Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:201

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
AWB 13/623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Klacht dat de accountant bij uitbrengen rapport onvoldoende zeker heeft gesteld dat de curator het rapport niet aan derden zou verstrekken. Aannemelijk dat appellant pas na de tuchtzitting bekend is geworden met het feit naar aanleiding waarvan hij dit verwijt maakt. Voor zover klacht ziet op (gesteld) handelen en/of nalaten in de periode vóór de tuchtzitting kan niet worden staande gehouden dat appellant deze klacht in de eerdere klachtprocedure had kunnen en moeten aanvoeren. Klacht ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In aanmerking genomen dat de accountant ervan mocht uitgaan dat de beperkingen aan verspreiding rapport de curator genoegzaam bekend waren en laatstgenoemde, gelet op de eerdere waarschuwingen van de accountant, zijn verantwoordelijkheid zou nemen, levert de omstandigheid dat de accountant dit achterwege heeft gelaten geen tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging op. Klacht ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/623

20150

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2015 op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: mr. S. Arts),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 juli 2013, gegeven op een klacht, op
19 november 2012 door appellant ingediend tegen

[betrokkene] (betrokkene)

(gemachtigde van betrokkene: mr. H.E. van Berckel-Dekker).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

12 juli 2013, met nummer 12/2446 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:12).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Het hoger beroep van appellant is behandeld tezamen met zijn hoger beroep in zaak 13/622.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene heeft opdrachten aanvaard van de curator van de op 20 mei 2009 failliet verklaarde vennootschap [naam 2] ([naam 2]), waarvan appellant aandeelhouder en één van de bestuurders was. Onder meer heeft betrokkene op 31 juli 2012 een definitief rapport uitgebracht, getiteld “Rapport inzake [naam 2] aangaande het voldoen aan de administratieplicht”, waarin hij zijn bevindingen en conclusies aan de curator heeft meegedeeld.

Tegen betrokkene heeft appellant op 10 mei 2012 een klacht ingediend. De behandeling van die klacht ter zitting van de accountantskamer heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2012. Op 19 november 2012 heeft appellant opnieuw een klacht tegen betrokkene ingediend.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht is in de bestreden uitspraak van de accountantskamer als volgt weergegeven:

“ 1. Betrokkene heeft het door hem, kort voor de behandeling ter zitting van de eerdere klacht, afgeronde definitieve rapport “Onderzoek inzake de administratieplicht” zonder enig voorbehoud en zonder kennisgeving aan klager aan de curator verstrekt waarna de curator het heeft doorgezonden aan het Openbaar Ministerie. Betrokkene heeft aan diverse verzoeken en sommaties van klager om zijn werkzaamheden op te schorten geen gehoor gegeven en geen waarborgen / maatregelen getroffen om verdere verspreiding van dit rapport te voorkomen.
2. Betrokkene heeft zowel klager als de Accountantskamer bij de behandeling van de eerdere klacht, onjuist voorgelicht omtrent zijn betrokkenheid bij zijn zus als gedupeerd belegger bij [naam 2]. Betrokkene is ongeschikt om in deze als rapporteur op te treden.
3. Betrokkene heeft de rechter-commissaris en/of klager en/of de Accountantskamer onjuist en/of onvolledig voorgelicht over de op [naam 2] toegepaste onderzoeken en de COSO-regelgeving.
4. Betrokkene heeft onzorgvuldig onderzoek gedaan bij de toepassing van de
COSO-regelgeving. Betrokkene heeft geen onderzoek gedaan naar de administratie van andere entiteiten, maar wel een ruimer toetsingskader toegepast dat ziet op de administratie / informatie van andere entiteiten.
5. Betrokkene heeft onjuiste en/of onvolledige voorlichting gegeven aan de
rechter-commissaris omtrent E-Synergie en informatieverzoeken aan klager.”

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op handelen en/of nalaten van betrokkene in de periode vóór 17 augustus 2012 en voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer het volgende overwogen:

“ 4.4 Betrokkene heeft als verweer naar voren gebracht dat enkele van de klachtonderdelen reeds deel uitmaakten van de op 10 mei 2012 door klager bij de Accountantskamer tegen hem en (…) ingediende klacht, geregistreerd onder nummers 12/870 en 12/871 Wtra AK, welke klacht ter zitting van 17 augustus 2012 is behandeld. De overige klachtonderdelen borduren voort op de klachten uit deze eerste tuchtprocedure. Betrokkene heeft daar de conclusie aan verbonden dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.4.1

De Accountantskamer overweegt dienaangaande dat het niet verenigbaar is met de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure dat een klager een klacht die haar grondslag vindt in een bepaald feitencomplex bij de tuchtrechter indient, terwijl dit feitencomplex reeds ten tijde van de behandeling van een eerdere door dezelfde klager ingediende klacht bij deze klager bekend was of had kunnen zijn en niet is gebleken van nieuwe, relevante feiten welke een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling zouden rechtvaardigen.

