Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:204

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/792
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Aabvabg driejaarstermijn, niet-ontvankelijkheid klacht. Hoger-beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/792

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats], appellante,


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 september 2013, gegeven op een klacht, op 8 november 2012 door appellante ingediend tegen [naam 3] (betrokkene)

(gemachtigde van betrokkene: mr. N.E.N. de Louwere).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 september 2013, met nummer 12/2362 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:40).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Partijen zijn verschenen, waarbij betrokkene is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene heeft bij brief van 25 maart 2008 (het rapport) aan zijn opdrachtgever – [naam 5], de toenmalige directie van [naam 6] – verslag gedaan van een onderzoek naar de hoogte en de samenstelling van de rekening-courantverhoudingen over de jaren 2006 en 2007 tussen enerzijds [naam 6] en haar 100% deelnemingen [naam 7] en [naam 8] en anderzijds appellante (die tot 23 mei 2007 directeur was van [naam 6]), haar echtgenoot [naam 2] en hun gezamenlijke holdingvennootschap [naam 9].

1.3

Naar aanleiding van het rapport hebben appellante, haar echtgenoot en hun fiscaal adviseur, [naam 4], op 9 april 2008 een gesprek gehad met betrokkene. Appellante heeft in mei 2008 een schriftelijke reactie aan betrokkene gezonden waarbij zij verschillende stukken ter onderbouwing van haar zakelijke kosten, alsmede bijgewerkte rekening-courantverhoudingen, heeft gevoegd. Bij brief van 25 juni 2008 heeft betrokkene hierop aan appellante een reactie gestuurd. Dat heeft weer geleid tot een reactie van de kant van de toenmalige raadsman van appellante, vervat in een brief van 10 juli 2008. Betrokkene heeft het rapport aangevuld bij brief van 21 januari 2009. Ook daarna is er nog door en namens appellante gecorrespondeerd over de hoogte en de samenstelling van de hiervoor bedoelde rekening-courantverhoudingen.

1.4

Tussen appellante en [naam 6], [naam 7] en [naam 8] is een civiele procedure gevoerd omtrent de vraag welke bedragen partijen over en weer aan elkaar verschuldigd waren. In het kader van die procedure heeft betrokkene bij brief van 11 april 2011, gericht aan [naam 6], de invloed van een aantal correcties op het rapport die door appellante en [naam 9] waren ingebracht, weergegeven. Voorts heeft betrokkene bij brief van 12 oktober 2011 [naam 6] bericht verstrekt met betrekking tot een aan partijen in die procedure geboden gelegenheid om zich over een aantal punten uit te laten. De procedure is uiteindelijk geëindigd met een vonnis van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2012.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De accountantskamer heeft, voor zover hier van belang, de klacht in haar uitspraak als volgt weergegeven (waar voor klaagster appellante moet worden gelezen):

“3.1 Ten grondslag aan de door klaagster ingediende klacht liggen, zoals blijkt uit het klaagschrift en de daarop door en namens klaagster gegeven toelichting, de volgende verwijten:

a. betrokkene heeft de rekening-courantverhoudingen van klaagster met [naam 6], [naam 7] en [naam 8] ten nadele van klaagster gewijzigd;

b. door deze wijzigingen zijn vorderingen van klaagster op [naam 6], [naam 7] en [naam 8] verdwenen;

c. de wijzigingen werden niet onderbouwd met stukken, terwijl er wel stukken waren waaruit de onjuistheid van de wijzigingen kon worden afgeleid;

d. bij de wijzigingen in de rekening-courantverhoudingen heeft betrokkene rechtspersonen (bewust) door elkaar gehaald;

e. bepaalde wijzigingen in de rekening-courantverhoudingen zijn onjuist weergegeven.”

2.2

De accountantskamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard op grond van het verstrijken van de driejaarstermijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) en dienaangaande het volgende overwogen:

“4.7 Ter zitting is van de kant van klaagster verklaard dat zij begin april 2008 kennis heeft genomen van het rapport van 25 maart 2008, kort nadat [naam 6] haar had gedagvaard “op basis van het rapport”. Vervolgens is het gesprek gepland […] dat op 9 april 2008 heeft plaatsgevonden. Dat betrokkene ook wijzigingen heeft aangebracht in de saldi van de rekening-courantverhoudingen die waren verwerkt in de jaarrekeningen over 2005 blijkt expliciet uit het rapport van 25 maart 2008. Van deze wijzigingen was klaagster dan ook op de hoogte na kennisneming van het rapport. Wat het effect was van de door betrokkene aangebrachte wijzigingen in de rekening-courantverhoudingen op de vorderingen van klaagster op [naam 6], [naam 7] en [naam 8] uit hoofde van die verhoudingen (waarop naar de Accountantskamer begrijpt, klachtonderdeel 3.1.b. ziet) is eveneens uit (de bijlagen bij) het rapport op te maken. Op welke wijzigingen klaagster exact het oog heeft in klachtonderdeel 3.1.c. heeft zij in het klaagschrift noch ter zitting duidelijk gemaakt. Aldus moet, mede gelet op het verweer van betrokkene en het feit dat klaagster zelf moet weten welke stukken zij in mei 2008 aan betrokkene heeft doen toekomen, ervan uitgegaan worden dat klaagster nadat zij kennis had genomen van het rapport en van de brief van 25 juni 2008, kon weten dat betrokkene zich in het rapport en in die brief ter onderbouwing van een deel van de door hem aangebrachte wijzigingen ten onrechte beriep op het ontbreken van stukken. Dat de leningovereenkomst behoorde tot de stukken die al in 2007 naar [naam 5] waren gestuurd, is klaagster door de vorige accountant van [naam 7] en [naam 8] gemeld bij brief van 29 april 2008, zo volgt uit bijlage 7 bij het klaagschrift. Klaagster zelf heeft hem in haar brief van 16 mei 2008 gewezen op de plaats waar deze overeenkomst was opgeborgen. De drie (soorten) posten die klaagster noemt ter onderbouwing van klachtonderdeel 3.1.e. staan expliciet in (de bijlagen bij) het rapport. De lonen die betrokkene volgens klaagster ten onrechte heeft geboekt als privé-opnamen zijn volgens afschriften van bankafrekeningen die bij het klaagschrift zijn gevoegd, in 2006 aan haar betaald. Op welke rechtspersonen klaagster bij klachtonderdeel 3.1.d. het oog heeft, staat niet in het klaagschrift. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel gaat de Accountantskamer ervan uit [dat] dit klachtonderdeel ziet op het opvoeren van dezelfde zakelijke kosten als privé-opnamen bij zowel [naam 7] als [naam 8]. Gelet op het vorenstaande heeft klaagster meer dan drie jaar voor de datum van de indiening van haar klacht het handelen of nalaten waarover zij zich in de onder 3.1. omschreven klachtonderdelen beklaagt, geconstateerd. Nu zij haar klacht heeft ingediend na het verstrijken van die termijn, dient de klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard. Klaagster heeft niet duidelijk gemaakt over welke andere of extra informatie zij beschikte na kennisneming van de brieven van betrokkene van 11 april 2011 en 12 oktober 2011 en van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2012, zodat niet valt in te zien dat de termijn van drie jaar pas na die kennisneming is gaan lopen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellante betoogt, samengevat weergegeven, dat de accountantskamer ten onrechte de klacht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert appellante aan dat haar eerst na het verstrijken van de driejaarstermijn de klachtwaardigheid van het optreden van betrokkene is gebleken. Zij wijst daarbij op het volgende. Betrokkene heeft in 2010 ertoe bijgedragen dat partijen in genoemde civiele procedure geen schikking hebben bereikt. In zijn brief van 11 april 2011 heeft betrokkene onverwachts zijn eigen systematiek verlaten en een andere systematiek toegepast die verwarring zaaide en in het nadeel van appellante was. Verder is gebleken dat betrokkene in oktober 2011 toch over de complete boekhouding beschikte, na dit eerder steeds te hebben ontkend. Ook uit het vonnis van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2012 is gebleken dat betrokkene een bepalende rol in de civiele procedure heeft gespeeld.

Ter zitting bij het College heeft appellante gesteld dat genoemde gedragingen van betrokkene in 2010 en 2011 (ook) klachtwaardig zijn.

3.2

Het College stelt allereerst vast dat appellante in hoger beroep ten opzichte van haar klacht, zoals deze door de accountantskamer is opgevat en hiervoor onder 2.1 weergegeven, voor het eerst klaagt over de door haar geschetste gedragingen van betrokkene uit 2010 en 2011. In het klaagschrift zijn deze gedragingen in het geheel niet genoemd. Het College merkt dit aan als nieuwe klachten en laat deze klachten buiten beschouwing. Volgens vaste jurisprudentie van het College is het immers niet mogelijk de klacht aan te vullen of uit te breiden in het kader van hoger beroep tegen een beslissing van de accountantskamer. Hierbij merkt het College op dat het klaagschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de accountantskamer geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat de accountantskamer de klacht te beperkt heeft opgevat.

De onder 2.1 weergegeven klacht geldt derhalve als uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep.

3.3

Artikel 22, eerste lid, Wtra, luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, dat een ieder bij een vermoeden van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) door een registeraccountant, binnen drie jaar na de constatering van het handelen of nalaten door middel van een klaagschrift een klacht kan indienen bij de accountantskamer. Zoals is overwogen in de uitspraak van het College van 13 maart 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8600), biedt de parlementaire geschiedenis bij artikel 22 Wtra geen aanknopingspunt voor het oordeel dat voor het doen aanvangen van de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 22, eerste lid, Wtra, (enig) besef van het tuchtrechtelijk verwijtbare karakter van het handelen of nalaten van de accountant vereist is. Dit laat onverlet, zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 18 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY0958), dat bedoelde termijn eerst aanvangt wanneer de klager objectief gezien, gelet op de voor hem beschikbare informatie, op de hoogte is van het feitelijk handelen of nalaten van de betrokken accountant dat de grond vormt voor het indienen van zijn klacht. In dat licht moet de term “constatering” als bedoeld in artikel 22, eerste lid, Wtra worden begrepen. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 augustus 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:135), kan in veel gevallen reeds van een constatering van handelen of nalaten in de zin van artikel 33 Wet RA gesproken worden, voordat de klager beschikt over alle informatie die noodzakelijk is om een klacht aan de tuchtrechter te kunnen voorleggen. Voor de aanvang van de driejaarstermijn is dan beslissend of sprake is van een constatering van zodanige feiten, dat daarop redelijkerwijs een vermoeden in de zin van artikel 22 Wtra gebaseerd kan worden.

In zijn uitspraak van 8 december 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:436) heeft het College hieraan toegevoegd dat uit genoemde bepaling volgt dat een klacht in vorenbedoelde zin een klacht is die, gelet op haar formulering, het ontstane vermoeden van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen of nalaten al dan niet nader concretiseert. Ook indien een klacht eerst nader kan worden geconcretiseerd of worden onderbouwd naar aanleiding van of met feiten en omstandigheden opgekomen na het ontstaan van het vermoeden, neemt dat niet weg dat de potentiële klager op grond van artikel 22, eerste lid, Wtra niet meer dan drie jaar de tijd heeft om de klacht na de constatering van het feitelijk handelen of nalaten dat aan de basis lag van het vermoeden aanhangig te maken. Hiervan moet worden onderscheiden het geval waarin na de constatering van het feitelijk handelen en het daarop gebaseerde ontstane vermoeden bij nader onderzoek sprake is van een constatering van andere feiten waarop een nieuw zelfstandig ander vermoeden in de zin van artikel 22 Wtra gebaseerd kan worden. Dan vangt de driejaarstermijn voor een klacht die een (nadere) concretisering van dat andere vermoeden behelst aan op een later moment, namelijk het moment waarop de feiten die ten grondslag liggen aan dat vermoeden zijn geconstateerd.

3.4

Vaststaat dat het klaagschrift van appellante op 9 november 2012 bij de accountantskamer is binnengekomen. Dit betekent dat moet worden nagegaan of reeds vóór 9 november 2009 sprake was van een constatering van zodanige feiten, dat appellante daarop redelijkerwijs een vermoeden in de zin van artikel 22 Wtra kon baseren en of de klacht die onderwerp is van dit hoger beroep, is aan te merken als een (nadere) concretisering van dat ontstane vermoeden.

3.5

Het College is van oordeel dat appellante reeds in 2008, in het bijzonder met de kennisname van het rapport van 25 maart 2008 en de brief van 25 juni 2008 over zodanige informatie beschikte dat zij daarop het vermoeden dat de grondslag vormt van haar klacht had kunnen baseren. Het College volgt in zoverre de hierboven onder 2.2 weergegeven rechtsoverweging uit de aangevallen uitspraak, waarin de accountantskamer heeft gemotiveerd dat en waarom appellante in 2008, en niet pas in 2011, over de relevante informatie beschikte. Ook als appellante wordt gevolgd in haar redenering dat zij pas op grond van gedragingen van betrokkene in 2010 en 2011 ten volle het klachtwaardige van diens handelen en/of nalaten in 2008 is gaan beseffen, laat dit onverlet dat zij reeds ruim voor november 2009 hiermee bekend was en er reeds een vermoeden in de zin van artikel 22, eerste lid, Wtra aan had kunnen ontlenen, gezien de inhoud van haar klacht.

3.6

Gelet op het voorgaande heeft de accountantskamer de klacht terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.7

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

3.8

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op hoofdstuk V Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.J. de Jong