odoorn, appellante

(gemachtigden: mr. H.A. Koning en mr A.P.E.M Pover),

en

het bestuur van het Productschap voor Vee en Vlees, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Ordogh).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen voor de erkenning van appellante als (i) moederstamboek voor het ras Drum Horse, (ii) moederstamboek voor het ras Gypsy Cob en (iii) dochterstamboek voor het ras Irish Cob afgewezen.

Bij besluit van 17 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014 en is voortgezet op 17 september 2014.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden en laten vergezellen door [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zich laten vergezellen door [naam 3].

Overwegingen

1. Appellante heeft bij brief van 24 september 2011 drie aanvragen ingediend voor respectievelijk een erkenning als moederstamboek voor het paardenras Drum Horse, een erkenning als moederstamboek voor het paardenras Gypsy Cob en een erkenning als dochterstamboek van ICS ltd. voor het paardenras Irish Cob. Nadat verweerder appellante bij brief van 13 oktober 2011 heeft meegedeeld dat bepaalde stukken bij de aanvragen ontbraken, heeft appellante de aanvraag bij brief van 24 oktober 2011, 23 december 2011 en 17 januari 2012 aangevuld. Vervolgens heeft verweerder advies gevraagd aan de Commissie Advies inzake Erkenningen en Toezicht Paardenfokkerij (hierna: Commissie ETP). Bij besluit van 15 mei 2012 heeft verweerder met verwijzing naar het advies van de Commissie ETP de aanvragen afgewezen.

Appellante heeft bij brief van 25 juni 2012 bezwaar gemaakt en vult dit bij brief van 5 juli 2012 aan. Nadat verweerder op 8 oktober 2012 appellante heeft gehoord, op 26 oktober 2012 aan de Commissie ETP aanvullend advies heeft gevraagd wat hij op 15 november 2012 heeft ontvangen, heeft hij bij besluit van 17 december 2012 de bezwaren ongegrond verklaard.

2.1

Appellante stelt zich op het standpunt dat de procedure bij verweerder te lang heeft geduurd waardoor zij steeds achter de feiten aan komt te lopen. Met een snellere besluitvorming zoals bijvoorbeeld in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, zouden hier de aanvragen toegewezen zijn.

2.2

De aard van de procedure brengt met zich mee dat de besluitvorming enige tijd vraagt. Zo moet onder meer advies worden gevraagd aan een externe commissie, is appellante gehoord en waren aanvullende stukken nodig om de aanvragen te beoordelen. De besluitvorming in de primaire fase heeft nadat de aanvraag op 23 december 2011 compleet was ruim 20 weken geduurd. De bezwaarfase heeft vanaf het moment van het indienen van bezwaar tot de beslissing op bezwaar circa 25 weken geduurd. Dit tijdsverloop is wellicht langer dan wenselijk en langer dan de beslistermijnen van de Algemene wet bestuursrecht, het is echter niet van een zodanige duur dat geconcludeerd moet worden dat verweerder onnodig getalmd heeft bij het nemen van de besluiten. Daarmee kan de vraag wat het gevolg zou moeten zijn van een andersluidend oordeel op de onderhavige besluitvorming onbeantwoord blijven. Dat de procedure in het buitenland minder lang zou duren, doet hieraan niet aan af. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Drumhorse

3. De volgende feiten zijn niet betwist en worden ook door het College als vaststaand aangenomen. Appellante is een vereniging die bij besluit van verweerder van 20 maart 2007 op grond van de Verordening uitvoering fokkerijbesluit 2001 is erkend als dochterstamboek voor het ras Drum Horse. Bij besluit van 30 december 2011 heeft verweerder appellante, gelet op het feit dat haar huidige erkenning als dochterstamboek voor Drum Horse per 1 januari 2012 van rechtswege zou vervallen, een tijdelijke erkenning verleend als dochterstamboek voor Drum Horse tot 1 maart 2012 en verder voor zoveel langer nodig is voor de besluitvorming op de aanvraag. De in 2007 aan het Europaïscher Scheckenzuchtverband e.V (ESV) verleende erkenning als moederstamboek voor Drumhorse, is op 15 april 2013 door de Duitse autoriteiten ingetrokken. Op 28 mei 2013 is het Zuchtverband für Schecken und Spezialrassen in Europa e.V. in Duitsland als moederstamboek voor Drum Horse erkend.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard omdat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan een aantal erkenningscriteria voor (moeder)stamboeken die genoemd zijn in Bijlage I van de Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting 2010 (hierna: Verordening). Voorts is voor het ras Drum Horse in Duitsland het ESV al erkend als moederstamboek, waardoor volgende erkenningen alleen voor het bijhouden van een dochterstamboek kunnen worden verleend.

5. Appellante is van mening dat een erkenning van een andere organisatie of vereniging als moederstamboek voor Drum Horse in Duitsland, niet in de weg hoeft te staan aan de erkenning van appellante als moederstamboek voor Drum Horse. Zo bestaat er voor het ras Tinker zowel in Nederland als Duitsland een erkenning als moederstamboek voor een andere organisatie.

Appellante doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Appellante stelt zich tevens op het standpunt dat zij voldeed aan de erkenningsvoorwaarden en dat haar erkenning als moederstamboek om die reden niet afgewezen had mogen worden. Zij onderbouwt haar standpunt uitvoerig onder meer door verwijzing naar eerder overgelegde stukken.

6.1

Het College overweegt als volgt. In de Europese Unie is in het kader van de nadere harmonisatie een systeem ingevoerd waarbij de paarden ingeschreven worden in door officieel erkende organisaties en verenigingen aangelegde en bijgehouden stamboeken. Dit kan een officiële dienst van een Lid-staat zijn of een organisatie die officieel is erkend door een Lid-staat. Per ras bestaan er moeder- en dochterstamboeken waarin paarden worden geregistreerd met vermelding van de bekende voorouders. Moederstamboeken leggen het zogenaamde stamboek van oorsprong aan. De dochterstamboeken dienen de beginselen na te leven die zijn opgesteld door het moederstamboek van het ras omtrent bijvoorbeeld het systeem van de registratie van de afstamming, de omschrijving van de kenmerken van het ras, de indeling van het stamboek etc. Het moederstamboek zorgt op haar beurt voor een nauwe samenwerking met de dochterstamboeken voor hetzelfde ras. Dit systeem is neergelegd in ‘Richtlijn 90/427/EEG tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen’, de ‘Beschikking 92/353/EEG tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen’ en de ‘Beschikking 92/354/EEG tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor de coördinatie tussen organisaties en verenigingen die stamboeken van geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen’.

6.2

Gelet op dit systeem waarbij dochterstamboeken van een paardenras zich moeten houden aan de beginselen van het moederstamboek van dit ras, bestaat er logischerwijs voor ieder ras slechts één moederstamboek in de Europese Unie.

6.3

Nu er tijdens de aanvraagprocedure en bezwaarprocedure van appellante voor een erkenning als moederstamboek van Drum Horse reeds een erkenning als moederstamboek voor Drum Horse in Europa bestaat, namelijk ESV, had verweerder geen ruimte om de aanvraag van het moederstamboek voor Drumhorse toe te kennen en heeft verweerder terecht de aanvraag van appellante afgewezen.

6.4

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Ofschoon er voor het paardenras Tinker wellicht twee moederstamboeken bestaan, past dit - zoals blijkt uit 6.1 en 6.2 - niet in het Europese systeem van moeder- en dochterstamboeken. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat een bestuursorgaan is gehouden om een eerder gemaakte fout te herhalen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CBB:2012:BX7994).

6.5

Hetgeen appellante omtrent het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden naar voren brengt, kan, wat hier ook van zij, gelet op het hiervoor overwogene niet tot het door appellante gewenste resultaat leiden.

7. Het beroep van appellante is ongegrond voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag tot erkenning van appellante als moederstamboek voor Drumhorse.

Gypsy cob

8. In aanvulling op hetgeen onder 3 vermeld is, zijn tevens de volgende feiten niet door partijen betwist en door het College als vaststaand aangenomen. Op 15 juni 2012 is aan The Traditional Gypsy Cob Association Ltd in het Verenigd Koninkrijk een erkenning als moederstamboek voor het ras Traditional Gypsy Cob verleend.

9. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard omdat appellante niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan alle erkenningscriteria genoemd in Bijlage I van de Verordening.

10. Appellante stelt zich gemotiveerd en onder verwijzing naar reeds overgelegde stukken op het standpunt dat haar aanvraag om erkenning als moederstamboek voor het ras Gypsy Cob ten onrechte is afgewezen. Volgens haar voldoet zij wel aan de erkenningscriteria en onderscheidt het ras Gypsy Cob zich voldoende van andere rassen, bijvoorbeeld voor wat betreft het verschil in schofthoogte. Voorts wijst appellante er ook in dit geval op dat het bestaan van een ander moederstamboek voor het ras Gypsy Cob geen beletsel is om appellante eveneens als moederstamboek voor Gypsy Cob te erkennen. Zij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel gelet op het bestaan van twee moederstamboeken voor het ras Tinker.

11. Het College overweegt als volgt. Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft geconcludeerd was er ten tijde van het bestreden besluit wel een andere organisatie, namelijk The Traditional Gypsy Cob Association Ltd, als moederstamboek erkend voor het ras Gypsy Cob. Zoals hiervoor in 6.1 en 6.2 is overwogen, past een tweede moederstamboek voor hetzelfde ras niet in het Europese systeem. Ook hier bestond er dus voor verweerder geen ruimte om appellante in bezwaar tegemoet te komen en de aanvraag alsnog toe te wijzen. Dat brengt ook met zich dat verweerder ten onrechte heeft beoordeeld of appellante aan de erkenningscriteria voldeed en het oordeel hieromtrent aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste motivering. In zoverre slaagt het beroep van appellante en dient het besluit te worden vernietigd.

Nu het beroep op het gelijkheidsbeginsel om dezelfde reden als onder 6.4 genoemd, niet kan slagen, ziet het College aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De afwijzing van de aanvraag is immers op zichzelf juist omdat, zoals hiervoor is overwogen, een tweede moederstamboek voor hetzelfde ras niet past in het Europese systeem.

Irish Cob

12. In aanvulling op hetgeen onder 3 en 8 vermeld is, zijn tevens de volgende feiten niet door partijen betwist en door het College aanvaard. In Ierland is de erkenning van ICS Ltd als moederstamboek voor Irish Cob sinds november 2012 ingetrokken en is Horse Sport Ireland sinds 1 juli 2013 (tijdelijk) als moederstamboek erkend.

13.1

Het College overweegt dat appellante een aanvraag heeft ingediend voor een erkenning als dochterstamboek van ICS Ltd. Tijdens de beroepsprocedure is gebleken dat ICS niet meer beschikt over een erkenning als moederstamboek voor Irish Cob. Wat ook zij van de beroepsgronden van appellante, toewijzing van de aanvraag tot erkenning van appellante als dochterstamboek van ICS Ltd is thans niet meer mogelijk. Nu het beroep niet meer kan leiden tot het resultaat wat appellant beoogt te bereiken, namelijk erkenning als dochterstamboek van ICS Ltd, heeft appellante geen procesbelang meer.

13.2

Het beroep van appellante is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang voor zover het betrekking heeft op de van de aanvraag tot erkenning van appellante als dochterstamboek van ICS voor wat betreft het ras Irish Cob.

14.1

Gelet op voorgaande concludeert het College als volgt:

- het beroep voor zover gericht tegen de (gehandhaafde) afwijzing van de erkenning als moederstamboek van het ras Drum Horse is ongegrond;

- het beroep voor zover gericht tegen de (gehandhaafde) afwijzing van de erkenning als moederstamboek van het ras Gypsy Cob is gegrond vanwege een motiveringsgebrek; de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit blijven in stand;

- het beroep voor zover gericht tegen de (gehandhaafde) afwijzing van de erkenning als dochterstamboek voor het ras Irish Cob is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

14.2

Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor nadere zitting anders dan na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voor zover het betrekking heeft op de erkenning als moederstamboek voor het ras Drum Horse, ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover het betrekking heeft op de erkenning als moederstamboek voor het ras Gypsy Cob, gegrond;

- vernietigt dit onderdeel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd, in stand blijven;

- verklaart het beroep voor zover het betrekking heeft op de erkenning als dochterstamboek voor het ras Irish Cob, niet-ontvankelijk;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag € 1225,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.B. van Zutphen, mr. M. Munsterman en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2015.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. G.J.P. Leuverink