Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:202

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/726
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht. Appellant had de externe accountant van een verzekeraar verzocht om een professioneel oordeel te geven over een expertiserapport dat is uitgebracht in een juridische procedure tussen hem en de verzekeraar en de daarop gebaseerde rechterlijke uitspraak. CBb onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat noch uit de in de VGC opgenomen fundamentele beginselen noch uit de daarop gebaseerde overige beroeps- en/of gedragsregels voortvloeit dat betrokkene in de onderhavige situatie op het verzoek van appellant had dienen in te gaan. Het hoger beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/726

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats], appellant, tegen de uitspraak van de accountantskamer van 23 augustus 2013, gegeven op een klacht, die bij brief van 25 april 2013 door appellant is ingediend tegen [betrokkene], betrokkene,

(gemachtigde: mr. H.J. Blaisse).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 23 augustus 2013, met nummer 13/942 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:26.

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven. In reactie daarop heeft appellant schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2015.

Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Raat, kantoorgenoot van de gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 2], waarvan destijds appellant de directeur was, is betrokken geweest bij diverse procedures tegen onder meer Nationale Nederlanden. Die procedures hielden verband met het verlies door [naam 2] van een pakket aandelen in de vennootschap naar Tunesisch recht Conserverie Moderne de Joumine SARL, door toedoen van de curator in het faillissement van [naam 5] (hierna: de curator). Bij arrest van 23 april 1997 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de curator veroordeeld om aan [naam 2] een schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat. De curator was voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden. In het kader van de schadestaatprocedure is een expertiserapport overgelegd dat op verzoek van Nationale Nederlanden is uitgebracht door [naam 3] (hierna: het expertiserapport). Daarin werd de waarde van het aandelenpakket begroot op ƒ 34.950,--. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft de schade van [naam 2] bij vonnis van 25 juni 1997 vastgesteld op ƒ 34.950,--. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft dit vonnis bekrachtigd behoudens ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente. De Hoge Raad heeft het daartegen door [naam 2] ingestelde principale beroep in cassatie verworpen bij arrest van 12 juli 2002.

1.3

Op 18 maart 2013 heeft appellant een brief verzonden, gericht aan de externe accountant van Nationale Nederlanden, [naam 4], met de bedoeling om met deze accountant of met het bestuur van diens kantoor [kantoor] tot een gesprek te komen. Betrokkene heeft hierop gereageerd met een brief van 21 maart 2013, waarin hij heeft aangegeven dat hij [naam 4] is opgevolgd en dat hij heeft begrepen dat het gesprek dat appellant beoogt betrekking heeft op zijn juridische conflict met Nationale Nederlanden. Betrokkene geeft in deze brief voorts aan, met verwijzing naar eerdere brieven, dat hij voor zichzelf als extern accountant geen rol ziet weggelegd in dat conflict en dat het bestuur van [kantoor] die visie deelt. In een afzonderlijke brief van 21 maart 2013 reageert betrokkene voorts alsnog op een brief van appellant van 27 september 2012 en een e-mail van 3 oktober 2012, waarin appellant had verzocht of betrokkene dan wel één van zijn partners een opdracht tot het verrichten van een deskundigenonderzoek zou kunnen aanvaarden inzake het conflict met Nationale Nederlanden. In deze brief geeft betrokkene aan dat het hem niet vrij staat om een dergelijke opdracht te aanvaarden, omdat hij namens [kantoor] de wettelijke controle van de jaarrekening van Nationale Nederlanden verricht.

Bij brief van 6 april 2013 en e-mail van 7 april 2013 heeft appellant verduidelijkt dat het niet zijn bedoeling was om betrokkene te verzoeken om een opdracht van hem te aanvaarden. Appellant heeft daarin aangegeven dat het hem uitsluitend gaat om herhaling van zijn eerdere meldingen van bedrog en misleiding door Nationale Nederlanden aan de controlerende externe accountant en dat het gaat om het geven van een professioneel oordeel over het expertiserapport en de daarop gebaseerde uitspraak van de rechtbank.

Betrokkene heeft hierop gereageerd bij brief van 15 mei 2013 en daarin aangegeven dat appellant hem kennelijk verwijt dat hij niet bereid is om een professionele inhoudelijke opinie kenbaar te maken over een rapport dat is uitgebracht in een juridische procedure tussen appellant en Nationale Nederlanden. Betrokkene herhaalt daarin zijn standpunt dat het niet aan hem is, als extern accountant van Nationale Nederlanden, om zijn eventuele mening ten aanzien van het conflict tussen appellant en Nationale Nederlanden met appellant te delen.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene inbreuk heeft gemaakt op (een van) de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel A-100.4 van de Verordening gedragscode (RA’s) zoals deze luidde tot 1 januari 2014 (hierna: VGC) door niet bereid te zijn tot een gesprek met appellant over diens aantijgingen, zoals blijkt uit de inhoud van de twee brieven van betrokkene aan appellant van 21 maart 2013.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft hiertoe overwogen dat geen rechtsregel een controlerend accountant verplicht om zich jegens de wederpartij van de door hem gecontroleerde huishouding uit te laten over een geschil dat die wederpartij heeft met de gecontroleerde huishouding en evenzo niet over een stuk, dat is ingebracht in een civiele procedure waarin de door hem gecontroleerde huishouding partij is.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant heeft aangevoerd dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak de verantwoordelijkheid van de accountant te beperkt heeft uitgelegd, waardoor in het bijzonder diens betrokkenheid bij het beoordelen van de systemen van interne controle en de handhaving van de integriteit binnen de gecontroleerde organisatie niet of onvoldoende wordt meegewogen. Appellant heeft in dit verband voorts aangevoerd dat er geen rechtsregel is die de rechtzoekende verbiedt om overleg te vragen met het oog op de mogelijkheid van een discrete oplossing door bemiddeling van het accountantskantoor. Appellant heeft in dit verband tevens verwezen naar onderdeel 7 van de pleitnota in de eerste aanleg. Volgens appellant zijn het expertiserapport en de daarop gebaseerde rechterlijke uitspraken onjuist en heeft betrokkene ten onrechte geweigerd om zijn professioneel inhoudelijk oordeel over het expertiserapport te geven.

3.2

Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat noch uit de in de VGC opgenomen fundamentele beginselen noch uit de daarop gebaseerde overige beroeps- en/of gedragsregels voortvloeit dat betrokkene in de onderhavige situatie op het verzoek van appellant had dienen in te gaan.

3.3

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

3.4

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.E. Doolaard en mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2015.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken