Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:213

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/34 AWB 14/35
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden terecht niet aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Concrete technische punten en oplossingsrichtingen niet duidelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14/34, 14/35

27000

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2015 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1], en

[naam 2] B.V., te [plaats 2],

hierna tezamen: appellanten

(gemachtigde: [naam 3])

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke).

Procesverloop

Bij besluiten van 9 september 2013 (primaire besluiten) heeft verweerder beslist op zeven aanvragen van appellanten voor S&O-verklaringen. Vier aanvragen, waaronder de aanvraag voor het project 2011-03 ‘Supplier Portal & Remote integration’ voor de periode mei tot en met augustus 2013, heeft verweerder afgewezen.

Bij besluiten van 29 november 2013 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Appellanten en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder is tevens verschenen ir. drs. G.J. Bolks.

Overwegingen

1.1

Appellanten maken deel uit van de Van den Bosch-groep, een internationale vervoerder van bulkgoederen. Appellanten hebben S&O-verklaringen in de zin van artikel 1, eerste lid onder q, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) voor onder meer het project ‘2011-03 ‘Supplier Portal & Remote integration’ (het project) aangevraagd.

1.2.

In deze aanvraag wordt door appellanten dit project als volgt omschreven.. (…)

“Supplier portal & remote integration zal leiden tot een integrale voorziening, waarbij de aansturing en opvolging centraal geschied en lokaal (waar ook ter wereld) de kwaliteit van de te leveren prestaties ten alle tijden geborgd en gemeten worden. Concreet leidt dit tot een proces waarbij de digitale checklists, statusupdates, GPS locaties, tijden en bijzonderheden van en naar mobile devices gestuurd kunnen worden teneinde de status van een order te kunnen” meten”.(…) Bij het inladen van een order wordt deze status verzonden vanaf een mobile device ( GPRS ) naar het centrale systeem waarna dit in de orderstatus van de klant wordt bijgewerkt. Maar ook foto’s vd order, tachograaf gegevens (zelfs ECU-data v/d vrachtwagen) dienen via deze techniek allen in het TMS te komen teneinde de klant optimaal te informeren over een order. Tevens wordt de data gebruikt bij voor- en nacalculatie en worden deze opgeslagen om toekomstige calculaties intelligent uit te laten voeren obv data uit het verleden, maar ook de kwaliteit daarvan te bewaken”.

Onder het kopje: “Technisch probleem bij de ontwikkeling van de programmatuur” hebben appellanten in de aanvraag ingevuld:


“Verschillende vormen van data (oa statusupdates, GPS gegevens, ECU gegevens etc) zullen moeten worden verzonden en ontvangen om de order info actueel te houden. Dit zal plaats dienen te vinden over een beveiligde GPRS verbinding ongeacht toestel, locatie of provider. Ook onafhankelijk van zowel leveranciers eventuele onderaannemers van de leverancier.”

Onder het kopje: “Zelf te ontwikkelen methoden of technieken:” staat vermeld:

“Webbased portal met integratie naar het TMS en aangrenzende systemen. Hiervoor wordt een HTML5 portal opgezet welke interactief moet kunnen communiceren met mobile devices. OBV waarschijnlijk een XML variant wordt er over een GPRS verbinding en een datuitwisseling opgezet die voor zowel de portal als de mobile devices bruikbaar is. en waarin een range van data uitgewisseld kan worden.”

Onder het kopje: “Nieuwe principes op het gebied van informatietechnologie” is ingevuld:

“De bundeling van de grote diversiteit van verschillende gegevens in een systeem is technisch complex . De data worden vergaard uit verschillende bronnen en uitgewisseld tussen de diverse bronnen. Hierom heeft men in de oplossingsrichting de flexibiliteit van HTML5 en XML opgenomen. S&O zal aan moeten tonen dat alle gewenste informatie ook daadwerkelijk (beveiligd) te synchroniseren is tussen al deze losse (deel) componenten. Dit legt een grote druk op de te ontwikkelen algoritmes en de overkoepelende portaal.”.

Onder “Functionaliteit” vermelden appellanten:

“Integrale voorziening, waarbij centraal de aansturing en opvolging geschiedt en lokaal (waar ook ter wereld) de kwaliteit van de te leveren prestatie ten alle tijden geborgd, gemeten en teruggekoppeld wordt”.

1.3

Op 19 augustus 2013 heeft verweerder appellanten gevraagd te verduidelijken wat de technische knelpunten zijn die appellanten in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft willen gaan onderzoeken en oplossen en wat de S&O-werkzaamheden zijn.

Op 2 september 2013 hebben appellanten als volgt geantwoord:

“ In september wordt er gestart met een testfase van 2 mobiele applicaties welke geïntegreerd dienen te worden in het backoffice ICT landschap van Van den Bosch. Deze koppelingen bestaan nog niet en dienen ontwikkeld te worden, om een integraal systeem te krijgen, welke de benodigde data uit de verschillende bronnen kan opnemen en uitwisselen”.
Daarbij hebben appellanten als te ondernemen activiteiten vermeld: “Ontwerp ingratie webapplicatie & TMS (….) Ontwerp integratie losse componenten, Testen, Redesign van tests”

2.1

Bij besluiten van 9 september 2013 heeft verweerder de aanvragen van appellanten voor S&O-verklaringen voor onder meer het onderhavige project voor de periode mei tot en met augustus 2013 afgewezen omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake was van speur- en ontwikkelingswerk. Van de te realiseren koppelingen tussen mobiele applicaties en het backoffice ICT-landschap van appellanten hebben appellanten niet duidelijk gemaakt wat deze in technische zin behelzen en of er bij het daarbij realiseren van programmatuur sprake is van een onderzoekselement en een technisch risico.

2.2

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Volgens verweerder hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zijzelf programmatuur hebben ontwikkeld waarbij zij technische problemen tegenkwamen waarvoor zij oplossingen moesten bedenken. Onduidelijk is wat de technische knelpunten en oplossingsrichtingen waren. Appellanten breiden bestaande systemen uit met nieuwe functies/componenten. Dat vereist weliswaar ‘vertaalslagen’ tussen de afzonderlijke componenten, maar dergelijke vertaalslagen zijn niet noodzakelijkerwijs een technisch probleem. Technisch nieuwe programmatuur wordt, aldus verweerder, gekenmerkt door een nieuw informatietechnologisch principe in de programmatuur. Daarvan is hier niet gebleken. Verweerder concludeert dan ook dat door appellanten, niet aannemelijk is gemaakt dat de verrichte werkzaamheden, hoewel deze wellicht veel werk en nauwkeurigheid vereisen, S&O werk betreffen.

3. In artikel 1, lid 1, onder q, van de Wva is bepaald dat onder S&O-verklaring wordt verstaan de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.

In artikel 1, lid 1, onder n, Wva is bepaald dat onder speur- en ontwikkelingswerk wordt verstaan : door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

[…];

2°. de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur; […].

[…]

4. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld voor zover het de S&O-aanvragen voor het onderhavige project betreft. Zij stellen zich op het standpunt dat verweerder hen ten onrechte geen S&O-verklaring heeft gegeven voor wat betreft dit project omdat wel sprake is van S&O-werk. Appellanten hebben in de periode van mei 2013 tot december 2013 programmatuur ontwikkeld waarmee verschillende applicaties en informatiesystemen gecombineerd kunnen worden. Door deze data te combineren ontstaat er in- en output naar diverse applicaties en procesonderdelen. Het is hierbij van belang dat dit realtime gebeurt met een minimale belasting van de ICT-infrastructuur en binnen de grenzen van de mobiele apparatuur. Aangezien een aantal van de bestaande applicaties van appellanten maatwerk zijn, is er geen bestaand product hiervoor op de markt. Als technisch knelpunt is de programmering genoemd waarmee een enorme hoeveelheid data binnen een te accepteren tijd uitgewisseld kan worden tussen de mobiele apparatuur en de diverse bestaande applicaties. Ontwikkeling van de programmatuur leidt volgens appellanten tot een nieuw informatietechnologisch principe in hun programmatuur. Fouten kunnen bovendien grote gevolgen hebben voor hun bedrijfsvoering. Tot slot merken appellanten op dat het hoorzittingsverslag pas op verzoek en na het bestreden besluit aan hen is toegestuurd. Zij achten dat onzorgvuldig.

5.1

Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de aanvragen van appellanten voor wat betreft het onderhavige project, terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.

5.2

Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd al dan niet onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AS2016)is bij de beoordeling van een aanvraag allereerst beslissend of uit hetgeen in de aanvraag is beschreven kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten.

5.3

Het College overweegt dat verweerder appellanten ten behoeve van de beoordeling van hun aanvragen voor het project om informatie heeft verzocht over de aard van de werkzaamheden en de technische knelpunten die appellanten daarbij ondervinden.

5.4

Op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens die appellanten in het kader van de aanvragen voor 2013 hebben verstrekt en het onderzoek ter zitting, is het College van oordeel dat de door appellanten omschreven werkzaamheden door verweerder terecht niet zijn aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Het College stelt vast dat appellanten, zowel in hun aanvraag als in hun aan verweerder, desgevraagd, verschafte nadere toelichting steeds een functionele beschrijving hebben gegeven van datgene wat zij als resultaat wenselijk achtten, namelijk de integratie van twee mobiele applicaties in de ICT-systemen van appellanten, alsmede de randvoorwaarden waaraan dat resultaat diende te voldoen (b.v. real time). Met verweerder is het College van oordeel dat appellanten, met de informatie die zij hebben verschaft niet, althans onvoldoende, duidelijk hebben gemaakt welke concrete technische knelpunten dienden te worden opgelost en de oplossingsrichtingen die appellanten voor ogen stonden. Het moge zo zijn dat het project voor de bedrijfsvoering van groot belang is en dat het een complexe aangelegenheid is, maar dit betekent echter niet dat er sprake is van technisch nieuwe programmatuur.

6. Appellanten hebben ter zitting nog aangevoerd dat zij pas na ontvangst van het bestreden besluit de beschikking kregen over het verslag van de hoorzitting in bezwaar. Hierin is naar het oordeel van het College evenwel geen grond gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit. Voorts is niet is gebleken dat verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen. Aan het argument van appellanten dat het hoorzittingsverslag bovendien onvolledig zou zijn kan dan ook reeds hierom niet het gewicht worden toegekend dat appellanten daaraan willen hechten.

7. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. R.R. Winter en mr. T.P.J.N. Van Rijn, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. G.J.P. Leuverink

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer' (artikel 30, vierde lid, Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen).