Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:216

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/1005
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ambtshalve registratie bij het bedrijfschap

bedrijfschap is opgeheven en verplichte registratie is vervallen

geen procesbelang meer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/1005

3110

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], appellante

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik en drs. P.J.M. Prieckaerts).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de onderneming van appellante op grond van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Horeca en Catering (hierna: het Instellingsbesluit) geregistreerd bij het bedrijfschap Horeca en Catering.

Bij besluit van 14 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Appellante is verschenen. Tevens is verschenen [naam 2], echtgenoot van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat appellante sinds 1 januari 2013 als eenmanszaak een bed en breakfast exploiteert aan de [adres] te [plaats] onder de naam [naam 3]. Deze bed & breakfast presenteert zich op haar website als een bed en breakfast (het aanbieden van logies met ontbijt) met drie tweepersoonskamers, dan wel twee tweepersoons- en één eenpersoonskamer.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie voor bezwaarschriften,

ongegrond verklaard. In dit besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante een onderneming uitoefent als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Horeca en Catering (Bedrijfschap). Gelet op de bepalingen van de Registratieverordening Bedrijfschap Horeca en Catering 2008 is het bedrijf van appellante op goede gronden opgenomen in het register van het Bedrijfschap, aldus verweerder.

3. Appellante heeft in beroep, samengevat weergegeven, betoogd dat haar bedrijf geen onderneming is in de zin van het Instellingsbesluit en zij geen registratie bij verweerder wenst aangezien deze een ernstige bedreiging vormt voor het voortbestaan van haar onderneming. Appellante heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat het beroep niet is gericht tegen of verband houdt met de uit de verplichte inschrijving in het register van het bedrijfschap Horeca en Catering voortvloeiende verplichte jaarlijkse heffing.

4. Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak de handhaving van de beslissing tot registratie van het bedrijf van appellante in het register van verweerder ter toetsing voorligt.

5. Op grond van artikel 2, tweede lid, onder b, van het Instellingsbesluit is het bedrijfschap onder meer ingesteld voor ondernemingen waarin de verstrekking van logies, gepaard gaande met dienstverlening of de verstrekking van maaltijden, spijzen of dranken voor verbruik ter plaatse, als bedrijf plaats heeft. Op grond van artikel 1 van de Registratieverordening Bedrijfschap Horeca en Catering 2008 wordt, voor zover van belang, onder een onderneming verstaan een onderneming waarvoor het bedrijfschap is ingesteld. Ter uitvoering van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit heeft verweerder in de Notitie Werkingssfeer bedrijfschap voor logiesverstrekkende ondernemingen met betrekking tot het begrip bedrijf als bedoeld in deze bepaling aangenomen dat er een overgang is tussen de particulier die een enkele kamer aanbiedt en de ondernemer op dit gebied. Hierbij wordt de grens gelegd bij het beschikken over 5 of meer tot verhuring bestemde bedden, verdeeld over ten minste 2 kamers.

6. Het College zal allereerst ingaan op de ambtshalve te beantwoorden vraag of appellante (nog steeds) procesbelang heeft bij haar beroep. Per 1 januari 2015 is de Wet opheffing bedrijfslichamen in werking getreden (Stb. 2014, 571 en 576). Ingevolge artikel II, onderdeel D, van deze wet is hoofdstuk II van de Wet op de bedrijfsorganisatie vervallen en daarmee het stelsel van product- en bedrijfschappen opgeheven (zie ook: TK 2013-2014, 33 910, nr. 3, p. 8). Dit betekent dat het bedrijfschap Horeca en Catering is opgeheven en dat verweerder per 1 januari 2015 in de plaats treedt van het Bedrijfschap in wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij het Bedrijfschap is betrokken.. De verplichte inschrijving in het register van het bedrijfschap Horeca en Catering is daarmee komen te vervallen. Het vervallen van verweerders registratieplicht heeft tot gevolg dat appellante met haar beroep niet meer kan bereiken wat zij beoogt, namelijk beëindiging van de registratie van de door haar geëxploiteerde onderneming in het register van het bedrijfschap.

7. Appellante heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat zij nog belang heeft bij haar beroep. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van de deelname aan de Nederlandse Hotelclassificatie in verband met de registratie vreest dat de gemeente Sittard-Geleen handhavend gaat optreden vanwege strijdigheid met het bestemminsplan. De gemeente Sittard-Geleen heeft aan appellante immers een vergunning afgegeven voor een bed en breakfast-inrichting en niet voor een horeca-inrichting. Gelet hierop wenst appellante de inschrijving van haar bedrijf in het register van verweerder over het jaar 2013 en 2014 met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Met dit betoog heeft appellante naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij nog belang heeft bij haar beroep. Niet is gebleken dat de uitkomst van deze zaak van invloed kan zijn op mogelijke handhavingsprocedures met betrekking tot de exploitatie van het bedrijf van appellante. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de beoordeling of sprake is van een horecabedrijf in het kader van het omgevingsrecht binnen een geheel ander wettelijk kader plaatsvindt dan in deze zaak aan de orde is.

8. Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. Venekamp en mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai