Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:208

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/298 AWB 14/233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

last onder dwangsom, spoedbestuursdwang, houder

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: AWB 13/298 en 14/233

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats 1], appellant

(gemachtigde: mr. K.M. ten Voorde),

en

de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

AWB 13/298

Op 10 december 2012 heeft verweerder appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd).

Bij besluit van 15 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit I).

Appellant heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij besluit van 11 november 2013 heeft verweerder de kosten van de toepassing van de bestuursdwang voor een bedrag van € 1.825,26 bij appellant in rekening gebracht (hierna: kostenbesluit I). Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

AWB 14/233

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder zijn beslissing van 4 juli 2013, om terstond met toepassing van bestuursdwang 4 honden in bewaring te nemen wegens overtredingen van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd, op schrift gesteld.

Op 17 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit II).

Appellant heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij besluit van 7 april 2014 heeft verweerder de kosten van de toepassing van de spoedbestuursdwang voor een bedrag van € 2.615,96 bij appellant in rekening gebracht (hierna: kostenbesluit II).

Op 21 mei 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de kant van verweerder zijn tevens verschenen [naam 2], medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO), en [naam 3], inspecteur bij de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID).

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

AWB 13/298

Op 27 november 2012 heeft de LID een onderzoek ingesteld op de locatie [adres 1] te [plaats 1] naar de leefomstandigheden van de aldaar aanwezige dieren. Op deze locatie staan volgens de gegevens in de Gemeentelijke Basis Administratie (verder onder meer: GBA) appellant en zijn moeder, [naam 4] (verder onder meer: de moeder) ingeschreven. Ten tijde hier van belang verbleef de zoon van appellant, [naam 5] (verder onder meer: de zoon), van tijd tot tijd op dit adres.

In het ter zake van dit onderzoek opgemaakte toezichtsrapport van 3 december 2012 staat, ten aanzien van de aanwezigheid van appellant, het volgende:

“Op dinsdag 27 november 2012 zag ik vanaf de openbare weg de [adres 1] te [plaats 1], dat in de woonkamer van perceel [adres 1] de mij bekende [naam 1] zat. Op dinsdag 27 november 2012 omstreeks 10.00 uur werd genoemd erf [adres 1] te [plaats 1] betreden door eerder genoemde handhavingspartners. Op het erf werden wij aangesproken door [naam 1] en zijn moeder [naam 4]. Nadat ik mij had gelegitimeerd en het doel van de komst had medegedeeld mopperde [naam 1] nog wat maar vergezelde hij mij bij een ronde over het erf en door de gebouwen.”

Tijdens de controle heeft de toezichthouder verschillende dieren, waaronder twee honden, aangetroffen in onwenselijke leefomstandigheden. De honden hadden geen toegang tot schoon drinkwater en zaten opgesloten in een donker hok met onafgewerkt, scherp hekwerk dat vervuild was met hopen ontlasting.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens tijdens het onderzoek geconstateerde overtredingen van de Gwwd. Appellant is opgedragen een aantal maatregelen te treffen ter verbetering van de leefomstandigheden van de dieren vóór 15 december 2012. Appellant moest onder andere zorg dragen voor toegang tot een zindelijke drinkgelegenheid met vers drinkwater. Ook werd appellant opgedragen te zorgen voor geschikte huisvesting voor de honden.

Op 19 december 2012 heeft omstreeks 12.00 uur een hercontrole plaatsgevonden. Bij deze controle zijn naast twee inspecteurs van de LID ook een aantal dierenpolitieagenten en later een dierenarts aanwezig geweest. Aldaar heeft de LID twee Mechelse herders aangetroffen die opgesloten zaten in een schuur. De ruimte was sterk vervuild met ontlasting en er waren veel scherpe voorwerpen en andere objecten waaraan de dieren zich zouden kunnen verwonden. Bovendien hadden de dieren geen toegang tot frisse lucht en schoon drinkwater. Het ter zake opgemaakte toezichtrapport van 31 december 2012 vermeldt naar aanleiding van vragen aan de moeder over de aanwezigheid van appellant het volgende:

“Hierop antwoordde zij dat zoon [naam 1] daar wel aanwezig moest zijn maar kon niet aangeven waar precies.”

Tevens bevat dit rapport de volgende passage:

“Op onze vraag of er honden van haar zoon [naam 1] aanwezig waren, verklaarde zij dat in de voormalige varkensschuur ( Bijlage 4 schuur “E” ) twee herdershonden aanwezig waren welke tijdens een eerdere controle in de naastgelegen linkerschuur ( Bijlage 4 schuur “D’ ) hadden verbleven en welke toen door de inspectiedienst als ongeschikt als onderkomen werden beoordeeld. Zij verklaarde tevens dat de twee bedoelde herders van haar zoon [naam 1] waren en dat deze zijn honden daar regelmatig van voer voorziet.”

Naar aanleiding van dit bezoek heeft verweerder besloten tot toepassing van bestuursdwang en de honden meegenomen en in bewaring gesteld.

Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Over zijn verhouding tot de meegenomen dieren vermeldt de gemachtigde van appellant in het bezwaarschrift het volgende:

“Er lopen meerdere dieren op het erf van de moeder van cliënt. Zoals hierboven is opgemerkt is cliënt niet vaak aanwezig aan de [adres 1] maar op de momenten dat hij aanwezig is op het erf dan wel in de woning wil hij de loslopende dieren wel eens voeren of water geven. Dit brengt echter niet met zich mee dat hij dan ook eigenaar is van deze dieren. Ditzelfde geldt voor de meegevoerde honden. Het feit dat cliënt de honden uit de schuur heeft verwijderd op grond van de aanzegging kan niet zonder meer met zich brengen dat hij dit heeft gedaan omdat hij eigenaar was van de dieren. Cliënt heeft dit gedaan omdat kennelijk de daadwerkelijke eigenaar hier geen zorg voor had gedragen. Bovendien heeft cliënt tijdens de controle(s) telkenmale aan de inspecteurs te kennen gegeven dat de honden niet van hem zijn en dat hij niet weet van wie deze wel zijn en dat hij slechts sporadisch aanwezig is aan de [adres 1] te [plaats 1].”

Op 15 maart 2013 is het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij het bestreden besluit I, aangezien appellant artikel 36, eerst en derde lid, en artikel 37 van de Gwwd naar het oordeel van verweerder heeft overtreden.

Op 11 november 2013 heeft verweerder een kostenbesluit genomen met betrekking tot de toepassing van de bestuursdwang. In dit besluit zijn kosten van de opvang van de honden en de dierenarts over de periode van 19 december 2012 tot en met 5 februari 2013 ten belope van € 1.825,26 bij appellant in rekening gebracht. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid van de Awb heeft het onderhavige beroep mede betrekking op dit kostenbesluit.

AWB 14/233

Op 3 en 4 juli 2013 heeft de LID wederom een onderzoek ingesteld naar de leefomstandigheden van de dieren op het erf aan de [adres 1], te [plaats 1] naar aanleiding van een melding. Op 3 juli 2013 heeft de LID daar vier honden aangetroffen in slechte leefomstandigheden. De toezichthouder is ervan uitgegaan dat deze honden van appellant zijn. Het ter zake opgemaakte toezichtrapport van 9 juli 2013 vermeldt naar aanleiding van vragen aan de moeder het volgende:

“Zij verklaarde dat alle honden, pluimvee en duiven van haar zoon [naam 1] waren.”

En:

“Wij zagen 1 Stabij, 1x Malthezer en 1 pup, mogelijk Stabij. (…). Op woensdag 3 juli zagen wij op de kop van een varkensstal op het erf in een hondenren 1 hond, Stabij. (…) [naam 4] en [naam 5] deelden mede dat betrokkene al dagen niet naar deze honden heeft omgekeken.”

De moeder van appellant heeft, zo vermeldt een proces-verbaal van verhoor, gedateerd 7 juli 2013, onder meer het volgende verklaard :

“De 3 honden naast de woning van [naam 1] zijn van [naam 1] zelf. De hond op de kop van de schuur is ook van [naam 1].”

In een proces-verbaal van verhoor van 5 juli 2013 verklaart de zoon van appellant onder meer het volgende:

“Ik woon en verblijf op de boerderij aan de [adres 1] te [plaats 1]. Ik bezit een Duitse herdershond genaamd [naam 6]. Naast perceel 16 zitten in de tuin 3 honden. Deze honden behoren in eigendom toe aan mijn vader [naam 1]. Ik heb geen zorgplicht voor die honden. Op het erf zit ook nog een zwarte Stabijhond in een ren. Ook deze hond, [naam 7], is van mijn vader Harry. Ik heb voor deze hond ook geen zorgplicht.”

Tijdens een bezoek van de toezichthouder de volgende dag, bleken drie van de vier honden niet langer te verblijven op het erf te [plaats 1]. In het toezichtsrapport van 9 juli 2013 is door de moeder onder meer het volgende verklaard:

“Zij deelde mij mede dat zij gehoord had dat [naam 1] de afgelopen nacht, nacht van 3 op 4 juli 2013, op het erf was geweest. (…). Zij deelde mede dat [naam 1] ruzie had gehad met de aanwezige [naam 5] en dat [naam 1] zijn drie honden naast de woning had meegenomen. Zij deelde mede dat [naam 1] de hond [naam 7] bij de schuur had achtergelaten.”

De LID heeft diezelfde dag vervolgens andere locaties bezocht om de verblijfplaats van de drie verdwenen honden te achterhalen. De honden werden uiteindelijk aangetroffen op het erf van [naam 8], een kennis van appellant, wonende aan de [adres 2] te [plaats 2]. [naam 8] heeft tegenover de toezichthouder blijkens een proces-verbaal van een verhoor van 5 juli 2013 onder meer het volgende verklaard,

“Afgelopen nacht heeft [naam 1] 3 honden bij mij in de schuur gestopt zonder mijn toestemming. (…) Ik ken Harry al heel erg lang. Ik wil geen dieren van hem op mijn erf meer hebben.”

Bij besluit van 17 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, aangezien appellant naar het oordeel van verweerder artikel 36, eerst en derde lid, en artikel 37 van de Gwwd heeft overtreden. Hiertegen appellant beroep heeft ingesteld.

Op 7 april 2014 heeft verweerder een kostenbesluit genomen met betrekking tot de toepassing van de spoedbestuursdwang. In dit besluit zijn de kosten voor de opvang van de honden over de periode van 4 juli tot en met 31 augustus 2014 ter hoogte van € 2.614,96 bij appellant in rekening gebracht; de fictieve opbrengst van de verkoop van de honden is daarbij al in mindering gebracht. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid van de Awb heeft het onderhavige beroep mede betrekking op dit kostenbesluit.

2.1

In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

“Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

houder: eigenaar, houder of hoeder;

(…)

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(….)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

(…)

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(...)

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend gemaakt.”

2.2

In de kern samengevat heeft appellant tegen de bestreden besluiten in zijn beide beroepschriften het volgende aangevoerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij artikel 36, eerste en derde lid en artikel 37 van de Gwwd niet heeft overtreden. Verweerder had appellant geen last onder bestuursdwang mogen opleggen en geen besluit tot spoedbestuursdwang aan hem mogen richten, omdat appellant geen overtreder in de zin van artikel 5:1 van de Awb is. Volgens appellant dient de Gwwd zo geïnterpreteerd te worden dat artikel 36, derde lid, van de Gwwd alleen van toepassing is als er geen eigenaar dan wel houder bekend is. Als er wel een eigenaar dan wel houder bekend is, dan dient artikel 37 van de Gwwd toegepast te worden. Het erf waar eerst twee honden en later vier honden zijn aangetroffen, is in eigendom van de moeder van appellant. Zij woont daar ook. Appellant zelf woont feitelijk niet op dat adres vanwege hoogoplopende conflicten met zijn zoon, maar bij zijn vriendin in [plaats 3] en is zelden op het erf te [plaats 1] te vinden. Dit wordt ondersteund door verklaringen van de vriendin van appellant en een kennis van haar en diverse aangiften die appellant tegen zijn zoon heeft gedaan. De honden zijn bovendien niet van appellant, hetgeen ook blijkt uit een door appellant overgelegde nadere verklaring van [naam 8], dat de drie door verweerder bij [naam 8] aangetroffen honden daar niet door appellant zijn achtergelaten maar door [naam 5]. Dat de honden niet van appellant zijn volgt voorts uit hetgeen diervoederleverancier [naam 9] verklaard heeft. Niet appellant, maar zijn moeder of zoon had aangemerkt moeten worden als eigenaar dan wel houder, te meer daar de honden nimmer eigendom van appellant zijn geweest. Dat appellant de honden wel eens te eten en te drinken heeft gegeven als hij sporadisch langskwam op de [adres 1], doet daaraan niet af.

2.3

Verweerder handhaaft het standpunt dat het niet relevant is of appellant eigenaar van de honden is of niet, maar dat het binnen de macht van appellant lag om de overtreding ongedaan te maken. Hij is immers woonachtig op het adres waar de honden zich bevonden en heeft toegang tot de schuren op het erf. Dit wordt ondersteund door verklaringen die de moeder en de zoon van appellant en [naam 8] hebben afgelegd ten overstaan van de toezichthouder en in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal zijn opgenomen. Verweerder wijst erop dat in vaste jurisprudentie is uitgemaakt dat verweerder kan en mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een proces-verbaal.

3.1

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld beperkt het geschil zich tot de beantwoording van de vraag of verweerder appellant terecht als overtreder heeft aangemerkt. Het College, voorop stellende dat in beginsel mag worden afgegaan op de inhoud van de door een opsporingsambtenaar in een proces-verbaal vermelde waarnemingen en feiten, is van oordeel dat de hiervoor in rubriek 1 aangehaalde verklaringen van de moeder en de zoon van appellant alsmede die van [naam 8], voldoende grondslag bieden voor de conclusie van verweerder dat appellant ten aanzien van de honden waar het hier om gaat als houder in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Gwwd is aan te merken. Het College heeft er bij het vormen van zijn oordeel niet aan voorbij gezien dat appellant ten bewijze van het tegendeel zich enerzijds op andere verklaringen heeft beroepen en anderzijds de juistheid dan wel de overtuigingskracht van verklaringen heeft bestreden. Appellant is er evenwel niet in geslaagd daarmee de overtuigingskracht van de verklaringen waarop verweerder zich beroept zodanig aan te tasten dat deze niet langer zouden kunnen bijdragen aan het fundament van de bestreden besluiten.

Zo heeft appellant een nadere, latere, verklaring van [naam 8] in het geding gebracht waarbij deze laatste verklaart dat de drie honden niet door appellant in zijn schuur zijn achtergelaten, maar door [naam 5]. Deze, van een eerder tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde afwijkende, niet van enige onderbouwing voorziene, verklaring heeft, alleen al door zijn beperkte strekking, onvoldoende overtuigingskracht om het door verweerder ingenomen standpunt voor onjuist te houden. Ook de schriftelijke verklaringen van de vriendin van appellant, [naam 10], en van een kennis van haar, [naam 11], tasten de overtuigingskracht van de verklaringen waarop verweerder zich heeft beroepen niet aan. Weliswaar verklaart [naam 10] dat appellant vanaf oktober 2012 bij haar te [plaats 3] verbleef, maar dat sluit op zich zelf niet uit dat appellant sedertdien toch het adres aan de [adres 1] bezocht. Dit klemt temeer nu [naam 10] in haar verklaring voorts verklaart: “[naam 1] was haast nooit aan de [adres 1] te [plaats 1]. Hij was er alleen donderdags als de thuiszorg kwam.”. De verklaring van [naam 11] (“…[naam 1]! verblijft 2 oktober 2012 bij mijn vriendin [naam 10] in [plaats 3]”) voegt aan de verklaring van [naam 10] niets toe en deelt in de beperkte strekking.

Vooral geplaatst tegen de achtergrond van hetgeen appellant in zijn aanvullende bezwaarschrift zelf heeft doen aanvoeren (“…Zoals hierboven is opgemerkt is cliënt niet vaak aanwezig aan de [adres 1] maar op de momenten dat hij aanwezig is op het erf dan wel in de woning wil hij de loslopende dieren wel eens voeren of water geven...”) en zijn verklaring in een, tot de gedingstukken behorend, proces-verbaal van aangifte van een eenvoudige mishandeling, opgemaakt op 15 augustus 2013 (“…Ik ben vervolgens elke avond tussen 22 en 24 uur naar mijn woning gegaan. Ik ben alleen op de donderdagen in mijn woning geweest. Dan kwam de hulp namelijk...”) boeten de door hem in het geding gebrachte verklaringen in in aanmerking te nemen mate aan overtuigingskracht in.

Verder is niet aannemelijk geworden dat de verklaringen van zijn zoon zouden zijn ingegeven door hun verstoorde relatie en niet op waarheid zouden berusten. De schriftelijke verklaring van diervoederleverancier [naam 9] te [plaats 4] tenslotte houdt, voor zo ver hier van belang, in dat bestellingen worden gedaan door [naam 4] en dat appellant nooit voer bij hem bestelt. Deze verklaring, wat daar verder ook van zij, werpt, afgezien van het niet kopen van voer, geen, althans onvoldoende, licht op de overige feitelijke bemoeienis van appellant met de honden waar het hier om gaat.

3.2

Appellant heeft geen argumenten aangedragen die er toe strekken te betogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feiten waarover in de verschillende toezichtrapporten wordt gerapporteerd overtreding van het bepaalde bij artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd opleveren. Naar het oordeel van het College heeft verweerder dat standpunt terecht ingenomen. Aangezien, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, verweerder zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant houder is in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Gwwd, was verweerder bevoegd handhavend op te treden. Het door appellant ontwikkelde betoog over de verhouding tussen artikel 36, derde lid, en 37 van de Gwwd behoeft geen bespreking, omdat de last van 10 december 2012 noch die van 9 juli 2013 op een overtreding van het derde lid van artikel 36 is gebaseerd. Van bijzondere omstandigheden op basis waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien is niet gebleken. Verweerder heeft dan ook terecht de last onder bestuursdwang opgelegd.

4. Aangezien appellant, afgezien van zijn hiervoor weergegeven standpunt, geen specifieke argumenten heeft aangedragen waarom de kostenbesluiten I en II niet in stand zouden kunnen blijven leidt het hiervoor overwogene tot de slotsom dat de beroepen van appellant ongegrond zijn.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015

w.g. R.R. Winter w.g. X.M. Born