4.4.2

Het staat vast dat de op 10 mei 2012 door klager tegen betrokkene ingediende klacht ter zitting van de Accountantskamer van 17 augustus 2012 is behandeld; in deze klachtzaak is overigens heden eveneens uitspraak gedaan. De Accountantskamer is van oordeel dat de thans door klager aan de orde gestelde klachtonderdelen, voor zover deze zien op (gesteld) handelen en/of nalaten van betrokkene in de periode vóór 17 augustus 2012 en voor zover deze nog niet in de eerdere klachtprocedure aan de orde zijn gesteld, in die eerdere klachtprocedure hadden kunnen en moeten worden aangevoerd, althans voor de mondelinge behandeling in die eerdere procedure bij zelfstandig klaagschrift hadden moeten worden ingediend. Klager heeft geen nieuwe, relevante feiten gesteld die een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling rechtvaardigen, noch zijn deze anderszins gebleken. De klacht moet daarom in zoverre
niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.5

Voor zover de klachtonderdelen zien op (gesteld) handelen en/of nalaten van betrokkene in de periode nà 17 augustus 2012 is de Accountantskamer van oordeel dat deze klachtonderdelen dermate verweven zijn met, dan wel een verdere uitwerking zijn van de klachtonderdelen in de eerdere klachtprocedure dat deze, gelet op hetgeen dienaangaande is overwogen in de beslissing van de Accountantskamer van heden,
12 juli 2013, in die eerdere klachtprocedure, onvoldoende zelfstandige betekenis hebben en daarom ongegrond zijn.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Vooreerst verwijst het College in antwoord op het betoog van betrokkene dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij in strijd met artikel 32, tweede lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn de gronden van het hoger beroep heeft geleverd, naar de uitspraak van 2 oktober 2014 (13/179 en 13/186; ECLI:NL:CBB:2014:379), waarin het College de redenen uiteen heeft gezet waarom dit thans eveneens door betrokkene gehouden betoog niet slaagt.

3.2

Appellant heeft tegen de bestreden uitspraak als grief naar voren gebracht dat de accountantskamer zijn klachten ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant stelt dat de accountantskamer zijn klachten had moeten behandelen, de klachten gegrond had moeten verklaren en een passende maatregel had moeten opleggen. De klachten zien volgens appellant immers op nieuw tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkene dat geheel heeft plaatsgevonden na de behandeling van de eerder door appellant ingediende klachten ter zitting op 17 augustus 2012 of dat appellant na die datum bekend is geworden.

3.3

Het College hecht er aan er op te wijzen dat de accountantskamer de klacht van appellant slechts niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover de in het klaagschrift aan de orde gestelde onderdelen zien op handelen en/of nalaten van betrokkene in de periode vóór de tuchtzitting van 17 augustus 2012 en die onderdelen in de eerdere klachtprocedure tijdig, al dan niet bij zelfstandig klaagschrift, hadden kunnen en moeten worden aangevoerd. Voor het overige heeft de accountantskamer, anders dan appellant lijkt te veronderstellen, de klacht ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard.

3.4

Ten aanzien van de vijf klachtonderdelen, hierboven geciteerd in rubriek 2.1, oordeelt het College als volgt.

3.5

Klachtonderdeel 1 behelst in wezen het verwijt dat betrokkene bij het uitbrengen van zijn definitieve rapport van 31 juli 2012 aangaande het voldoen aan de administratieplicht onvoldoende zeker heeft gesteld dat de curator het rapport niet aan derden zou verstrekken. Het College acht op grond van de stukken aannemelijk dat appellant pas na de tuchtzitting van

17 augustus 2012 bekend is geworden met het feit – te weten het door de curator zenden van het rapport aan het Openbaar Ministerie – naar aanleiding waarvan hij betrokkene dit verwijt maakt. Voor zover dit door appellant aan de orde gestelde klachtonderdeel ziet op (gesteld) handelen en/of nalaten van betrokkene in de periode vóór 17 augustus 2012, kan niet worden staande gehouden dat appellant deze klacht in de eerdere klachtprocedure had kunnen en moeten aanvoeren.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Gelet op het feit dat betrokkene zich eerder genoodzaakt had gezien de curator te herinneren aan de beperkingen die aan de verspreiding en het gebruik van zijn (concept)rapporten zijn verbonden, had het naar het oordeel van het College zeker de voorkeur verdiend indien betrokkene bij het uitbrengen van zijn definitieve rapport van 31 juli 2012 de curator nog eens uitdrukkelijk had gewezen op de daarin opgenomen clausule die de verspreiding en het gebruik ervan beperkt tot alleen de beoogde gebruikers. In aanmerking genomen dat betrokkene op dat moment ervan mocht uitgaan dat die beperkingen de curator genoegzaam bekend waren en laatstgenoemde, gelet op de eerdere waarschuwingen van betrokkene, zijn verantwoordelijkheid zou nemen, is het College van oordeel dat de omstandigheid dat betrokkene dit in het hier aan de orde zijnde geval achterwege heeft gelaten geen tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging oplevert.

Klachtonderdeel 1 is naar het oordeel van het College derhalve ongegrond.

3.6

Klachtonderdeel 2 borduurt voort op het verwijt dat betrokkene, gezien de omstandigheid dat zijn zuster twee obligaties van ieder € 50.000 in (de gefailleerde onderneming) [naam 2] bezit, in strijd met het beginsel objectiviteit heeft gehandeld. Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht dermate verweven is met dan wel een verdere uitwerking is van het betreffende klachtonderdeel in de eerdere klachtprocedure dat het, gelet op het oordeel van de accountantskamer dienaangaande, onvoldoende zelfstandige betekenis heeft.

Voor zover het bedoelde handelen appellant na de tuchtzitting bekend is geworden, heeft de accountantskamer klachtonderdeel 2 terecht ongegrond verklaard.

3.7

Klachtonderdeel 3 betreft het verschil van inzicht tussen appellant en betrokkene over de toepasbaarheid van het COSO-framework op een onderneming van het geringe formaat van [naam 2] en over hetgeen onder de administratieplicht moet worden begrepen. Aan het feit dat betrokkene, tegen de zin van appellant, op 1 november 2012 ten overstaan van de
rechter-commissaris zijn opvatting over de toepasbaarheid van genoemd model heeft gegeven, heeft de accountantskamer terecht niet de betekenis gegeven die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Het feit dat de opvattingen van betrokkene over de toepasbaarheid van genoemd model voor discussie vatbaar zijn (zie de uitspraak van het College van heden in zaak 13/622, onder 3.3.3) en appellant deze opvattingen niet deelt brengt niet mee dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt als hij ze uitdraagt. Voor zover appellant in dit verband de uitbreiding van de opdracht voor het onderzoek naar de administratieplicht aan de orde heeft gesteld, is hetgeen appellant te dien aanzien heeft gesteld dermate verweven met dan wel een verdere uitwerking van zijn klacht(en) in de eerdere klachtprocedure omtrent de draagwijdte van het onderzoek naar de administratieplicht dat het eveneens onvoldoende zelfstandige betekenis heeft.

3.8

Klachtonderdeel 4 heeft betrekking op de zorgvuldigheid van het onderzoek in het kader van het rapport dat op de administratieplicht ziet. De strekking en reikwijdte van dit onderzoek waren appellant reeds bekend uit het conceptrapport van 23 februari 2012. De in dit klachtonderdeel aangevoerde gebreken in de uitvoering van het onderzoek waren appellant tijdens de eerdere klachtprocedure, waarin hij bepaalde aspecten daarvan al had bekritiseerd, bekend of hadden dat kunnen zijn. Appellant had hetgeen hij thans aan de orde stelt dan ook eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Dit klachtonderdeel is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.9

Klachtonderdeel 5 betreft onjuiste en/of onvolledige voorlichting die betrokkene aan de rechter-commissaris zou hebben gegeven over E-Synergy en over aan appellant gerichte informatieverzoeken. Volgens appellant is aantoonbaar onjuist dat betrokkene, zoals hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard, hem meerdere malen om administratie heeft moeten vragen en pas op een later moment administratie van E-Synergy heeft gekregen. Het College stelt vast dat appellant in zijn klaagschrift stelt dat hij deze klacht “eerder al [heeft] vermeld en aan de orde [heeft] gesteld, maar [betrokkene] ‘gaat er gewoon mee door’”. Voorts constateert het College dat appellant weliswaar stelt dat wat betrokkene omtrent de frequentie van zijn informatieverzoeken en het moment van ontvangst van gegevens heeft verklaard onjuist is, maar dat dit niet is komen vast te staan. Gelet hierop valt niet in te zien dat de omstandigheid dat betrokkene ook bij de rechter-commissaris uiteen heeft gezet hoe een en ander in zijn beleving is verlopen, een nieuwe klachtwaardige gedraging oplevert. Ook klachtonderdeel 5 is naar het oordeel van het College dermate verweven met de ter zake in de eerdere klachtprocedure geformuleerde klacht dat het zelfstandige betekenis mist. Dit klachtonderdeel heeft de accountantskamer daarom terecht ongegrond verklaard.

3.10

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover het de
niet-ontvankelijkverklaring van klachtonderdeel 1 betreft. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak van de accountantskamer dient in zoverre te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 43i, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants de zaak zelf afdoen en klachtonderdeel 1 ongegrond verklaren.

3.11

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op Hoofdstuk 5 van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond voor zover het betreft het niet-ontvankelijk verklaren van klachtonderdeel 1;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak in zoverre;

- verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;

- verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. C.J. Waterbolk en mr. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.G.M. van Ede