Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:218

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/249
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete. Vervoer van een dier dat niet geschikt was voor transport.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 59
Regeling dierenvervoer 2007
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/331 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/249

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2015 de hoger beroepen van:

1. Export Verzamelplaats [naam 1] B.V.,

2. Veehandel en Internationaal Transport [naam 1] B.V.,

beiden te [plaats 1], appellanten

(gemachtigde: mr. M.J.E.E. Stassen),

tegen de uitspraak van de Rotterdam van 20 maart 2014, kenmerken ROT 13/7093 en ROT 13/7095, in de gedingen tussen


appellanten en

de staatssecretaris van Economische Zaken (staatssecretaris),

(gemachtigde: mr. H.D. Strookman).

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben op 30 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2014.

Bij brief van 28 mei 2014 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015.

Appellanten zijn verschenen, vertegenwoordigd door [naam 2]. Aan de zijde van appellanten is tevens verschenen [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 7 februari 2013 om 10.00 uur zijn 28 varkens vervoerd vanaf het perceel van veehouder [naam 4] te [plaats 2] (hierna: [naam 4]) naar de exportverzamelplaats van appellante onder 1 te [plaats 1]. Op 8 februari 2013 om 07.00 uur zijn deze varkens vanaf de exportverzamelplaats door appellante onder 2 getransporteerd naar het slachthuis te [plaats 3], waar de dieren om 09.00 uur arriveerden.

1.3

Bij besluiten van 12 april 2013 heeft verweerder aan appellanten elk op grond van artikel 120b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.500,-- wegens overtreding van artikel 59 van de Gwwd in samenhang met artikel 9 van de Regeling dierenvervoer 2007, waarin is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met de artikelen 3 tot en met 9 en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Transportverordening). Aan de oplegging van deze boetes heeft verweerder een boeterapport, zijnde een diergeneeskundige verklaring van 20 februari 2013 (registratienummer 93757), ten grondslag gelegd. Verweerder heeft op grond van deze verklaring bewezen geacht dat appellanten op 8 februari 2013 een dier hebben vervoerd dat niet geschikt was voor het transport omdat het dier een ernstige open wond vertoonde en dat daarbij het dierenwelzijn ernstig werd gecompromitteerd.

1.4

Bij besluiten van 30 september 2013, waartegen de beroepen van appellanten bij de rechtbank waren gericht, heeft verweerder de bezwaren tegen voornoemde besluiten van 12 april 2013 ongegrond verklaard en hiertoe, onder meer, het volgende overwogen.

Op 8 februari 2013 hebben twee toezichthoudend dierenartsen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geconstateerd dat vanaf het verzamelplaats van appellante onder 1 door appellante onder 2 een zeug is vervoerd die niet geschikt was voor het transport omdat het dier een ernstige open wond had. Blijkens de diergeneeskundige verklaring is bij het lossen van de dieren op het slachthuis geconstateerd dat de zeug met oornummer 216256 een gapende verwonding van ongeveer 30 cm lang op de rechter achterpoot had waarbij onderhuidse verdelen en spiergroepen te zien waren die uit hun oorspronkelijk anatomisch verband waren geraakt. De wondranden aan de onderkant van de wond waren naar binnen gekeerd en de wond vertoonde necrotisch weefstel. Er was volgens de toezichthouders sprake van een wond die minimaal 10 dagen oud was en dus voor aanvang van het transport aanwezig moet zijn geweest. De staatssecretaris is van mening dat hetgeen in de diergeneeskundige verklaring is vastgelegd voor juist mag worden gehouden en dat op basis van de waarnemingen van de toezichthoudend dierenartsen derhalve terecht is geconcludeerd dat door appellante onder 1 vanaf de verzamelplaats van appellante onder 2 een zeug is vervoerd die niet geschikt was voor het voorgenomen vervoer. Volgens de staatssecretaris hebben appellanten daarmee artikel 3, aanhef en onder b en respectievelijk artikel 6, derde lid en artikel 9, eerste lid, van de Transportverordening, gelezen in samenhang met Bijlage I, Hoofdstuk 1, punt 1 en punt 2, onder b, overtreden.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

2.2

Gelet op de diergeneeskundige verklaring van 20 februari 2013, de daarbij behorende foto’s alsmede de aanvullende toelichting van een namens verweerder ter zitting aanwezige dierenarts, staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat het varken de verwonding, zoals weergegeven in de diergeneeskundige verklaring, reeds had voor het transport en dat het varken, omdat het een ernstige open wond vertoonde, niet in staat werd geacht om te worden vervoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij het vaststellen van de overtreding kunnen baseren op de diergeneeskundige verklaring nu de aangetroffen afwijkingen van het onderzochte varken gedetailleerd zijn weergegeven en is gemotiveerd waarom het onderzochte varken niet geschikt was voor vervoer. De omstandigheid dat de verklaring niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt doet daar niet aan af. Het betoog van appellanten dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om een contra-expertise te doen uitvoeren, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat appellanten in hun zienswijze hebben kunnen reageren op de diergeneeskundige verklaring en daartoe eventueel de chauffeur hebben kunnen vragen of een eigen dierenarts hebben kunnen inschakelen om de conclusie in de diergeneeskundige verklaring te kunnen weerleggen.

Standpunten van partijen

3.1

Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende vast is komen te staan dat de zeug niet geschikt was voor het transport.

Naar de mening van appellanten heeft de rechtbank daarbij ten onrechte sterk geleund op de diergeneeskundige verklaring en de verklaring van de dierenarts [naam 5] ([naam 5]) van verweerder ter zitting. De diergeneeskundige verklaring is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt zoals in de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie volgens appellanten wel het geval is. Appellanten betogen dat niet duidelijk is waar [naam 5] zijn aannames op heeft gebaseerd en twijfelen aan de niet nader toegelichte deskundigheid van deze dierenarts.

Volgens appellanten had de zeug geen open wond voor het laden en evenmin tijdens het lossen. Appellanten wijzen hierbij op de verklaringen van de twee chauffeurs die de varkens hebben getransporteerd en de verklaring van een medewerker van appellante onder 1 die bij het lossen en laden op de exportverzamelplaats aanwezig was. Allen hebben verklaard geen open wond te hebben gezien. Volgens appellanten blijkt dit tevens uit de omstandigheid dat sprake was van een zuivere wond. Appellanten wijzen op de omstandigheid dat het dier op een normale wijze en pas 6 uur na aankomst is geslacht hetgeen erop wijst dat het dierenwelzijn niet in gevaar is geweest. Appellanten wijzen voorts op een e-mail van [naam 6] ([naam 6]) die aangeeft op hem toegezonden foto’s een verse wond te zien en op de omstandigheid dat de aanvankelijk aan [naam 4] opgelegde boete in bezwaar door de staatssecretaris is herzien.

Tot slot betogen appellanten dat zij ten onrechte geen mogelijkheid hebben gehad om zelf een tegenonderzoek uit te voeren. Dat de chauffeur is ingelicht is juist, maar voordat appellanten iets hebben kunnen ondernemen, was het dier al gedood en afgevoerd.

3.2

De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat hij zich bij het vaststellen van de overtreding heeft mogen baseren op de diergeneeskundige verklaring met bijbehorende foto’s waarin duidelijk is gemotiveerd waarom het varken niet geschikt was voor transport. De verklaring van [naam 5] ter zitting dat een verse wond met veel bloedverlies gepaard zou gaan is volgens de staatssecretaris niet in tegenspraak met de constatering door de toezichthoudende dierenartsen dat er geen zaagsel in de wond zat. De staatssecretaris geeft aan dat hij geen redenen heeft te twijfelen aan de deskundigheid van [naam 5] en wijst er op dat deze sinds 1987 werkzaam is als dierenarts bij (de voorgangers van) de NVWA en sinds 1994 werkzaam is als toezichthoudend dierenarts op slachthuizen.

