Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:205

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/558
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/558

7801

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen

de vereniging Klassiek Paarden Stamboek (KPST), appellante

(gemachtigde: mr. A.W. van Lijssel),

en

de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. ing. H.D. Strookman en ir. W.A.H. Schipper).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om erkenning als instelling voor het bijhouden van een stamboek voor het Klassieke Paard afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2014, ECLI:NL:CBB:2014:141 heeft het College het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 6 augustus 2012 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens appellante zijn verder nog verschenen [naam 1] en

[naam 2].

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Het College verwijst wat betreft de feiten en omstandigheden en het verloop van de procedure tot aan de uitspraak van 9 april 2014 naar de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.4 van die uitspraak.

1.2

In die uitspraak heeft het College, voor zover hier nog van belang, het volgende overwogen.

“(…)

De weigering van de erkenning op grond van erkenningsvoorwaarde E kan daarom niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.3

Zoals volgt uit het vorenstaande is het beroep van appellante gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

2.4

Het College kan in dit geval niet zelf in deze zaak voorzien, zoals bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb nu onder meer de afweging of er sprake is van voldoende dieren om appellantes programma tot verbetering van het ras uit te voeren of de instandhouding van het ras te kunnen garanderen, informatie vergt waarover het College niet beschikt. Verweerder zal met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar moeten beslissen. Als alsnog geoordeeld zou worden dat aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan, zal de vraag of een erkenning op grond van artikel 3, tweede lid alsnog moet worden geweigerd, moeten worden beantwoord naar de stand van zaken op dat moment; niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de eerdere – inmiddels gedateerde - adviezen van de Commissie ETP.

(…)”

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. In het bestreden besluit staat, voor zover hier van belang, het volgende.

“(…)

Gezien het bovenstaande stel ik vast dat KPST nog steeds niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan erkenningsvoorwaarde E. van Bijlage I van de Verordening.

(…)

Eveneens opmerkelijk is dat uit het beroepschrift van KPST (vierde alinea, derde regel), de uitspraak van het College, de website van KPST en mediaberichten consequent blijkt dat KPST als doelstelling heeft het gericht fokken van het Gelders paard. Dit fokdoel blijkt noch uit de aanvraag, noch uit de statuten en is niet eerder aan de orde geweest.

Indien KPST het gericht fokken van het Gelders paard als fokdoel heeft dan geldt in ieder geval dat het productschap bij besluit van 27 april 2012 KWPN heeft erkend voor het bijhouden van een moederstamboek voor rijpaarden, tuigpaarden en Gelderse paarden (…).

Uit artikel 4, eerste lid, onder a) van Richtlijn 90/427/EEG en uit Beschikking 92/353/EEG volgt dat in de Europese Gemeenschap voor elk ras slechts één moederstamboek kan worden erkend, waardoor volgende erkenningen alleen voor het bijhouden van een dochterstamboek kunnen worden verleend. Aangezien KWPN als moederstamboek voor het ras Gelders paard is erkend, kan ik voor dit ras niet tevens erkenning als moederstamboek aan KPST verlenen. Beschikking 92/353/EEG moet geacht worden integraal onderdeel uit te maken van Richtlijn 90/427/EEG en laat ruimte aan de lidstaten om in het geval in een lidstaat reeds een erkend moederstamboek voor een bepaalde ras bestaat hieraan de (dwingende) consequentie te verbinden dat een nieuwe organisatie niet eveneens als moederstamboek voor hetzelfde ras kan worden erkend. Hierbij is mede in aanmerking genomen de doelstelling van Richtlijn 90/427/EEG om ten aanzien van de inschrijving in de stamboeken zo veel mogelijk harmonisatie te bevorderen en verschillen daarin tussen stamboeken te minimaliseren.

(…)”

1.4

De Koninklijke vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN) is een organisatie van paardenfokkers. Bij besluit van 27 april 2012 heeft verweerder KWPN erkend voor het bijhouden van een stamboek voor Gelderse paarden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010 (Verordening).

2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder met het bestreden besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 9 april 2014. Verweerder komt in het bestreden besluit terug op zaken die bij het vorige beroep al uitgebreid aan de orde zijn geweest. Dit beroep ging over de erkenning van appellante als stamboek voor het Gelderse paard, zoals blijkt uit de met de brief van 1 augustus 2011 verduidelijkte aanvraag, waarin de vereiste percentages klassiek bloed en de doelstelling Gelders ras duidelijk zijn aangegeven. De ruimer omschreven doelstelling in haar statuten is, zoals vaker voorkomt bij stamboeken, geconcretiseerd in haar stamboekreglement. Partijen en het College zijn in de eerdere beroepsprocedure uitgegaan van de aanvraag om erkenning van appellante als stamboek voor het Gelderse paard. In de eerdere uitspraak heeft het College vastgesteld dat appellante aan de vereisten voor stamboekerkenning voldoet met uitzondering misschien van de omvang van de populatie die nog beschikbaar is voor het realiseren van het fokbeleid. Appellante heeft naar aanleiding van de eerdere uitspraak aangetoond dat op grond van het stamboekreglement meer dan voldoende bloedlijnen beschikbaar zijn om het ras in stand te kunnen houden. Volgens appellante is er naast de erkenning van KWPN als stamboek voor het Gelderse type ruimte voor de erkenning van KPST als stamboek voor het Gelderse ras, omdat er een essentieel verschil is tussen het Gelders paardenras met bijbehorende Gelderse bloedlijnen en het KWPN type Gelders paard zonder verplicht Gelders bloed.

3. Het College komt tot de volgende beoordeling.

3.1

Het College deelt niet de opvatting van appellante dat verweerder bij het bestreden besluit een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 9 april 2014. Het College heeft bij die uitspraak het besluit op bezwaar van 6 augustus 2012 wegens een daaraan klevend motiveringsgebrek vernietigd. Dat betekent dat verweerder opnieuw op het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar diende te beslissen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op grondslag van de bezwaren een heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Blijkens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van het College van 22 september 2009, ECLI:NL:CBB:2009: BJ8798) blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Awb dat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Ook wanneer na een vernietiging door het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen dient in beginsel te worden besloten met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7744). De uitspraak van het College van 9 april 2014 geeft geen aanleiding om in dit geval af te wijken van dat uitgangspunt. Verweerder heeft, voor zover thans van belang, aan de hand van door appellante op 27 mei 2014 verstrekte informatie opnieuw beoordeeld of appellante voldoet aan erkenningsvoorwaarde E van Bijlage 1 van de Verordening. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat appellante daaraan niet voldoet en heeft deze afwijzingsgrond opnieuw ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om erkenning. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit geoordeeld dat hij – kort gezegd – aan appellante voor het Gelderse ras geen erkenning als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek kan verlenen, omdat KWPN al als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor het ras Gelders paard is erkend. Verweerder heeft aldus in het kader van de volledige heroverweging een – ten opzichte van het primaire besluit en het besluit op bezwaar van 6 augustus 2012 – nieuwe afwijzingsgrond ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om erkenning. Over deze afwijzingsgrond overweegt het College als volgt.

3.2

In de Europese Unie is in het kader van de nadere harmonisatie een systeem ingevoerd waarbij de paarden ingeschreven worden in door officieel erkende organisaties en verenigingen aangelegde en bijgehouden stamboeken. Dit systeem is neergelegd in ‘Richtlijn 90/427/EEG tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen’, de ‘Beschikking 92/353/EEG tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen’ en de ‘Beschikking 92/354/EEG tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor de coördinatie tussen organisaties en verenigingen die stamboeken van geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen’. Zoals het College in zijn uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:22, eerder heeft geoordeeld, volgt uit dit systeem dat voor ieder paardenras slechts één moederstamboek kan bestaan in de Europese Unie.

3.3

Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat zij reeds in een eerder stadium, namelijk bij een bijlage bij de brief van 1 augustus 2011, heeft vermeld dat zij ten doel heeft het Gelderse paard terug te fokken, moet worden geoordeeld dat het primaire besluit, noch het besluit op bezwaar van 6 augustus 2012 grond biedt voor de conclusie dat verweerder de aanvraag van appellante aldus heeft opgevat dat die aanvraag slechts betrekking heeft op het Gelderse ras. Verweerder heeft zich eerst in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in het geval dat appellante het fokken van het Gelderse paard als fokdoel heeft, te gelden heeft dat verweerder KWPN heeft erkend als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor Gelderse paarden en dat verweerder om die reden die erkenning niet ook aan appellante kan verlenen. Appellante heeft niet betwist dat haar aanvraag in wezen ziet op een erkenning als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor Gelderse paarden, zodat het College daarvan uitgaat.

3.4

Vast staat dat KWPN ten tijde hier van belang is erkend als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor Gelderse paarden. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar standpunt dat er ruimte is voor een tweede stamboek voor Gelderse paarden komt er naar het oordeel van het College op neer dat zij, als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor Gelderse paarden, een andere invulling wil geven aan de definitie van het ras Gelderse paarden dan het KWPN daaraan geeft. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat het uitsluitend is voorbehouden aan het KWPN, als erkend moederstamboek voor Gelderse paarden, om dit paardenras te definiëren. Gelet hierop ligt in dit geding niet ter beoordeling door het College voor of, zoals appellante stelt, er een essentieel verschil is tussen Gelderse paarden met en zonder verplicht Gelders bloed. Dat appellante, evenals sommige andere fokkers, zich niet kan vinden in de afschaffing van de Gelderse bloedvoering door het KWPN en dat appellante deze Gelderse bloedvoering opnieuw in een stamboek wil neerleggen, kan in het licht van het vorenstaande niet leiden tot het door appellante gewenste resultaat.

3.5

Nu voor ieder paardenras slechts één erkend moederstamboek kan bestaan binnen de Europese Unie en KWPN binnen de Europese Unie is erkend als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor Gelderse paarden, is er voor verweerder geen ruimte om de aanvraag van appellante toe te wijzen. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.

3.6

Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.

4. Al hetgeen appellante verder in beroep heeft aangevoerd, behoeft, gezien het voorgaande, geen bespreking meer.

5. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. A. Venekamp en mr. N.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. J.W.E. Pinckaers