De staatssecretaris wijst erop dat in het besluit van 1 mei 2014 waarin de aan veehouder [naam 4] opgelegde boete wordt herroepen, is overwogen dat de diergeneeskundige verklaring onvoldoende gegevens bevat waaruit kan worden opgemaakt dat de wond op het bedrijf van [naam 4] zou zijn ontstaan. Volgens de staatssecretaris is hierin geen reden gelegen om te twijfelen aan de constatering dat de wond reeds aanwezig was voor het transport van het exportverzamelcentrum naar het slachthuis.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1

Ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat voldoende vast is komen te staan dat appellanten de hen ten laste gelegde overtreding hebben begaan. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.2

Naar vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2014 ECLI:NL:CBB:2014:372) weegt de verklaring van een toezichthoudend dierenarts in beginsel zwaar en mag hetgeen in de verklaring is vastgelegd voor juist worden gehouden indien daarin duidelijk is gemotiveerd waarom sprake is van een dier dat niet geschikt is voor transport. Anders dan appellanten betogen, brengt de omstandigheid dat de diergeneeskundige verklaring niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt niet met zich dat reeds om die reden niet had mogen worden uitgegaan van de juistheid van de daarin opgenomen bevindingen. De diergeneeskundige verklaring is opgesteld door twee dierenartsen die zijn benoemd ter controle op de naleving van de regelgeving op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn. Dit toezicht heeft zijn wettelijke basis in artikel 114 Gwwd waarin is bepaald dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren zijn belast.

4.3

Het College is met de rechtbank van oordeel dat in de diergeneeskundige verklaring van 20 februari 2013 voldoende duidelijk is gemotiveerd waarom het varken niet geschikt was voor het voorgenomen transport. Vermeld is dat de toezichthouders bij het lossen van de vrachtwagen een zeug hebben gezien met een grote gapende verwonding op de rechter achterpoot. Het uiterlijk van de wond is gedetailleerd beschreven en van de wond zijn foto’s gemaakt. Geconstateerd is dat de wond geen bloed meer bevatte en dat in de wond onderdelen van wondgenezing zijn te zien en necrotisch weefsel. Volgens de toezichthouders gaat het om een wond die gelet op haar kenmerken voor aanvang van het transport aanwezig moet zijn geweest. Vermeld is voorts dat één van de toezichthouders tezamen met de chauffeur de vrachtwagen heeft geïnspecteerd en dat nergens bloed of bloedresten waarneembaar waren.

4.4

Het College is voorts met de rechtbank van oordeel dat op grond van de diergeneeskundige verklaring die is voorzien van toelichtende foto’s, in combinatie met de toelichting van [naam 5] ter zitting bij de rechtbank, in voldoende mate vaststaat dat deze wond voor het transport van het exportverzamelplaats naar het slachthuis aanwezig is geweest.

In de diergeneeskundige verklaring is vastgelegd dat de eerste toezichthouder bij het lossen van de varkens bij het slachthuis bij de betreffende zeug de wond heeft geconstateerd, dat vervolgens de vrachtwagen door de tweede toezichthouder samen met de chauffeur van appellante is onderzocht en dat in de wagen geen bloedresten zijn aangetroffen. Deze constateringen zijn door appellanten niet betwist. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank ook terecht overwogen dat een verse wond van deze omvang met veel bloedverlies gepaard zou gaan.

Gelet op het voorgaande ziet het College in de door appellanten overgelegde verklaringen van de chauffeurs en een medewerker die hebben verklaard bij het laden en lossen geen dier met een open wond te hebben gezien onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de inhoud en conclusie van de diergeneeskundige verklaring. Voor de – niet nader onderbouwde – hypothetische stelling van appellanten dat de wond eerst in het slachthuis kan zijn ontstaan, bestaat geen aanwijzing. De omstandigheid dat in de wond geen zaagsel is aangetroffen, hetgeen in de visie van appellanten wel het geval had moeten zijn, indien de wond al tijdens het transport aanwezig zou zijn geweest, doet aan het voorgaande niet af. Het College is met de rechtbank van oordeel dat hiervoor een plausibele verklaring is gegeven, namelijk dat het varken tijdens het vervoer niet op de wond heeft gelegen.

De enkele betwisting door appellanten van de door [naam 5] ter zitting gedane mededelingen is onvoldoende om het College te doen twijfelen aan de deskundigheid van dierenarts [naam 5] en leidt evenmin tot de conclusie dat de rechtbank niet de verklaring van [naam 5] had mogen betrekken bij haar oordeel. De enkele verklaring van [naam 6] – hij meldt dat de foto’s die hem door appellanten zijn gestuurd een wond laten zien met kenmerken die passen bij een verse wond en niet bij een wond van 10 dagen oud – is niet toereikend om het College te doen twijfelen aan het oordeel en de conclusie van de ter plekke toezichthoudend dierenartsen die het varken hebben onderzocht. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat de foto’s slechts toelichtend op de diergeneeskundige verklaring zijn. Over de omschrijving van de wond door de toezichthoudende dierenartsen heeft [naam 6] bevestigd dat die past bij een oude wond.

Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake was van een wond die ten minste 10 dagen oud was. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden staat immers met voldoende zekerheid vast dat de wond niet tijdens het transport van de exportverzamelplaats naar het slachthuis dan wel op het slachthuis is ontstaan en voorafgaand aan het transport naar het slachthuis aanwezig was.

4.5

Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het dierenwelzijn niet zou zijn geschonden nu het varken slachtwaardig is bevonden en op normale wijze is geslacht, overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat het dier ook transportwaardig was en geen sprake is van een ernstige schending van dierenwelzijn door het vervoer van het varken. Voor het oordeel dat het dier niet in staat werd geacht te worden vervoerd en dat hierbij het dierenwelzijn ernstig is gecompromitteerd is bepalend dat het dier de wond vertoonde zoals in de diergeneeskundige verklaring is omschreven.

4.6

Dat appellanten niet de mogelijkheid zou zijn geboden om een tegenonderzoek te laten verrichten levert naar het oordeel van het College geen strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de diergeneeskundige verklaring blijkt dat de toezichthouders constateringen hebben gedaan in het bijzijn van de door appellanten ingeschakelde chauffeur en dat de toezichthouders de chauffeur ook op de hoogte hebben gesteld van hun bevindingen. Daarmee heeft de staatssecretaris voldaan aan de verplichting om appellanten tijdig op de hoogte te stellen van de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts. Verweerder mocht ervan uitgaan dat appellanten door hun chauffeur zouden worden ingelicht. Het betoog van appellanten dat zij de gelegenheid hadden moeten krijgen om het dier ter plekke te laten onderzoeken, faalt. Titel 5.2 van de Awb bevat geen verplichting een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise. Het College merkt daarbij op dat het betreffende varken pas 6 uur na de aankomst op het slachthuis is geslacht. Appellanten hadden in zoverre ruimschoots de tijd om een onderzoek door een eigen dierenarts ter plekke te laten uitvoeren. Deze grond faalt.

4.7

Het herroepen van de aan veehouder [naam 4] voor het gewonde dier opgelegde boete doet aan het voorgaande niets af. Uit de beslissing op bezwaar in die zaak blijkt dat deze boete is herroepen op de grond dat uit nader onderzoek is gebleken dat het toezichtrapport onvoldoende gegevens bevat waaruit kan worden opgemaakt dat de wond op de boerderij van [naam 4] zou zijn ontstaan. Dit doet niet af aan de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de overtreding die hier aan de orde is, namelijk het transport van een dier met een ernstige open wond van het exportverzamelplaats naar slachthuis.

4.8

Niet betwist wordt dat zowel appellante onder 1 als exploitant van een verzamelcentrum als appellante onder 2 als vervoerder betrokken zijn geweest bij het vervoer van het gewonde dier op 8 februari 2013 van de exportverzamelplaats naar het slachthuis. De Transportverordening is gericht tot een ieder die bij het vervoer betrokken is, waaronder zowel de vervoerder als de exploitant van het verzamelcentrum wordt begrepen. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Transportverordening dienen de exploitanten van verzamelcentra ervoor te zorgen dat de dieren behandeld worden overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I van voornoemde verordening. Het voorgaande betekent dat, nu op appellanten ieder voor zich de verplichting rust te handelen overeenkomstig de technische voorschriften van voornoemde bijlage, beide appellanten overtredingen hebben begaan.

4.9

Gelet op het vorenstaande is het College met de rechtbank van oordeel dat appellanten in strijd hebben gehandeld met artikel 3, aanhef, en respectievelijk artikel 6, derde lid en artikel 9, eerste lid, van Transportverordening gelezen in verbinding met bijlage I, hoofdstuk I, punten 1 en 2, zodat de staatssecretaris bevoegd was hen een boete op te leggen. Het College is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ook overigens is het College niet gebleken dat de aan appellanten opgelegde boete niet in rechte stand kan houden.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in aanwezigheid van
mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. A. Graefe